De Vonk

“Energie is het meetbare resultaat van de opstand van de geest tegen haar gevangenschap in de materie.”
John Anthony West, Serpent in the Sky

De Vonk - @Bard 2019
De Vonk – ©Bard 2019

Het donker maakte haar bewust van haar bestaan als een vonk van licht. Zij definieerde zich door middel van wat ze niet was. Zij was licht; alles om haar was dat niet. Voor lange tijd was dat alles dat ze wist en alles dat er toe deed. Een licht in het duister. Alleen.

———

Maar op den duur werd ze rusteloos. Ze voelde een drang opbouwen vanbinnen. Een drang om iets te doen, iets te veranderen. Maar toen de vonk probeerde gehoor te geven aan deze drang ontdekte ze dat ze vastzat in een minuscuul, hard zaadje, omringd door donkere, zachte aarde. Ze zat gevangen, hoewel ze wist dat ze ooit vrij was geweest en zonder grenzen. Zo ontdekte de vonk verlangen; het verlangen uit deze opgeslotenheid te breken en haar vrijheid te herwinnen.

Haar gevoel van wat ze was – licht, geen duister – en wat ze verlangde – vrijheid, geen gevangenschap – gaven haar de impuls om te bewegen. Ze brak uit haar schil met de pure kracht van haar vastberadenheid. Ze had verwacht nu vrij te zijn maar vond zichzelf nu in een groter, zachter omhulsel. Het zaadje was een zaailing geworden. Nog steeds gevangen in de diepe, donkere aarde, maar met de mogelijkheid te bewegen en te groeien.

Met haar gevangenis getransformeerd tot een levend lichaam voelde de vonk hoe een kracht probeerde haar naar beneden te trekken, waar het nog donkerder was. Instinctief bood ze weerstand aan deze kracht. Deze weerstand gaf de zaailing de energie die het nodig had om te gaan groeien tegen deze neerwaartse kracht in. Het verlangen van de vonk had nu ook een richting. Weg van de neerwaartse kracht zocht ze haar vrijheid door al haar energie te richten op omhoog gaan.

Spoedig brak de zaailing door het oppervlak het licht tegemoet. Terwijl het eerste tere blad zich ontvouwde ervoer de vonk een geheel nieuw gevoel. Ze verlangde ernaar zich bij dat licht in de hemel te voegen. Ze voelde dat ze daar ooit deel van was geweest en op de een of andere manier ervan afgescheiden was geraakt. Alles wat ze nu verlangde was terug te keren naar die bron en weer heel te zijn.

Dus de vonk bleef duwen, harder en harder. Door dit duwen schoot de zaailing de hoogte in. Door moleculen uit de lucht te verzamelen en om te zetten in bouwmaterialen met hulp van de energie van de zon, werd de zaailing al snel een jonge boom. Er groeiden takken. Die takken kregen bladeren. En steeds maar bleef er die druk om hoger en hoger te gaan, op weg naar dat licht aan de hemel.

———

Het verlangen van de vonk naar dat licht was sterk en bestendig. Het maakte dat de boom een rijke bladerkroon liet groeien om zoveel licht als maar mogelijk op te vangen. De booms takken werden breder en hoger om hun bereik te vergroten. Binnen jaren die als momenten voelden was de boom boven alles om zich heen uitgegroeid. Maar de vonk bleef duwen omdat – hoe hard ze ook groeide – het licht steeds net buiten bereik leek te blijven. Soms dacht de vonk dat ze het licht bijna kon aanraken maar om de een of andere reden kwam ze nooit dicht genoeg bij om dat ook echt te doen.

Soms verzwakte het licht aan de hemel en verdween zelfs voor langere tijd. Op die momenten had de boom moeite om omhoog te blijven gaan. Dit deed de vonk vrezen dat ze haar doel niet zou gaan halen. Ze realiseerde zich dat ze vastzat in een enkel lichaam. Een lichaam dat kon falen. Het kon breken in een storm of verbranden in een bosbrand. Of het kon gewoon zijn fysieke grenzen bereiken en stoppen met groeien om uiteindelijk te verdorren en te sterven.

