Vuur en As

Vuur en As
Bennu Vogel - ©Paulina Noordergraaf 2018
Bennu Vogel – ©Paulina Noordergraaf 2018

Niemand kon beweren dat de branden niet verwacht waren. Het was de langste droogte in de geschreven geschiedenis. Jarenlang bleven de zomerregens uit. Het land was uitgedroogd. Overal waren de bomen kaal en op sterven na dood, en de bosgrond enkel-diep bedekt met dode, bruine bladeren. Waar eens een muur van groen het uitzicht bepaalde, was nu de horizon zichtbaar tussen de koolzwarte silhouetten van de bomen, trillend in de zinderende hitte van de zon. En toch, toen het vuur op het dorp afkwam met de snelheid van een vloedgolf en de heftigheid van een orkaan, met een hitte die ijzer kon doen smelten, waren de mensen toch niet goed voorbereid.

De grillig draaiende wind had het dorp omsingeld met en alle wegen afgesneden, op een enkel zandpad na dat door de lege velden naar de relatieve veiligheid van de woestijn in de verte leidde. In het besef dat ze maar één kans hadden te ontsnappen grepen de dorpelingen alles wat ze konden dragen. Ze laadden tassen en kinderen op karren en in auto’s en ontvluchtten hun huizen zonder zelfs maar om te durven kijken.

De oude vrouw die ze Mevrouw Benny noemde was een van de helden van die dag. Al voordat het vuur het dorp bereikte was ze rondgegaan om mensen te waarschuwen om zich voor te bereiden hun huizen te verlaten. Ze had mensen geholpen hun oprijlanen vrij te maken en te controleren dat hun voertuigen in goede staat verkeerden. Ze hielp boeren en hun knechten met het wegleiden van vee en het bevrijden van paarden uit hun stallen. Toen de eerste huizen in brand vlogen was zij ter plaatsen om te helpen de in paniek rakende families veilig buiten en op weg te helpen.

Ze leek wel overal tegelijk te zijn, aanwijzingen gevend en mensen kalmerend met haar rustige zelfvertrouwen en ijzeren doortastendheid. Achteraf bleek vrijwel iedereen wel een verhaal te hebben over hoe Mevrouw Benny ze geholpen had te ontsnappen. Iedereen herinnerde zich een moment dat Mevrouw Benny precies daar was waar ze het hardste nodig was. Ze noemden haar een engel. Ze noemde naar een heilige. Ze waren er absoluut zeker van dat het feit dat er die dag maar één dode te betreuren was puur te wijten was aan haar waakzaamheid en bovenmenselijke inspanningen. Ze was als een natuurkracht, de rook en de vlammen trotserend alsof ze onaantastbaar voor ze was.

Wat haar dood alleen maar nog onverklaarbaarder maakten voor de dorpelingen die om haar rouwden.

Toen de laatste familie het pad naar de veiligheid had bereikt voegde Mevrouw Benny zich niet bij hen maar draaide zich om om te kijken naar het dorp dat in vlammen opging. Het laatste gebouw dat in brand vloog was de dorpshal, even buiten het dorp. Iedereen ging ervan uit dat het leeg stond. Maar Mevrouw Benny leek daar andere gedachten over te hebben. Ze riep twee mannen toe haar te volgen en rende terug in de richting van het brandende gebouw.

Ze rende sneller dan een oude vrouw zou moeten kunnen rennen. De twee mannen raakte achterop en zagen vanaf een afstand hoe Mevrouw Benny, ondanks de vlammen die uit het dak kwamen, de voordeur forceerde en in het vuur verdween. Seconden later stortte dat dak in en het hele gebouw ging op in een enorme, spectaculaire kolom van vuur die de hemel in schoot.

De twee mannen zwoeren later dat ze een kreet hoorden als van een reiger op het moment dat het vuur omhoog sprong. Ze zeiden ook dat het vuur net zo snel weer doofde als het begonnen was, alsof het al haar energie in een enkel moment had opgebruikt. Toen ze bij het hek voor het gebouw aankwamen was er van het gebouw alleen nog een rokende hoop puin en as over, waarin alleen de stenen schouw nog overeind stond. Niemand kon dat inferno overleefd hebben. Ze wilden zich omdraaien om zich bij de vluchtende menigte te voegen toen ze een geluid hoorden vanuit de stenen schouw. Iets was nog in leven daar. Het klonk als een baby, zachtjes huilend.

De mannen trotseerden de hitte van de nagloeiende resten van het gebouw en schepten de as weg rondom de schouw. Daar vonden ze mij, een pasgeboren meisje. Bedolven onder as maar miraculeus in leven. Ze pakten me op en haastten met mij weg van het brandende dorp.

Het lichaam van Mevrouw Benny is nooit gevonden. Men neemt aan dat de kolom van vuur haar verpulverd heeft, slechts as achterlatend. Niemand heeft ooit kunnen verklaren hoe ik het overleefd heb of waar ik vandaan kwam. Mijn moeder is onbekend gebleven. Er werd geen vrouw, zwanger of niet, vermist of doodverklaard. Ze vonden mij met een antieke gouden ring in mijn vuistje geklemd dat mensen herkenden als de ring van Mevrouw Benny, dus men zegt dat zij mij moet hebben beschut tegen de vlammen in haar laatste momenten. De as waaronder ze mij bedolven vonden moet haar as geweest zijn. Maar de meeste dorpelingen hadden geen verklaring nodig. Ze noemden het een wonder en Mevrouw Benny een heilige.

Ik werd geadopteerd door een liefhebbende familie die me Benita noemde, al noemde iedereen me Benny, in nagedachtenis van de vrouw die mij gered heeft. Ze hebben mij goed grootgebracht in het herbouwde dorp waar ze op mijn geboortedag vandaan hebben moeten vluchten. Ondanks mijn vreemde begin had ik een onopmerkelijke, gelukkige kindertijd. Toen mijn ouders overleden, jaren later, ben ik gaan reizen en heb vele prachtige plaatsen gezien. Ik heb me gelaafd aan de schoonheid van deze wereld en verbaasd over de vreemde onachtzaamheid van de meeste mensen voor de wonderen om hen heen.


Ik ben nu een oude vrouw. Het is vele jaren geleden dat ik dat dorp voor het laatst zag. Niemand had me daar nodig. Maar nu is het land weer in de problemen. Men zegt dat deze droogte misschien nog erger wordt dan die toen ik geboren werd. Hele regio’s verliezen hun middelen van bestaan. Overal ontstaan spookdorpen waar niemand meer woont.

Ik draag nog altijd de ring van Mevrouw Benny om mijn vinger; de ring die ik vasthad al die jaren geleden. Meestal merk ik niet eens dat ik hem omheb. De laatste tijd, echter, voelt het metaal warm en zwaar aan. Ik denk soms ook een zwak geklop te voelen, alsof de ring tot leven komt. Ook de gravure in de jade steen lijkt helderder te zijn. Kon ik vroeger nauwelijks zien wat het voorstelde, nu zie ik duidelijk een vogel opstijgen uit de vlammen. Als het zonlicht er rechtstreeks op valt zou ik zweren dat ik de vlammen zie bewegen en de vogel haar hoofd zie opheffen naar de hemel.

In mijn dromen roept het vuur me.

Ik denk dat het tijd is om naar huis te gaan.

©Bard 2021

Verhalenland

Verhalenland

“Zonder verhalen zou de kennis sterven en als de kennis was verdwenen zou al het andere eveneens sterven.”
Karl-Erik Sveiby and Tex Skuthorpe, Treading Lightly

Verhalenland
Verhalenland – ©Paulina Noordergraaf 2018

Het land was eindeloos en oneindig rijk. Elke steen, elke heuvel, elk stroompje had een verhaal over haar oorsprong, haar levensloop en haar betekenis in het grotere geheel. Alles was met elkaar verbonden door een levend web van verhalen, liederen en rituelen. Die verhalen waren tijdloos en eeuwig: geboorte, leven en dood vonden allen plaats in die ene tijdloze ruimte van de scheppingstijd. Alles wat ooit was, is en altijd zal zijn werd daar in leven gehouden. Zo bleef het land verbonden, levend en onuitputtelijk. Zo kon het land zich voortdurend vernieuwen zonder wezenlijk te veranderen.

De mensen van dit land wisten maar al te goed hoe belangrijk de verhalen waren. Zij wisten dat elk verhaal een draadje was in het weefsel dat hen in leven hield en hun leven zin gaf. Het was een weten dat veel dieper ging dan het verstand alleen. Ze voelden het in hun ziel, hun lichaam, hun botten. Dankzij de verhalen leefden deze mensen in een wereld waarin elke plek even bekend was als hun eigen familie en vrienden. Wie de verhalen kende van een boom of een plas, kende die plek alsof ze samen waren opgegroeid, kende alle gaven die de plek te bieden had en alles wat ze nodig had om die gaven te kunnen blijven geven. Hoewel ze als nomaden rondtrokken waren deze mensen nooit onderweg, verlangend naar een bestemming. Ze waren altijd thuis. Het land was hun veilige bestemming, hoever ze ook trokken, zolang ze de verhalen kenden.

En dus zorgden de mensen van het land voor haar verhalen en daarmee voor het land. Het was hun heilige plicht elk verhaal te koesteren en ongeschonden door te geven van generatie op generatie. Soms kwamen er verhalen bij, maar er gingen nauwelijks verhalen verloren. Verhalen werden uitgewisseld tussen stammen, meer waardevol dan materiële giften. Verhalen werden eindeloos verteld, gezongen, gedanst en geschilderd. Als het land veranderde – door vulkanen, overstromingen, klimaatveranderingen – werden de verhalen uitgebreid met nieuwe elementen. Niets bleef onverteld. Niet bleef onverbonden. Zolang ieder mens deelnam aan het weven van dit weefsel was het land één, rijk en gul voor iedereen.

Tientallen millennia duurde deze tijdloze scheppingstijd. Eeuwig bewegend, eeuwig hetzelfde.


Tot de vreemdelingen verschenen in hun vreemde schepen. Vreemdelingen waren niet onbekend in het land, maar tot nu toe waren het altijd bezoekers geweest: mensen die kwamen om handel te drijven en verhalen uit te wisselen, om vervolgens weer te verdwijnen. Of mensen die kwamen, de verhalen leerden en zich voegden naar het land tot ze geen vreemdelingen meer waren. Deze vreemdelingen waren anders. Zij kwamen niet om te bezoeken maar om te veroveren. Zij kwamen niet om deel te nemen aan wat het land te bieden had maar om het land aan zich te onderwerpen. Ongevraagd kwamen ze aan. Zonder te vragen bleven ze en zeiden dat het land nu van hen was.

De vreemdelingen zagen niet de verbondenheid tussen het land en haar bewoners. Ze zagen het land niet en haar diep gewortelde geschiedenis. Ze zagen alleen grond en grondstoffen. Ruimte die ze konden innemen. Rijkdommen die ze konden vergaren. Ze zagen een zielloze uitgestrektheid die ze konden vullen met hun eigen bedenksels.

Ze zagen amper de oorspronkelijke bewoners en al helemaal niet hun verhalen, liederen en symbolen. Integendeel, waar de wijze mannen en vrouwen van het land soms probeerden de vreemdelingen deelgenoot te maken van de basisverhalen, waarmee kinderen en bezoekers altijd geacht werden te beginnen, werden de ouden uitgelachen. De vreemdelingen vonden de verhalen kinderachtig en primitief. Sprookjes voor onontwikkelde mensen. Bijgeloof en verzinsels. Hoe sneller deze onzin uit het land verdween hoe beter, vonden ze.

Zelf brachten ze wel verhalen mee, maar die waren levenloos en ontdaan van context. Oude verhalen uit een land dat ze zelf nooit bezocht hadden. Verhalen die ze angstvallig gevangen hielden, opgetekend in doodzwarte inkt op dode bladeren, samengebonden en in leer geketend. Dit waren geen levende verhalen, verbonden met het web van het land, maar dode fossielen, niet in staat om zich met het web te verbinden en erin op te gaan.

De vreemdelingen namen het land over met een achteloze wreedheid die het land niet eerder had meegemaakt. Ze verboden het vertellen van de verhalen, het zingen van de liederen, het dansen van de ceremonies. Ze verboden zelfs de taal waarin de mensen spraken en zongen.

Met elk woord dat verdween verdween er een draadje uit het web van verhalen. Met elk draadje dat brak, verzwakte het web. Het land begon in fragmenten uit elkaar te vallen. De bewoners raakten verdwaald in hun eigen land. Zelfs de plekken waar hun voorouders honderden generaties geleefd hadden voelden niet meer als thuis, omdat de verbindende verhalen ontbraken. Het land verloor haar betekenis en verborg haar geheimen. Van een levenslang familielid dat gul haar overvloed deelde veranderde het land in een wildernis met meer gevaren dan voedsel. Steeds minder mensen konden het land zien en zich welkom voelen.

De vreemdelingen merkten nauwelijks hoe het land verbrokkelde en het leven verdween. Zij zagen niet hoezeer het land en haar bewoners leden. Zonder contact met de scheppingstijd waarin alles verbonden was, merkten ze het verval niet op, of schreven het toe aan tegenslag, weersverandering, natuurgeweld. Jarenlange droogtes werden gevolgd door enorme overstromingen. Ingevoerde dieren en planten werden plagen die het natuurlijke evenwicht volledig verstoorden. Steeds grotere delen van het land veranderden in zinloze leegtes. Steeds meer land werd woestenij. Dor en dood.

De vreemdelingen trokken zich terug in hun steden waar ze in hun onnatuurlijke huizen konden doen alsof de teloorgang van het land hen niet kon deren. Ze bouwden muren om zich heen om het verval niet te hoeven aanschouwen. Ze vertelden zichzelf dat ze alle problemen konden oplossen met nieuwe technologie. Ze wisten zeker dat ze natuur konden bedwingen en het land naar hun hand zouden kunnen zetten. Al wat nodig was was nog meer energie, nog meer machines, nog meer geweld.

En zo gingen de vreemdelingen ten onder. In de laatste stad keken de laatste overlevenden naar een betekenisloos land, zonder leven, zonder mededogen. Het land was woest en ledig. Er was geen thuis waar ze zich veilig voelden. Er was geen verleden waar ze deel van waren. Er was geen toekomst om naar uit te kijken. Er was zelfs geen verteller om deze teloorgang nog zin te geven. Er was alleen de leegte van een kil en zinloos universum waarin voor mens geen plaats meer was.


Het land bleef achter als een onbeschreven blad, zonder bergen of dalen, zonder rivieren of meren, zonder leven. En het wachtte tot iemand haar terug zou vinden. Tot er weer echte bewoners zouden komen die het land met hun verhalen en liederen tot leven zou brengen. Die met hun ceremonies en schilderijen het landschap zouden vormen en vullen met betekenis en waarde.

Het land wachtte …

©Bard 2021

De brug

De brug
De Brug
De Brug – ©Bard 2017

De weg was al lang geen echte weg meer. Hoe hoger hij kwam in dit berglandschap, hoe minder de weg was onderhouden. Asfalt had plaats gemaakt voor kasseien. Van een redelijk begaanbaar pad met hier en daar een provisorisch met bakstenen en grind gevulde kuil bleef uiteindelijk alleen een nauwelijks te belopen grindspoor over. En nu, enige uren nadat hij door een verlaten dorp gelopen was, was zelfs dat spoor amper nog te zien onder het gras en onkruid dat overal groeide.

Toch liep hij door, overtuigd dat hij door dit pad te volgen uiteindelijk zou komen waar hij moest zijn; waar dat dan ook wezen mocht.

Na een laatste steile klim stond hij voor een oude stenen brug over een smal maar diep ravijn. Het was duidelijk dat er al geruime tijd geen verkeer meer over deze brug ging. De brug was al net zo begroeid als het pad, alsof het groen zelf de kloof overspande en de brug zonder die begroeiing allang de diepte in gestort zou zijn.

Aarzelend liep hij naar de rand van de brug. Hij keek naar beneden en zag hoe honderden meters lager een snelstromende rivier zich tussen grote rotsblokken door wrong. Vaag kon hij vanuit de diepte het geraas van het water horen. Het geluid klonk dreigend, bijna kwaad, alsof de geest van de rivier zich irriteerde aan de rotsen die haar weg belemmerden.

Door de zilveren nevel die vanuit de kloof omhoog steed kon hij net de overkant van de brug zien. Het pad leek zich daar weer te verbreden. Het landschap zag er ook meer begaanbaar uit aan die kant met minder steile rotswanden en veel meer met gras begroeide glooiende hellingen.

Het was hem volkomen duidelijk dat zijn bestemming aan de overkant van de brug lag. Daar zou hij de beloning vinden voor de lange klim die hij de afgelopen dagen gemaakt had. Nu alleen nog even die brug oversteken. De rest zou bijna vanzelf gaan. Vervuld met nieuwe hoop liep hij zonder verder na te denken de brug op.

Na een paar stappen merkte hij dat de brug begon mee te trillen met zijn voetstappen. Bij elke stap werd de trilling erger tot hij de brug voelde schudden elke keer als hij zijn voeten neerzette. Bang geworden begon hij sneller te lopen, met als gevolg dat het schudden nog erger werd. De hele brug was nu in beweging. Bijna halverwege begon hij te rennen. Even dacht hij dat hij het zou gaan halen maar toen kwam de weg voor hem in een soort golfbeweging omhoog om vervolgens onder zijn voeten compleet te desintegreren.

Hij viel en had nog net tijd om te bedenken dat hij voorzichtiger had moeten zijn. Toen raakte hij de rotsen. Zijn levenloze lichaam werd door de rivier meegesleurd zonder verder een spoor na te laten.


Na een laatste steile klim stond hij voor een oude stenen brug over een smal maar diep ravijn. Het was duidelijk dat er al geruime tijd geen verkeer meer over deze brug ging. De brug was al net zo begroeid als het pad. Het leek alsof het groen zelf de kloof overspande en de brug er alleen nog hing omdat de begroeiing haar overeind hield.

Aarzelend liep hij naar de rand van de brug. Hij had het vage gevoel dat hij dit al eens eerder had gezien. Het leek hem dat hij het landschap aan de overkant herkende. Het maakte hem onrustig, alsof er iets was dat hij zich zou moeten herinneren dat net buiten zijn bereik bleef.

Hij liep naar voren en zag naast de weg de vervallen resten van wat een wegwijzer of waarschuwingsbord geweest zou kunnen zijn. Hij trok het bord de weg op om het beter te bekijken. Niets. Als er al iets op had gestaan was het door de tijd en het weer volledig vervaagd. Hij liet het bord voor zich op de weg terugvallen.

Het was hem volkomen duidelijk dat zijn bestemming aan de overkant van de brug lag. Daar zou hij de beloning vinden voor de lange klim die hij de afgelopen dagen gemaakt had. Maar die brug zag er niet erg betrouwbaar uit. Het bord gaf hem ook een licht ongerust gevoel. Toch besloot hij door te lopen. Tenslotte zag de overkant er wel erg verleidelijk uit. Hij stapte over het bord de brug op.

Na een paar stappen merkte hij dat de brug begon mee te trillen met zijn voetstappen. Bang geworden begon hij sneller te lopen. De hele brug was nu in beweging. Bijna halverwege begon hij te rennen. Even dacht hij dat hij het zou gaan halen maar toen kwam de weg voor hem in een soort golfbeweging omhoog en viel onder zijn voeten uit elkaar.