De gedachte te falen joeg de vonk grote angst aan. Om haar kansen te verbeteren begon ze licht om zich heen te verzamelen tot ze genoeg energie had om dat licht in kopieën van zichzelf te vormen. Ze liet de boom zaden groeien om die kopieën in te bewaren en die zaden te laten vallen in de grond waar ze veilig zouden zijn tot de omstandigheden juist waren om ze te ontwaken. Op die manier, redeneerde de vonk, zijn er altijd meer lichamen om te blijven streven, ook als dit lichaam het begeeft. Al zou slechts één van haar kopieën het doel bereiken, dat zou op zich voldoende zijn.

———

Seizoenen kwamen en gingen. Eeuwen vervlogen. The machtige boom was een uitgestrekt bos geworden, vol met leven. De vonk had nog niets van haar verlangen verloren maar voelde haar urgentie afnemen. Ze naderde het einde van wat ze kon bereiken met het fysieke lichaam waar ze in gevangen zat. Ze kon de boom niet hoger dwingen zonder hem te doden. Ze had meer kopieën van zichzelf uitgezaaid dan de grond om haar heen kon onderhouden.

Op een dag realiseerde de vonk zich dat ze zich had neergelegd bij de gedachte dat ze haar doel nooit zou halen. Ze had de grenzen bereikt van haar materiële bestaan. Haar verlangen naar het grote licht in de verte had ze behouden maar het geloof dat de kracht van haar verlangen groot genoeg was om de afstand te overbruggen was ze verloren.

Deze realisatie maakte de vonk zeer treurig. Haar diepste streven opgeven voelde als een verlies en een falen. Zonder haar streven stopte de boom met groeien. Er kwamen steeds minder bladeren. Het hout verdroogde en scheurde, zodat schimmels en insecten een kans kregen binnen te dringen om het leven van de boom van binnenuit te belagen. De vonk wist dat haar lichaam aan het sterven was en verzonk in wanhoop voor een moment dat jaren duurde.

———

Op een bijzondere heldere, zonnige dag ontwaakte de vonk uit haar zelfopgelegde duisternis. Ze observeerde de boom die ze had laten groeien van zaadje tot gigant. Ze zag het levende woud dat ze had doen ontstaan in de eeuwen van haar materiële bestaan. Ze wist dat elk levend wezen een vonk zoals zij was die ernaar verlangde zich te herenigen met het licht waar het aan ontsproten was.

Toen begon het haar te dagen: ze zag ineens wat ze al die tijd over het hoofd had gezien. Wanhoop veranderde in geluk. Met een laatste opleving van energie tooide de boom zijn kroon met bloemen om de wereld nog één keer zijn majestueuze schoonheid te tonen.

Op het hoogtepunt van deze schoonheid liet de vonk al haar verlangen varen; al haar gedrevenheid; al haar heimwee. Ze liet alles waar ze naar gestreefd had volledig los. Ze liet los, en daarmee ontglipte ze als vanzelf haar materiële gevangenis.

De vonk was vrij. Ze realiseerde zich dat ze nooit echt afgescheiden en alleen was geweest. Dat was slechts een illusie veroorzaakt door haar opsluiting in de materie. Door haar verlangen los te laten bereikte ze uiteindelijk haar ultieme doel.

Een kort moment, vlak voor ze oploste in de oneindige eenheid van haar oorsprong, keek ze met vreugde en dankbaarheid terug naar wat ze achterliet. De vonk verloor al haar bewustzijn van identiteit en gescheidenheid. Maar dat gevoel van pure vreugde en overweldigende dankbaarheid nam ze mee naar de bron en deed die nog een beetje helderder stralen; misschien niet heel veel, maar helderder niettemin.

©Bard 2021

Het Ongeschreven Verhaal

Het ongeschreven verhaal
Het Ongeschreven Verhaal – ©Bard 2020

Dit verhaal werd nooit geschreven. Het is nooit aan iemand verteld. Het is blijven steken in een duistere hoek van het onderbewuste van de schrijver. De schrijver was zich ooit vaag bewust van het bestaan van dit verhaal maar er waren zoveel andere dingen die om aandacht vroegen, zoveel andere verhalen die meer voor de hand lagen of makkelijker te schrijven waren, dat de schrijver aan dit verhaal nooit is toegekomen.

En dus wacht de wereld nog steeds op het verschijnen van dit verhaal. Het verhaal dat alles anders maakt. Het verhaal dat de sleutel bevat tot de transformatie waar iedereen diep van binnen naar verlangt. Het verlossende verhaal dat het gat zal sluiten tussen hoe de dingen zijn en hoe ze zouden kunnen wezen.