Hij viel en had nog net tijd om te bedenken dat hij beter had moeten luisteren naar zijn voorgevoelens. Toen raakte hij de rotsen. Zijn levenloze lichaam werd door de rivier meegesleurd zonder een spoor na te laten.


Na een laatste steile klim stond hij voor een oude stenen brug over een smal maar diep ravijn. De brug was al net zo begroeid als het pad.

Aarzelend liep hij naar de rand van de brug. Hoewel hij nog nooit in deze bergen geweest was wist hij vrijwel zeker dat hij deze plek al eens eerder had gezien. Ook het landschap aan de overkant zag er bekend uit. Het maakte hem onrustig, alsof er iets was dat hij zich zou moeten herinneren dat net buiten zijn bereik bleef.

Hij liep naar voren en zag midden op de weg een oud waarschuwingsbord liggen. Hij vroeg zich af wie het daar neergelegd had en waarom. Helaas was er op het bord niets te lezen. Zonder precies te weten waarom pakte hij een stuk kalksteen van het pad en kraste een paar woorden in het verweerde hout. Hij keek naar wat hij geschreven had en lachte om zichzelf. Hij moest zich niet zo aanstellen, dacht hij. Zo erg kon het niet zijn? Toch zette hij het bord zorgvuldig overeind tegen een grote steen aan het begin van de brug voor hij weer naar de overkant keek.

Het was hem volkomen duidelijk dat zijn bestemming aan de overkant van de brug lag. Maar dat bord had hem even van slag doen raken. Toch besloot hij door te lopen. Hij was al te ver gekomen om nu nog om te draaien en terug te gaan.

Na een paar stappen merkte hij dat de brug begon mee te trillen met zijn voetstappen. Ongerust nu ging hij steeds sneller lopen tot hij halverwege gekomen voluit aan het rennen was. Even dacht hij dat hij het zou gaan halen. Maar de weg kwam voor hem in een soort golfbeweging omhoog om daarna onder zijn voeten kompleet te verkruimelen.

Hij viel en had nog net tijd om zichzelf te verwijten dat hij niet was omgekeerd toen hij dat bord bij de brug had gezien. Hij had op zijn intuïtie moeten vertrouwen. Toen raakte hij de rotsen. Zijn levenloze lichaam werd door de rivier meegesleurd zonder een spoor na te laten.


Na een laatste steile klim stond hij voor een oude stenen brug over een smal maar diep ravijn. Hij wist vrijwel zeker dat hij deze brug al eens eerder had gezien. Ook het landschap aan de overkant zag er bekend uit. Hij voelde zich opgejaagd en bang, alsof hij zich heel dringend iets belangrijks moest herinneren maar er net niet bij kon komen.

Hij liep naar voren en zag tegen een steen aan het begin van de brug een oud, verweerd bord geleund staan. Het was duidelijk neergezet om gezien te worden. Hij veegde wat stof en vuil van het bord af en zag dat iemand met krijt iets in het bord gekrast had. Met wat moeite las hij “Pas op! Gevaarlijke brug. Instortingsgevaar.” Hij vroeg zich af wie het bord daar neergezet had en hoe lang geleden. Hij keek naar de overkant van de kloof.

Het was hem volkomen duidelijk dat zijn bestemming aan de overkant van de brug lag. Maar die brug zag er niet erg betrouwbaar uit. En dat bord was wel erg onheilspellend.

Aarzelend liep hij naar de rand van de brug. Hij keek naar beneden en zag hoe honderden meters lager een snelstromende rivier zich tussen grote rotsblokken door wrong. Vaag kon hij vanuit de diepte het geraas van het water horen. Het geluid klonk dreigend, bijna kwaad, alsof de geest van de rivier zich irriteerde aan de rotsen die haar weg belemmerden. Hij kon zich goed voorstellen hoe het zou zijn om naar beneden te vallen en op die rotsen te pletter te slaan. Het water zou zijn levenloze lichaam meesleuren zodat er geen spoor meer van hem te zien zou zijn.

Hij keek nog één keer naar het lokkende landschap aan de andere kant van de brug.

Toen draaide hij zich om en met een gevoel van opluchting gemengd met teleurstelling begon hij aan de lange tocht terug naar beneden, waar hij op zoek zou gaan naar een andere manier om aan de overkant te komen.

©Bard 2020

In gedachten verzonken

In gedachten verzonken

Het meer - ©Bard 2012
Het meer – ©Bard 2012

In gedachten verzonken was hij ongemerkt een bos ingelopen. Toen hij uiteindelijk weer om zich heen keek zag hij niets herkenbaars om zich heen. Een nauwelijks zichtbaar pad slingerde zich tussen hoge bomen en dicht struikgewas door. Met diep mos begroeide plekken onder de hoogste bomen werden afgewisseld met stukjes hoog en dor gras en hier en daar wat kale zandgrond. Hoewel de zon hoog in de hemel stond was het bijna schemerdonker hier. Het dichte bladerdak hield bijna al het zonlicht tegen en het beetje licht dat de grond bereikte was doordrenkt met een groenige, pastel-achtige waas.

Waar was hij? En hoe kwam hij hier weer uit? Het nauwe bospaadje leek nergens heen te gaan en verder zag hij alleen bos, zover het schemerduister hem toeliet te kijken.

Ongerust keek hij om zich heen.

Toen hij zich voor de tweede keer 360º had rondgedraaid zag hij in de verte iets glinsteren. Hij keek nog wat beter. Ja, daar was het duidelijk lichter en hij dacht dat hij het blauwige geschitter van stromend water kon zien, tussen de dichte begroeiing door.

Het duister van dit bos was hem gaan beklemmen en dus dacht hij er niet lang over na. Hij begon te rennen in de richting van het licht daar in de verte.

Omdat hij amper kon zien waar hij liep kon hij niet al te snel gaan. Hij moest ook goed opletten waar hij zijn voeten neerzette: het paadje zat vol met oneffenheden, kuilen en boomwortels waar je je behoorlijk op kon verstappen.

Na zo, met zijn ogen op de grond gericht, een stukje gerend te hebben, stopte hij even om zich te oriënteren.

Het duurde even voor hij het licht in de verte weer gevonden had. Tot zijn verbazing leek het nu verder weg dan daarnet. Het was nog steeds goed zichtbaar, vooral in contrast met het donker om hem heen. Maar de afstand tussen hem en het spiegelende water was duidelijk groter geworden. Hij had waarschijnlijk niet goed opgelet hoe het pad precies liep. Zonder het te merken moest hij een zijtak zijn ingeslagen die hem wegvoerde van het water, in plaats van ernaartoe.

Hij dwong zichzelf tot kalmte door een paar keer diep adem te halen. Paniek gaat je niet helpen, zei hij tegen zichzelf. Er is ook geen reden toe: zolang je het water maar in het zicht houdt kan je onmogelijk verdwalen.

In plaats van de rennen besloot hij nu zijn ogen op het water gericht te houden en niet op de grond. Hij moest daardoor veel voorzichtiger lopen maar door zijn voeten zorgvuldig neer te zetten en te voelen of hij stevig stond voor hij de volgende stap nam kwam hij toch vooruit.

Hoewel…

Na op deze manier een aantal grote passen genomen te hebben begon hij het gevoel te krijgen dat hij weliswaar vooruit bewoog, maar dat tegelijkertijd het water zich van hem verwijderde. Hij nam nog een paar passen en wist het toen zeker: hij was opnieuw verder weg van het water in de verte dan daarvoor.

Hij nam opnieuw een paar stappen. Het water was nu bijna uit het zicht verdwenen. Alleen het helderder licht aan de horizon verraadde nog de plek waar het water zich moest bevinden. Bang dat hij dat licht ook nog uit het oog zou verliezen begon hij toch weer te rennen. Tot hij over een boomwortel struikelde en plat op zijn rug terecht kwam.

Hij krabbelde moeizaam overeind. Hij was weer helemaal omringd door het half-duister van het bos. Nergens was een spoor te zien van het water of zelfs maar het licht aan de horizon.

In paniek draaide hij in de rondte in de hoop toch nog iets van licht te kunnen zien.


Ineens, als uit het niets, stond ze voor hem. Een slanke, statige vrouw, gekleed in een lichtgroen gewaad. Ze had lang, zwart haar en donkerbruine, bijna zwarte ogen. In één hand hield ze een lange staf. Haar andere hand hield ze opgeheven in een ‘stop’ gebaar. Een lichte glimlach hing om haar lippen, maar haar stem klonk streng en gebiedend, toen ze zei: “Zo is het wel genoeg. Gedraag je alsjeblieft een beetje waardig.”

Zijn mond was opengevallen van verbazing. Hij hijgde nog na van zijn paniek aanval en hij was duizelig van het in de rondte draaien. Maar bij het horen van haar stem voelde hij zich als het ware in de houding springen. Zonder er bij na te denken rechtte hij zijn rug, sloot zijn mond en wachtte af wat ze nog meer zou zeggen.

“Goed zo. Je kan dus luisteren. Wie weet ben je nog te redden.” Opnieuw speelde er een zweem van een glimlach om haar lippen. “Maar dan moet je wel precies doen wat ik zeg.” Sprakeloos, te verbaasd om iets te zeggen, knikte hij dat hij haar begrepen had.

“Heb je enig idee waarom het je niet lukt het water te bereiken?” vroeg ze. Hij schudde zijn hoofd. Ze keek hem aan en verwachtte blijkbaar een antwoord. “Het lijkt wel of het water voor me uit vlucht,” opperde hij voorzichtig. “Iedere keer als ik dichterbij probeer te komen lijkt het water verder weg zijn.”

“Aha” zei de vrouw, “Observeren kan je dus wel. Maar je conclusie is wel typisch mannelijk: wanneer je iets tegen komt dat je niet kan verklaren moet er wel iets mis zijn met de wereld. Heb je er ook maar een moment bij stilgestaan dat er misschien iets met jou aan de hand is, en niet met het water?”

Verbaasd staarde hij haar aan. Iets mis met hem? Hoe bedoelde ze dat? “Is het water misschien gezichtsbedrog? Denk ik alleen dat ik water zie?” probeerde hij.

“Nee” zei ze, “dat water is echt. Het ligt niet aan je ogen. Maar wel,“ en daar was opnieuw die glimlach, “aan hoe je naar de wereld kijkt.”

Hij wist niet waar ze op doelde, dus hield hij maar zijn mond, hopend dat ze zou uitleggen waar ze op doelde.

“Probeer maar eens naar me toe te lopen. Misschien begrijp je dan wat ik bedoel.” Aarzelend nam hij een paar stappen naar voren. Tot zijn stomme verbazing was de vrouw na een paar stappen veel verder weg dan toen hij begon te lopen. Toch had ze niet bewogen. Ze stond nog in precies dezelfde houding. Ze leek ook nog op dezelfde plek te staan, hoewel ze toch duidelijk verder weg was. Wat was hier toch aan de hand?

“Je hebt het nog steeds niet door, hè?” zei de vrouw. “Ik dacht dat je slimmer was. Nog maar eens proberen dan. Loop nu eens van me weg, zonder je om te draaien. Kijk me aan en neem een paar stappen van me af.” Hij deed wat ze zei en zag hoe ze met elke stap die hij achteruit deed een stap dichterbij leek te komen. Hij stopte toen hij weer vlak voor haar stond en keek haar in verwarring aan.

“Begrijp je het nu?”

Toen hij niet direct antwoord gaf nam ze een halve stap naar achteren en sloeg tegelijkertijd in één vloeiende beweging met haar staf zijn hoofd van zijn schouders. Hij voelde zijn hoofd door de lucht tollen en op het zachte mos landen, terwijl zijn lichaam hulpeloos voorover zakte. Zijn lijf eindigde op handen en voeten en zijn rollende hoofd kwam tegen een boomstam tot stilstand.

Voor zijn gevoel was hij nu op twee plaatsen tegelijk. Hij voelde duidelijk het mos aan zijn handen en de grond onder zijn knieën en voeten. Maar hij voelde ook de ruwe boomstam tegen zijn wang en zag het gras voor zijn ogen. Een miertje klom tegen één van de halmen omhoog, stopte op ooghoogte en rende vervolgens weer naar beneden. Hij was te verbaasd om in paniek te raken en te geschrokken om iets te zeggen.

“Het spijt me” zei de vrouw, “maar soms is een directe aanpak toch het beste.” Hij kon haar niet zien maar hoorde hoe ze naast zijn hoofd neerknielde. “Nu is het zaak je hoofd erbij te houden. Probeer eens voorzichtig in de richting van mijn stem te kruipen.”

Haar stem was zo kalm en zelfverzekerd dat hij zijn opkomende paniek voelde wegebben. Hij deed wat ze zei en maakte voorzichtig een paar kruipbewegingen. Hij voelde aan zijn lijf dat hij vooruit bewoog, maar omdat zijn hoofd een andere kant opkeek kon hij die beweging niet zien. Dat was zo verwarrend dat een golf van duizeligheid hem bijna deed omvallen.

“Dat is lastig, hè? Als je hoofd en je lijf niet samenwerken? Probeer het nog eens, maar nu met je ogen dicht. Kijken gaat je niet helpen, voelen wel. Concentreer je op mijn stem en het gevoel in je lijf. Als het helpt, stel je dan voor dat je in het pikkedonker in mijn richting kruipt.”

Hij sloot zijn ogen en deed precies wat ze zei. Nu zijn ogen en zijn lijf elkaar niet langer tegenspraken was het inderdaad veel makkelijker. Zonder al teveel moeite kroop hij de richting van haar stem. Hij voelde zijn handen tegen zijn hoofd aanstoten en pakte zonder erbij na te denken zijn hoofd met beide handen op en drukte het stevig terug op zijn nek. Hij voelde zijn hoofd en lijf weer aan elkaar groeien.

Voorzichtig liet hij zijn hoofd los. Het bleef keurig aan zijn nek zitten, alsof het nooit los was geweest. Hij draaide zijn hoofd van links naar rechts. Ook dat ging zonder problemen. Hij ging stevig op de grond zitten en deed zijn ogen open. Alles zag er normaal uit. Het bos, de lucht, de bomen … en op een paar passen afstand de mysterieuze vrouw met haar staf in de hand.

“Goed gedaan.” zei ze, duidelijk tevreden met zijn optreden. “De meeste mannen verliezen bij zoiets compleet hun hoofd en raken hopeloos verdwaald. Ik heb er heel wat in paniek het bos in zien verdwijnen. Nooit meer teruggezien trouwens. Maar ik ben blij dat jij jezelf weer bij elkaar hebt weten te rapen. Ik denk dat jij wel potentieel hebt.” Hij zag in zijn verbeelding hordes mannen hoofdeloos door het bos kruipen tot ze van uitputting neervielen. Dat had hem dus ook kunnen overkomen. Opgelucht haalde hij adem.


“Kom” zei de vrouw en hield haar vrije hand naar hem uit, “sta op en loop met me mee. Ik zal je naar het water brengen.” Ze hielp hem overeind en hij liep naast haar het bos in. Na een paar wendingen van het pad zag hij inderdaad het licht weer en de schittering van het water. Hij verwachte half dat het water weer uit het zicht zou verdwijnen en was dan ook blij om te zien dat de waterkant ditmaal snel dichterbij kwam. Na een korte wandeling stond hij naast de vrouw op een zandstrandje aan de rand van klein meertje, midden in het bos.

“Welkom bij mijn meer”, zei de vrouw. “Vanaf hier kan je zelf je weg verder vinden. Maar voor ik je laat gaan, heb je nu begrepen wat er aan de hand was?” Ze keek hem aan, haar donkere ogen strak op de zijne gericht.

Hij dacht na. Haar vraag was een test en hij vermoedde dat ze een fout antwoord niet zou tolereren. Hij wist niet wat ze van plan was maar hij had gezien wat ze met haar staf kon doen. Goed nadenken dus. Wat had hij zojuist allemaal meegemaakt? Ineens wist hij het. “Ik had mijn hoofd achterstevoren op mijn nek staan.” Hij keek haar aan. “Ik keek naar voren maar liep achteruit.”

Ze lachte hem toe. “Inderdaad. Of je liep vooruit maar keek naar achteren. Ik hoop dat je dit niet meer zal vergeten: als je je vasthoudt aan waar je vandaan komt bereik je nooit waar je heen wilt. Houdt je blik dus in lijn met de richting die je uit wilt. Dan wijst de weg zich vanzelf.”

Dat klonk inderdaad nogal logisch. Hij knikte dat hij haar begrepen had. Nog wel wat voorzichtig – zijn hoofd had net nog naast hem op de grond gelegen dus hij wilde geen onnodig risico nemen.

Tegelijk met de vrouw draaide hij zich weer naar het meertje en bewonderde de aanblik van het rimpelende water en het zonlicht dat met de golfjes speelde.

©Bard 2020

Het Sociale Weefsel

Het sociale weefsel is een magisch weefsel
Geweven uit onze verplichtingen
Uit schulden gemaakt en gunsten verleend
In het algemeen belang

Geweven uit onze hoop en dromen
De verwachting van een betere toekomst
Herinneringen aan een gouden verleden
En de verhalen die we samen delen

Het sociale weefsel is een kwetsbaar weefsel
Dat kan verzwakken en kan scheuren
Door eigenbelang en hebzucht
Door achterbaksheid en verraad

Ontrafeld en uitelkaar gescheurd
Door geweld en machtsmisbruik
Door verdeeldheid en haat
En de politiek van de angst

Het sociale weefsel is een kostbaar weefsel
Dat ons behoedt met haar beschutting
Ons de kans geeft te kiezen tussen
mededogen en onverschilligheid

Zonder dit doek om ons te kleden
Zouden wij naakt staan in de wereld
In een ijzig donker Universum
Elk van ons alleen

Bard – 2019

The State of Flow

Als er iets is dat ons menselijk maakt is het wel onze behoefte om betekenis te vinden in ons leven. Wat we ook doen, op een bepaald moment komt de vraag van de zingeving naar boven. Waarom zijn we hier? Wat is de betekenis van ons leven? Hoe kunnen we ons leven meer inhoud en vervulling geven? In plaats van volledig te vertrouwen op ons rationeel verstand, geloof ik dat juist hier onze emoties een geweldige bron van informatie zijn, als we leren naar ze te luisteren.

Hoe meer we ons bewust worden van onze gevoelens en emoties, hoe meer het ons opvalt hoe veranderlijk ze zijn: hoe ze soms pieken met gevoelens van geluk en vervulling en dan weer door dalen gaan van angst, stress en leegheid. Ons emotionele systeem is het bewakings- en regulerings-systeem van onze body-mind. Het houdt alles wat er in en om ons heen gebeurt in de gaten en evalueert dat naar het belang dat het voor ons heeft. Zelfs zonder dat wij er bewust aandacht aan besteden werken onze emoties 24/7 om ons te helpen de optimale toestand voor ons systeem te vinden, strevend naar wat soms “optimale homeostasis” genoemd wordt, ofwel de meest stabiele toestand die op dat moment mogelijk is.

Het is niet eenvoudig om ons systeem in zo’n optimale balans te houden. In feite, als gevolg van de complexiteit van zowel ons eigen systeem als van de wereld waarin wij leven, en de vele vaak tegenstrijdige eisen en krachten waar we aan onderhevig zijn, is het nooit een echt optimale toestand, en blijven de dingen nooit lang stabiel. Het beste waar we op kunnen hopen is een benadering van dat optimum en een relatieve stabiliteit die niet voortdurend wild heen en weer slingert bij de minste verandering van omstandigheden.

Als we aannemen dat ons emotionele systeem tot doel heeft de best mogelijke toestand onder de gegeven omstandigheden voor ons te vinden, kunnen we enorm veel leren van wat onze veranderende stemmingen en gevoelens ons proberen te vertellen over onszelf en de situaties waarin we ons bevinden. Sommige toestanden voelen beter dan anderen. Sommige toestanden geven ons energie en stellen ons in staat grootse dingen te doen; andere toestanden trekken ons omlaag en weerhouden ons ervan zelfs het meest eenvoudige werk goed uit te voeren. Soms voelen we ons gestressed en ongemakkelijk; en dan weer voelen we ons prettig en relaxed. Soms voelen we ons alert en ‘in de zone’; dan weer kunnen we nauwelijks samenhangend denken of onze aandacht voor langer dan een paar seconden ergens op gericht houden. Onze emoties reguleren niet alleen ons body-mind systeem, ze communiceren ook met ons. Ze proberen ons te vertellen, door hoe ze ons laten voelen, wat gezond en goed is voor ons, en wat ons schade doet.

Eén bepaalde toestand is met name belangrijk om ons te helpen ons doel en vervulling in het leven te vinden. Dat is wat in het Engels de ‘state of flow’ genoemd wordt, het ‘in de zone’ zijn. Het is een toestand waarin we zo opgaan in wat we aan het doen zijn dat het lijkt of we er niet meer bij na hoeven te denken en gewoon mee kunnen gaan met wat er binnenin en om ons heen gebeurt. Het lijkt op zo’n moment wel of we geleid worden door een andere intelligentie: een wijze van denken en doen die niet gestuurd wordt door ons eigen bewustzijn en niet onze bewuste gedachten nodig heeft om dingen te interpreteren, classificeren, uit te leggen en beslissingen te nemen voor we tot actie kunnen overgaan. In deze toestand handelt onze body-mind met gratie en gemak, in harmonie met de situatie. Als we in deze ‘flow’ zijn bereiken we vaak onze beste resultaten, maar het voelt bijna alsof het werk via ons gedaan wordt in plaats van dat het door ons op bewuste en moeizame wijze geproduceerd wordt.

When Things Just Flow - © Bard 2018
When Things Just Flow – © Bard 2018

Er kan heel veel geschreven wordt over deze staat van ‘flow’ en er zijn ook voldoende boeken hierover te vinden. Voor deze blog is het punt dat ik wil maken dat de ‘state of flow’, en toestanden die er veel op lijken in hoe ze ons doen voelen, ons beste gereedschap is om ons doel in het leven te vinden. Ons emotionele systeem produceert de ‘state of flow’ als we ons zo dicht als maar mogelijk is bij onze optimale staat van zijn bevinden, waar onze situatie, acties, gedachten en intenties met elkaar afgestemd zijn en harmonieus samenwerken; wanneer we niet met onszelf en de wereld worstelen; wanneer we niet onze ware gevoelens hoeven te negeren of te onderdrukken; wanneer we gewoon in het moment zelf kunnen zijn en er in meegaan, in plaats van ertegenin. Door de momenten terug te vinden dat we in deze staat waren in ons leven en de onderliggende patronen en overeenkomsten tussen die momenten te leren zien, kunnen we die informatie gebruiken als de basis voor ons eigen persoonlijke verhaal. Dit is wat ik “Je Eigen Parelsnoer Maken” noem. In de volgende afleveringen zal ik precies uitleggen hoe dit in zijn werk gaat.

De Macht van Keuzes

Het kunnen maken van keuzes is een fundamenteel menselijke eigenschap. Wij maken voortdurend keuzes. Iedere handeling of niet-handeling is een keuze. Iedere reactie, of het uitblijven daarvan, is een keuze. We kunnen het kiezen niet vermijden: uitgerust als we zijn met onderscheidingsvermogen en het vermogen beslissingen te nemen, zijn we iedere keer dat we ons bewust worden dat er een keuze te maken is tevens gedwongen te kiezen. Zelfs kiezen niet te kiezen is natuurlijk een keuze. Keuze is onvermijdelijk.

De onvermijdelijkheid van keuzes kan vaak als een last aanvoelen. Het betekent dat we niet zomaar erop los kunnen leven, onze impulsen volgen en de gevolgen negeren. Omdat we de macht hebben te kiezen zijn we, onontkoombaar, verantwoordelijk voor de gevolgen van de keuzes die we maken (of vermijden). We voelen ons dan ook niet zelden schuldig wanneer dingen niet zo uitpakken als we verwachtten en onze keuzes (wellicht onbedoeld) onszelf en andere mensen tot last zijn of zelfs schade toe brengen. Schuld is echter een negatieve emotie die ons niet meer maar minder verantwoordelijk maakt voor de consequenties van onze acties, omdat schuld ons neigt te verlammen. In plaats van onze acties te beschouwen en de gevolgen zo objectief mogelijk te beoordelen, om dan te reageren op een manier die het positieve maximaliseert en het negatieve minimaliseert, raken we door onze schuldgevoelens vaak zo geobsedeerd door het negatieve dat we helemaal niet meer reageren.

Het mooie van keuzes, en een tegengif tegen schuldgevoelens, is ons te realiseren dat hoewel we het onmogelijk altijd goed zullen doen en nooit compleet kunnen vermijden dat we schade aandoen met de keuzes die we maken, we tevens altijd de macht en de mogelijkheid hebben de volgende keer betere keuzes te maken. Keuzes stellen ons in staat te leren van onze vergissingen en te blijven werken aan het verbeteren ervan. En iedere keer dat we een bewuste keuze maken om het dit keer beter te doen groeit ons vermogen om op een positieve manier aan de wereld bij te dragen. Een positieve bijdrage waar we zelf voor kiezen.

Bewuste keuzes zijn die momenten waarop we even stilstaan, de toestand in ogenschouw nemen, om vervolgens doelgericht verder te gaan, in bewuste harmonie met onze overtuigingen, aspiraties en doelen. Zulke keuzes worden toekomst-bepalende momenten: veel van de de schier oneindige veelheid van wat mogelijk was voor we kozen valt ineens weg, en behoort niet langer tot de mogelijkheden. Onze keuze reduceert de oneindige complexiteit. Die overigens nog steeds oneindig complex blijft – dat is nu eenmaal een eigenschap van het oneindige – maar we hebben het gesnoeid en ingeperkt; omgebogen – hoe subtiel ook – naar onze eigen smaak en verlangens.

Wat deze macht vele malen sterker maakt is wanneer onze keuzes niet alleen bewust maar ook consistent zijn. Consistente keuzes maken betekent niet dat we altijd precies hetzelfde kiezen, maar dat we onze keuzes baseren op een set van principes of een raamwerk voor hoe we keuzes maken. Op die manier worden onze keuzes een vormende kracht met toenemende invloed en uitwerking. Een reeks van kleine maar consistente keuzes zijn als de duwtjes die we een schommel geven: ze zijn misschien niet al te krachtig op zichzelf, maar als we ze goed timen en nauwkeurig richten bouwen ze momentum op totdat ze de schommel ver en hoog doen uitzwaaien.

Iedere keuze brengt ons ergens anders - (c)Bard 2016
Iedere keuze brengt ons ergens anders – (c)Bard 2016

De verhalen waar we de vorige blog over spraken vormen een krachtig raamwerk voor het maken van consistente keuzes. Het gebruik maken van ons eigen verhaal op deze manier geeft ons twee belangrijke gereedschappen om mee te werken:

  • Het geeft ons een raamwerk om de keuzes die we maken te evalueren. Voor iedere optie kunnen we ons afvragen: “Helpt dit me verder op mijn weg, of leidt het me er vandaan?” Meestal is het mogelijk door een keuze te meten aan ons levensverhaal een rangorde te maken van onze opties in volgorde van afstemming met dat verhaal.Het lijkt logisch om vervolgens de best afgestemde optie te kiezen. Maar het is geen slecht idee om eerst een realiteits-controle uit te voeren om te zien of er geen consequenties of neven-effecten aan de meest voor de hand liggende optie verbonden zijn. In het algemeen, echter, kunnen we stellen dat de best afgestemde optie de voorkeur heeft, tenzij er duidelijk ongewenste kanten aan kleven.
  • Het geeft ons een manier om de uitkomst van onze keuzes te evalueren door onszelf regelmatig af te vragen: “Boek ik vooruitgang op mijn levensreis? Zie ik verbeteringen of voortgang in die gebieden die het meest relevant voor mij en het levensverhaal waar ik mij aan heb toegewijd zijn?”

Zelfs als onze keuzes niet onmiddellijk leiden tot de gewenste uitkomst – en dat doen ze meestal niet, omdat het terrein dat voor ons ligt grotendeels onbekend is en we het moeten verkennen en ervan leren voor we beter kunnen worden in het maken van de juiste keuzes – met ons verhaal om ons te leiden kunnen we bewuste keuzes blijven maken en zo onszelf toestemming geven de auteurs te worden van ons eigen levensverhaal, de regisseur van ons eigen drama, en tevens daarin de belangrijkste acteur of actrice.

Dat is de macht van keuzes: de wereld vormgeven naar ons beste vermogen om haar te laten samenvallen met het verhaal dat we willen leven, in plaats van machteloze, passieve passagiers en toeschouwers te blijven van een wereld die aan ons voorbij gaat.

De Macht van Verhalen

Wij zijn een verhalen vertellende soort. Dat is hoe we de wereld begrijpbaar maken. Het is hoe we onze ervaringen met anderen delen, en hoe we ons met elkaar verbinden, bij elkaar blijven en samen evolueren. Wat onze ervaring van de werkelijkheid betreft: tenzij we het in een verhaal kunnen vatten kunnen we niet echt zeggen dat we het op een betekenisvolle manier beleefd hebben.

Als een boom omvalt in het bos maakt het waarschijnlijk geluid, zelfs als er niemand is om hem te horen te vallen. Maar zonder een mens daar om het te aanschouwen, te beleven en vervolgens in een spannend verhaal te gieten over een woudreus die met donderend geraas tegen de vlakte ging, en hoeveel indruk dat maakte op de verteller, had die boom net zo goed in stilte kunnen omvallen. Het medium dat het fysieke geluid draagt is de lucht, maar het metafysische geluid wordt gedragen door het verhaal – en wat ons mensen betreft is dat metafysische geluid het enige dat telt.

Verhalen helpen ons de werkelijkheid te categoriseren en te ordenen zodat ze beter te begrijpen en te manoeuvreren is. We gebruiken verhalen om belangrijk te maken wat anders willekeurige gebeurtenissen zouden zijn. Verhalen zijn niet statisch. Ze beschrijven en categoriseren niet alleen hun inhoud: ze brengen die inhoud ook tot leven door ze beweging en momentum te geven. Onze verhalen imiteren onze ervaringen door zich in de tijd af te spelen: met een begin, een midden en een einde. Verhalen vangen en verrijken de werkelijkheid die wij ervaren door er een gevoel van richting aan te geven: een intentionele beweging die onze verhalen van het begin tot het einde vult met een diepgevoeld belang.

Om een richting te hebben moeten verhalen actie bevatten; ze moeten gaan over dingen die gebeuren en – om het een menselijk belang te geven – dingen die we doen om dat te laten gebeuren of in reactie tot wat er gebeurd is. Vanuit een verhalend perspectief zijn we veel meer levende doeners dan levende wezens. We zijn meer proces dan voorwerp. Onze aard wordt gedefinieerd door beweging, transformatie en progressie: van geboorte tot dood, van voedsel naar weefsels en energie, van verlangen naar actie, van angst naar vluchten of vechten, het zijn veel meer de processen dan de voorwerpen die de essentie uitmaken van ons leven.

Al dit levende doen is zowel circulair als voortschrijdend: circulair omdat leven komt en gaat in vele met elkaar verbonden cycli; voortschrijdend omdat – tenminste in onze beleving – het leven een richting, doelen en bedoeling lijkt te hebben dat het vooruit en omhoog drijft in plaats van uitsluitend in de rondte. De cycli herhalen zich, maar zijn nooit precies hetzelfde. Het leven evolueert, soorten komen en gaan, het leven wordt complexer, ingewikkelder als eenvoudige vormen zich combineren tot samengestelde…. Het is zozeer dat we richting en vooruitgang waarnemen in de wereld om ons heen. We leggen richting en vooruitgang op aan die wereld om het structuur en betekenis te geven. Het leven zou ondraaglijk zijn voor ons als het geen richting had. Wij hebben dat gevoel van betekenis en zingeving nodig – iets dat ons in beweging houdt en iets geeft om voor te gaan – en een gevoel dat we de juiste kant op gaan. We kunnen bijna alles verdragen op onze reis als die reis maar ergens toe leidt. Een reis die geen doel heeft of bestemming is amper een reis te noemen: het is een doelloos rondzwerven in een eindeloze leegte zonder een gevoel van vooruitgang om onze bewegingen aan af te meten.

Dat is waarom verhalen zo belangrijk voor ons zijn. Ze brengen orde, intentionaliteit, doelgerichtheid en daadkracht. Onze verhalen helpen ons de wereld te begrijpen, zelfs als dat begrip niet meer is dan een figment van onze eigen verbeelding. We “geven” zin aan de wereld in plaats van het te “vinden”: het is een constructie van de menselijke geest, niet iets dat vooraf al klaar lag om ontdekt te worden. En terwijl we zin geven door verhalen te vertellen, geven onze verhalen ons energie, motivatie en de wil om door te gaan op onze reis, en te blijven streven naar vooruitgang.

Verhalen helpen ons navigeren in een complexe wereld - (c)Bard 2015
Verhalen helpen ons navigeren in een complexe wereld – (c)Bard 2015

Om ons te kunnen verbeteren hebben we een gevoel van richting nodig: we hebben iets nodig om naar toe te bewegen, iets dat ons voortdrijft en het mogelijk maakt onze drukke te bestaan te veranderen in een avontuur, met een begin, mijlpalen, vooruitgang en een eindbestemming. Omdat we allemaal (grotendeels) de auteurs van ons eigen levensverhaal zijn zou je kunnen zeggen dat de feitelijke richting er niet toe doet – het is toch allemaal fictief. Als middel tot zelfverbetering echter, en om een doelgericht en vervullend leven te leiden, doet die richting er wel degelijk toe, en vereist van ons reflectie en overdenking. De macht om onze eigen richting te kiezen, ons eigen pad te lopen en ons eigen verhaal te schrijven vormt deel van de menselijke staat: we hebben niet altijd de macht om de omstandigheden waarin we leven te veranderen maar we hebben altijd de macht om de manier waarop we die omstandigheden beleven zelf te bepalen. Het bewust toepassen van die macht maakt ons tot actieve deelnemers in plaats van passieve voorwerpen in de stromingen in de rivier van het leven.

Ik wil niet beweren dat we simpelweg door het maken van ons eigen verhaal en het kiezen van een eigen richting gegarandeerd onze zelf-gekozen doelen zullen bereiken, of onze missie daadwerkelijk zullen vervullen. Maar als we niet ons eigen verhaal creëren hebben we helemaal niets om ons op te richten, en vinden we nooit dat gevoel van vervulling dat we krijgen middels een reis die we zelf kiezen en vrijwillig afleggen, gesteund door onze eigen volharding en ons eigen doorzettingsvermogen.

Dat is de macht van verhalen: ons het gevoel te geven dat we op reis zijn ergens heen, in plaats van heen en weer gegooid te worden door de willekeur van de krachten om ons heen, zonder richting of vooruitgang. Verhalen vangen de menselijke macht van zingeving en intentionaliteit. De wereld mag chaotisch zijn, verwarrend en uiteindelijk onverschillig ten opzichte van ons lijden, maar onze persoonlijke en collectieve verhalen veranderen de chaos in ordelijke structuren, de verwarring in betekenis en begrip, en weerstaan de onverschilligheid van het Universum door nadrukkelijk te stellen dat onze levens er toe doen, omdat wij daarvoor kiezen.

De Macht van Verwachtingen

Wij zijn een diep sociale soort. Vanaf het moment dat we geboren worden tot aan ons overlijden steunen we op andere mensen voor ons overleven en welzijn. Onze overlevings-instincten zijn nauw verbonden met onze sociale behoeftes en gedrag en een van onze diepste behoeftes is om erbij te horen: bij iemand, bij een familie, een groep, een gemeenschap, een land, … Ons gevoel van veiligheid en welzijn is zo sterk verbonden met de groepen waar we ons mee identificeren dat buitengesloten worden door een van die groepen traumatisch en pijnlijk is, mentaal vergelijkbaar met de amputatie van een arm of been, of een diepe interne verwonding. Onze harten breken als een geliefde overlijdt of ons verlaat; we worden ziek van eenzaamheid en heimwee als we te lang gescheiden zijn van onze families en huizen; ons immuunsysteem laat ons in de steek als we ons geïsoleerd, vervreemd en ongewenst voelen. Wij moeten ergens bij horen om te overleven.

De mensheid, zowel slim als flexibel, heeft veel verschillende manieren ontwikkeld om sociale structuren te bouwen en te onderhouden. We hebben verhalen, regels en rituelen; fysieke markeringen zoals tatoeages, littekens, verf en klederdracht; fysieke barrières zoals muren, grachten en grenzen; allemaal manieren om de banden binnen de groep te versterken en te onderscheiden van en te beschermen tegen alle anderen.

Sociale verbanden – zelfs als ze worden versterkt en ondersteund door culturele mechanismes – zijn weliswaar sterk maar ze zijn niet onbreekbaar. In werkelijkheid, door de complexiteit van menselijke interacties, met onze vele lagen van gevoelens, emoties, drijfveren en overtuigingen, gekoppeld met een fundamenteel spanningsveld tussen the behoeftes van het individu en de behoeftes van het collectief, zijn de verbanden die wij aangaan nooit compleet stabiel, worden regelmatig op de proef gesteld, en kunnen op dramatische wijze en abrupt breken. Die breekbaarheid van onze sociale verbanden zet ons voortdurend onder druk. We kunnen het ons niet veroorloven dat te negeren, want een moment van onoplettendheid kan ons een subtiele verandering in de houding van de mensen om ons heen over het hoofd doen zien en ertoe leiden dat we ineens aan de verkeerde kant staan van een sociale verschuiving. Dus zijn we voortdurend op onze hoede, sociaal gezien, en verzamelen onophoudelijk informatie via onze eigen sociale interacties en de interacties die we waarnemen om ons heen om te meten hoe veilig en zeker we zijn binnen de groepen waar we ons mee identificeren.

Dit is waarom we roddelen en zo graag over andere mensen praten als ze er niet bij zijn; dit is waarom we zo graag met onze vrienden afstemmen over wie ‘in’ is en wie ‘uit’. Dit ligt ten grondslag aan de verslavende werking van het krijgen van ‘likes’ op Facebook en het plaatsen van selfies en plaatjes van ons ontbijt op Instagram of Snapchat. We testen voortdurend of we nog wel horen bij de ‘in’ groep, of we ons nog wel veilig binnen de grenzen bevinden van wat onze groep interessant, aantrekkelijk of op z’n minst aanvaardbaar vindt.

Maar het is niet voldoende om te weten of we nog acceptabel en geaccepteerd zijn, we moeten ook voortdurend de verschuivende stemmingen en voorkeuren van de groepen waar we mee omgaan en de mensen waar we van afhankelijk zijn kunnen zien aankomen en anticiperen. Om er zeker van te zijn dat we deel blijven uitmaken van ons sociale vangnet moeten we van moment tot moment weten wat er van ons verwacht wordt. We moeten weten hoe andere mensen ons zien en hoe ze verwachten dat wij ons zullen gedragen. We moeten de subtiele signalen begrijpen die onze mede-groepsleden uitzenden om aan te geven dat ze deel zijn van dezelfde groep. En dat moeten we in genoeg detail en diepgang opvangen en begrijpen om ons in staat te stellen te voldoen aan het beeld dat andere mensen van ons hebben, zodat we ze niet verrassen of teleurstellen, omdat ze ons dan wellicht zouden verstoten en ons geïsoleerd en alleen achterlaten.

Deze behoefte om te voldoen aan hoe andere mensen ons zien is de basis van de mach van de verwachting.

Omdat door anderen geaccepteerd worden zo nauw verweven is met onze diepste overlevingsinstincten bestuderen we allemaal voortdurend de mensen om ons heen – vooral de mensen die belangrijk voor ons zijn – om uit te vinden hoe zij verwachten dat wij ons zullen gedragen, om ons vervolgens te modelleren naar die verwachtingen om ze niet teleur te stellen. En zo dragen wij allen de maskers die anderen ons graag zien dragen zodat we geen kanten van onszelf hoeven te laten zien die hen van ons af zou kunnen doen keren.

Wederzijdse verwachtingen: als ik aardig ben tegen jou, ben jij aardig tegen mij (c) Bard Papegaaij
Wederzijdse verwachtingen: als ik aardig ben tegen jou, ben jij aardig tegen mij (c) Bard Papegaaij

Dit is meestal geen bewust proces, tenminste voor de meesten van ons. Wij passen bijna allemaal constant en naadloos onze publieke personas aan aan de verwachtingen van de mensen waar we mee omgaan, zonder daar bij na te denken, zonder er zelfs maar bewust van te zijn. Het is een bijna volledig automatisch proces dat altijd aanstaat en op subtiele (of minder subtiele) wijze ons gedrag bijstelt zodat het precies past bij het mentale model dat andere mensen hebben van wie wij zijn.

We moeten dit niet zien als bedrog. De personas die we in onze sociale interacties aannemen zijn niet bedoeld om andere mensen te misleiden of te bespelen. Het is eigenlijk precies andersom: die personas – de versies van ons die andere mensen verwachten te zien wanneer ze met ons omgaan bespelen ons op een vrij fundamentele wijze. Ze bepalen niet alleen ons gedrag, ze beïnvloeden ook onze waarnemingen en gedachten. Onze sociale maskers beïnvloeden onze emotionele reacties en mentale modellen. Ze laten ons denken en voelen zoals het personage voelt dat we hebben aangenomen, zodat we waarnemen wat dat personage zou waarnemen en negeren wat dat personage liever niet zou zien. Experimenten hebben aangetoond dat onder druk van de groep individuen onbewust hun eigen opvattingen over de waarheid veranderen om niet uit de toon te vallen met de mensen om hen heen. In andere woorden: we neigen te worden wat andere mensen ons verwachten te zijn.

Betekent dit dat we machteloos zijn in de aanwezigheid van anderen? Zijn we eenvoudigweg gedoemd om variaties van onszelf te spelen bepaald door de hoe andere mensen ons zien? Zijn we in werkelijkheid dan slechts toneelspelers op het toneel van onze medemensen, gedwongen om de rollen te spelen die zij aan ons toewijzen, hulpeloos de teksten herhalend die zij van ons willen horen?

Niet persé! Er is een manier om de macht van de verwachtingen in ons eigen voordeel te gebruiken en de macht over onze eigen missie in dit leven terug te nemen. Die manier begint met de realisatie dat wat andere mensen van ons verwachten niet een vaststaand gegeven is, maar groeit en evolueert gedurende de tijd dat we met ze omgaan. Verwachtingen zijn niet statisch maar vloeibaar, onderhevig aan verandering en beïnvloed door vele factoren, soms direct door ons te bepalen of tenminste sterk te sturen in de richting van onze eigen doelen en intenties. Beginnend met de eerste indruk die mensen van ons hebben – die zich doorgaans al begint te vormen voor ze ons ontmoeten, gebaseerd op geruchten, roddels, en andere informatie die publiekelijk over ons beschikbaar is – tot de veel meer gedetailleerde en dieper ingebedde mentale modellen die ze opbouwen als ze ons vaker zien en ons in meer detail kunnen observeren: wat andere mensen van ons verwachten wordt gedeeltelijk door henzelf bepaald, maar tevens gedeeltelijk gevormd door hoe wij ons naar hen toe presenteren.

Als we ons niet bewust zijn van dit verwachtingsmechanisme kan het makkelijk een zelf-bevestigende vicieuze cirkel worden: wat mensen van ons verwachten zorgt dat wij ons gedragen in overeenstemming met die verwachtingen, wat bevestigd wat zij al verwachtten en hun mentale model van ons versterkt, waardoor het nog moeilijker wordt voor ons om daar niet aan te voldoen. Als we niet opletten kunnen we terechtkomen in een voortdurende dans van verwachtingen en voorspelbare reacties en steeds meer een fictieve versie van onszelf spelen, in plaats van onze ware aard te tonen en ons authentiek te gedragen. Hoe langer we dit doen, hoe meer ‘gedomesticeerd’ we raken: we vergeten zelfs dat we een authentieke zelf hebben, en zouden ons verloren en hulpeloos voelen als de verwachtingen waar we ons door laten sturen ineens zouden verdwijnen.

Als we ons wel bewust zijn, en de druk begrijpen die verwachtingen op ons uitoefenen, kunnen we die macht inzetten in ons eigen voordeel.

Om dit te kunnen doen moeten we allereerst onze eigen verwachtingen ten opzichte van onszelf duidelijk definiëren en helder voor ogen hebben, iedere keer dat we met andere mensen omgaan. In plaats van de versie te accepteren die andere mensen van ons willen zien moeten we werken aan een authentieke versie: de fictie die het dichtste ligt bij wie wij zelf willen zijn, en hoe we gezien willen worden. We moeten iedere ontmoeting met andere mensen zien als een kans om ze die authentieke versie te tonen, en ons voorbereiden om die versie van ons zo consistent en overtuigend uit te beelden in onze woorden en daden dat de mensen waar we mee omgaan niet anders kunnen dan hun verwachtingen en mentale modellen van ons aanpassen aan wat wij ze laten zien. Het klinkt misschien paradoxaal, maar om de krachten die ons wegduwen van onze authentieke zelf moeten we ons bewust oefenen in het authentiek zijn en dat net zolang repeteren tot we het spontaan kunnen doen. Dit is de ultieme vorm van ‘method acting’: de rol spelen van wie je wilt zijn tot je het niet langer meer speelt, maar bent.

De rol van wie je werkelijk bent of wilt zijn goed spelen is vooral belangrijk in de eerste directe ontmoeting met iemand. Zoals gezegd, de meeste mensen hebben al verwachtingen over ons gedrag voor ze ons ontmoeten, gebaseerd op publiekelijk beschikbare informatie, maar in de meeste gevallen is dat mentale model vrij oppervlakkig en onder voorbehoud. Door ze in die eerste cruciale momenten van die eerste ontmoeting duidelijk, consistent en overtuigend gedrag te laten zien hebben we een redelijke kans hun verdere verwachtingen van ons dicht aan te laten sluiten bij hoe wij willen dat ze ons zien. En als die verwachtingen eenmaal verankerd zijn kunnen we onszelf zijn zonder verder te hoeven vechten tegen ongewenste verwachtingen, simpelweg door datgene te doen wat toch al van ons verwacht wordt. Dit werkt in ieders voordeel: wij hoeven ons niet te verzetten tegen onwelkome verwachtingen, en zij voelen zich veel meer op hun gemak in ons gezelschap omdat we ons steeds gedragen zoals zij van ons verwachten.

Dat is, in een notendop, de macht van verwachtingen: ze direct aan het begin van onze interacties met mensen op de juiste manier verankeren en vervolgens zorgvuldig onderhouden zorgt ervoor dat wat mensen van ons verwachten en wat wij willen dat ze van ons verwachten op een lijn liggen, waarmee die verwachtingen een krachtige ondersteuning worden om ons verder te helpen op onze weg en om ons het leven te laten leven waar wij zelf voor kiezen. Laten we echter die verwachtingen over aan het toeval en de omstandigheden en negeren we ze in hoe we ons gedragen in het gezelschap van mensen die belangrijk voor ons zijn, dan kan diezelfde macht ons tegenwerken en proberen ons terug te duwen in het verhaal dat andere mensen voor ons bedenken, in plaats van ons eigen verhaal te kunnen volgen en beleven.

Mag Ik een Beetje Cultuur van Je Lenen?

Ik heb de laatste tijd nogal veel boze debatten online gezien over het idee van ‘culturele toe-eigening’. Blijkbaar worden mensen die opgroeiden in een bepaalde cultuur boos als mensen van buiten die cultuur hun symbolen, voorwerpen, kleding en rituelen in het openbaar gebruiken – ze hebben daar als buitenstaanders het recht niet toe; ze zijn tenslotte geen deel van de cultuur waar ze mee te koop lopen. Maar kunnen mensen werkelijk het eigenaarschap opeisen van een cultuur?

We zijn allemaal in een bepaalde cultuur opgegroeid. Als mens is onze ‘natuurlijke’ omgeving – de omgeving waar onze evolutie ons aan heeft aangepast – de cultuur van de mensen waar we door grootgebracht en opgevoed worden. Hoewel het misschien voelt alsof we voor onze eigen cultuur geboren zijn is er nooit een genetische aanleg gevonden voor één bepaalde cultuur. Elke pasgeborene, van waar ook ter wereld, kan – als het direct geplaatst wordt in andere cultuur dan die van zijn of haar biologische ouders – opgroeien en net zo volledig integreren in die andere cultuur als de rest van de kinderen in zijn of haar gemeenschap. In andere woorden: cultuur is verkregen: aangeleerd en geabsorbeerd door de voortdurende blootstelling aan de opvattingen, aannames en gewoontes van de mensen om ons heen.

Dit betekent ook dat cultuur gedeeld is: zonder andere mensen zou er geen cultuur bestaan waar we deel van kunnen uitmaken. En cultuur is ook diffuus: hoewel er wellicht heel vroeger culturen hebben bestaan in perfecte isolatie, staat tegenwoordig zo goed als de hele mensheid met andere culturen in verbinding en worden elementen van die andere culturen doorlopend geabsorbeerd; door verhalen, regelmatig contact, onder druk van het moeten kunnen samenwerken, of meer direct door migraties en huwelijken en andere manieren waarop mensen min of meer permanent deel gaan uitmaken van een andere cultuur dan die waarin ze opgroeiden.

Mensen hebben waarschijnlijk ook altijd gereisd, en in die reizen hebben we ons moeten leren aanpassen aan zeer uiteenlopende omstandigheden. Ons vermogen om cultuur te creëren was cruciaal in dit proces: cultuur stelt ons in staat om van elkaars ervaringen te leren en versneld vaardigheden te delen, te verfijnen en te verspreiden over groepen en gemeenschappen. Met dat voortdurende reizen en handel drijven leidde het culturele leerproces ook onvermijdelijk tot een voortdurende uitwisseling van ideeën, ‘memes’, overtuigingen, gewoontes en gedragingen.

Kan je dus eigenlijk wel zeggen dat één bepaalde cultuur het eigendom is van één bepaalde groep? Of is cultuur van nature een bron van menselijk aanpassingsvermogen en gedeelde kennis, bedoeld voor en van potentiële waarde voor iedereen die oprecht geïnteresseerd is in de wijsheid die iedere cultuur te bieden heeft?

Ik zou dat graag zo zien. Maar ik begrijp ook dat de manier waarop cultuur en identiteit met elkaar verweven zijn een emotionele reactie kan oproepen in mensen.

De geschiedenis kent zat voorbeelden van volkeren die werden overwonnen en verpletterd door andere culturen. Vaak hadden de overwonnenen weinig keus: ofwel zich aanpassen aan de nieuwe overheersers en opgaan in de nieuwe cultuur, of met geweld worden uitgeroeid. Cultureel gezien is het effect vrijwel hetzelfde: pas je lang genoeg aan en er blijft op den duur niet genoeg eigen cultuur over om de overwonnenen te onderscheiden van de overwinnaars. De mensen leven voort, maar hun cultuur is overleden.

Ik denk dat de pijn en boosheid over de toe-eigening van culturele elementen door anderen in feite de pijn en boosheid is van mensen die bang zijn – terecht of niet – dat ze aan de verliezende kant staan van een cultureel assimilatieproces. We kunnen moeilijk ontkennen dat de globalisatie die West Europa in de afgelopen 600 jaar op de wereld heeft losgelaten niet bepaald in het voordeel heeft gewerkt van de meeste (zo niet alle) niet-Europese culturen die onder het juk kwamen van de koloniserende machten. Lokale culturen werden als primitief gezien en minderwaardig, en ofwel met geweld onderdrukt ofwel systematisch belachelijk gemaakt, gemarginaliseerd en ontmoedigd. Tegelijkertijd werden kunstvoorwerpen, symbolen, ideeën, mode, en zelfs gewoontes en gedragingen schaamteloos overgenomen, verdraaid en geparodieerd en vervolgens opgenomen in de overheersende cultuur alsof die het allemaal zelf had uitgevonden en geschapen. Ik kan de woede en frustratie van die onderdrukte en vertrapte volkeren volledig begrijpen: het moet zeer moeilijk zijn om niet alleen je autonomie, waardigheid en levensstandaard afgenomen te zien worden, maar dan ook nog eens te moeten toezien hoe de essentie van je culturele identiteit, je levensdoelen en diepere zingeving publiekelijk tentoongesteld worden, gekopieerd en overgenomen door mensen die niet eens proberen de diepere betekenis te begrijpen van wat ze zich zo achteloos toe-eigenen.

I begrijp dat volkomen. En ik zal de laatste zijn die mensen zulke boosheid en frustratie wil aandoen. Ik heb het grote geluk om geboren te zijn aan de bevoorrechte kant van de menselijke scheidslijnen – als Europeaan, blank, opgeleid en (relatief) rijk. En ik erken dat veel van mijn privileges geschapen zijn door middel van de moedwillige en systematische vernietiging en diefstal van de welvaart van andere volkeren door de voorgaande generaties van de samenleving waar ik, van geboorte, deel van ben. Dus wil ik daar niet nog een schep bovenop gooien door te gaan graven in het culturele erfgoed van andere volkeren alleen om schaamteloos te nemen wat ik zelf interessant of nutting vind. Dat lijkt me tamelijk respectloos en dus verkeerd.

Maar ik ben tevens al een leven lang op zoek naar wijsheid en verlichting. Ik weet dat er fundamentele wijsheid gevonden kan worden in de vele culturen van deze wereld: diepe, levens-veranderende, door de eeuwen heen bewezen wijsheid in vele verschijningen. En ik wil zo graag over deze wijsheid leren, het proberen te begrijpen en haar diepgang doorvorsen, en van deze wijsheid leren hoe ik een beter mens kan worden. Dat is alles waar ik om vraag. Of is dat ook ongepast?

Ik heb een suggestie die misschien kan helpen het perspectief te veranderen van mensen die geneigd zijn de essentie van hun culturele erfgoed te beschermen tegen buitenstaanders. Misschien is het mogelijk om de eigen innerlijke beleving van een cultuur – hoe het voelt om het te leven, te gebruiken, de regels te volgen en bij te dragen aan het voortbestaan ervan – te scheiden van hoe buitenstaanders het zien en beleven. Misschien is het mogelijk om te zien dat het delen van een cultuur met anderen niet betekent dat je die cultuur zelf kwijtraakt of van waarde ontdoet. Zelfs als die anderen jouw cultuur volledig verkeerd begrijpen en op onbedoelde wijze toepassen vermindert dat niet de wijsheid van jouw cultuur en haar waarde voor jou en jouw gemeenschap. Dat kan nooit worden weggenomen. Die innerlijke beleving is onlosmakelijk verbonden met wie je bent. Dat is jouw geboorterecht.

En is nog een groter en meer hoopgevend perspectief. Er zijn ook voorbeelden in de geschiedenis van veroverende culturen die zoveel absorbeerden van de culturen die ze veroverden dat ze nauwelijks nog dezelfde cultuur leken te zijn als voor hun overwinningen. De Mongolen werden Chinees in China, Muslim in Persie en ontegenzeggelijk Indisch in India. Zolang er genoeg mensen zijn die hun culturele tradities voortzetten en hun culture wijsheid doorgeven kan het culture assimilatieproces beide kanten opgaan en resulteren in een geheel nieuwe cultuur die door de oorspronkelijke veroveraars amper zou worden herkend.

We zijn net terug van een studiereis door Egypte om de millennia oude ruïnes te bekijken die daar overal te vinden zijn. Daar vond ik twee mooie voorbeelden van veroveraars die bijna volledig opgingen in de cultuur die ze veroverden. De Nubiërs ten Zuiden van Egypte namen de macht over maar ook zoveel van de Egyptische gewoontes, religie en tradities dat ze bijna nog Egyptischer werden dan de Egyptenaren die ze veroverden. En de Ptolemy dynastie, de afstammelingen van een van de generaals van Alexander de grote, met als laatste Farao de nog steeds wereldberoemde Cleopatra, zagen zichzelf dan wel als Grieks maar ook zij namen zoveel antiek-Egyptische overtuigingen, geloofssystemen en tradities over dat voor ons moderne bezoekers het vrijwel onmogelijk is om hun Griekse identiteit waar te nemen; voor ons zien ze er veel meer uit als Egyptenaren dan als Grieken.

Hoe Grieks is deze Egyptische tempel?
Hoe Grieks is deze Egyptische tempel?

Dus voor je je vastbijt in het idee dat jouw culturele erfgoed van jou is, en alleen van jou, en uit de handen gehouden moeten worden van diegenen die het zich willen toe-eigenen zonder daar recht toe te hebben, denk eerst hieraan: misschien verminder je de waarde van jezelf en je eigen cultuur niet door haar wijsheid te delen met buitenstaanders, maar vermeerder je haar juist door haar te verspreiden en haar invloed te vergroten. Misschien, door elementen van wat jouw voorouders door de eeuwen heen geleerd hebben het vaak oppervlakkige en kortzichtige gedachtengoed van je onderdrukkers te laten infiltreren, verander je daarmee die onderdrukkers, langzaam, onmerkbaar maar onstuitbaar, tot ze een geheel ander volk geworden zijn. Misschien kan dit je wraak zijn jegens diegenen die jouw volk zo meedogenloos veroverden en zo wreed onderdrukten: dat hun eigen nakomelingen, hun achter-achterkleinkinderen, totaal anders worden dan hun voorouders, tot ze niet eens meer met hen vergeleken willen worden. Zou dat niet de ultieme overwinning zijn? Zij die dachten jouw cultuur met bruut geweld te kunnen overwinnen en vernietigen worden in plaats daarvan overwonnen en uitgewist door jouw geduldige en voortdurende verrijking van hun cultuur met de wijsheid die zij zo schromelijk tekort kwamen, totdat zij – en niet jij – niet veel meer zijn dan een kleine en betreurenswaardige voetnoot in de toekomstige wereldgeschiedenis.