En het verhaal wacht op de schrijver.

©Bard 2020

Opgesloten

Opgesloten
Labyrinth
Labyrinth – ©Bard 2015

Steeds weer liep hij vast in het doolhof dat hij zelf gecreëerd had. Het was gemaakt van herinneringen, fragmenten van verhalen en verzonnen gebeurtenissen. In zijn hoofd hadden deze bouwblokken zich samengevoegd en aaneengesloten tot ze hem omringden zonder een uitweg te bieden.

———

Hij had vaak geprobeerd te ontsnappen. Hij had geprobeerd een lijn van blokken van het begin tot aan het einde te volgen, en van het einde tot aan een uitgang. Maar de blokken herschikten zichzelf terwijl hij ze volgde. Some verscheen hetzelfde blok opnieuw en opnieuw. Of er verschenen splitsingen waar veel mogelijke verhaallijnen opengingen om tussen te kiezen. Welke lijn hij ook volgde, steeds weer liep hij vast in het doolhof dat hij zelf gecreëerd had.

Hij had geprobeerd blindelings van blok naar blok te springen, van herinnering naar half-vergeten beeld, in de hoop dat zulke willekeurige bewegingen him via toeval of geluk zouden leiden naar een onbewaakte opening, een vergeten deur of raam naar de wereld daarbuiten. Maar iedere deur bleek een draaideur die hem terug naar binnen voerde. Ieder raam was slechts een spiegel die eindeloos de door elkaar gehusselde blokken van zijn gefragmenteerde verhaal reflecteerde. En steeds weer liep hij vast in het doolhof dat hij zelf gecreëerd had.

Hij had zelfs geprobeerd helemaal te stoppen. Hij stopte met het volgen van verhaallijnen. Hij duwde ieder beeld of herinnering uit zijn hoofd voor hij zich bewust kon worden van hun inhoud en betekenis. Hij dwong zichzelf af te dalen in het duister van niet denken, niet voelen, niet bewust zijn. Maar in het diepst van dat duister kon hij niet anders dan het bewegende licht zien. Een vonk verscheen, miniem maar helder. Als hij erin slaagde die vonk te negeren sprong er een volgende op, en een volgende. Ze vormden rijen, patronen en ritmes. Ze schiepen vormden uit synchrone beweging. Ze dansten tot hij niet anders kon dan er zijn aandacht op richten. En zijn aandacht was alles wat ze nodig hadden om hem uit de leegte terug te leiden naar de verwarring van zijn geest. En steeds weer liep hij vast in het doolhof dat hij zelf gecreëerd had.

———

Opgesloten.

Opgesloten.

Opgesloten.

———

En toen ineens zag hij het. Tussen de o en de e. Een koevoet-vorige t die hij kon loswringen uit zijn positie. Nu alleen nog een paar keer goed schudden tot de letters hem vertelden wat hij moest doen. Nog net opgesloten maar nu met behulp van

zijn nieuwe gereedschap sloeg hij
de woorden open die hem
vasthielden sloeg hij
ze open sloeg
hij.

En hij zag als hij sloeg dat
er een opening was naar
buiten het doolhof
dat hij zelf gecreëerd had.

Buiten was er licht en oneindig potentieel. Buiten was de vrijheid om alles voor het eerst te ervaren. Hier kon hij wezen zonder geweest te zijn.

Hier werd hij nu.

En hier.

©Bard 2020

Het Mysterie

Het Mysterie
Het mysterie, @Bard 2019
Het mysterie, @Bard 2019

Het dorpje klampte zich vast aan de steile bergwand als een overmoedige bergbeklimmer die ineens besefte hoe hoog hij geklommen was en overmand door hoogtevrees zich niet meer durfde te verroeren. De huizen waren oud, vervallen en duidelijk in geen jaren onderhouden. Uit een paar verbrokkelde schoorstenen kringelde rook maar de meeste huizen waren verlaten en boden slechts beschutting aan de weinige vogels en knaagdieren die op deze hoogten konden overleven.

Vermoeid door de lange klim vanuit het dal hoopte hij bij een van de bewoonde huizen onderdak voor de nacht te vinden. Misschien zat er zelfs een warme maaltijd in of zachte slaapplaats, maar alleen wat warmte en beschutting tegen de snijdende wind zou al heel wat waard zijn.

In de dorpskern aangekomen koos hij het eerste de beste huis waar er rook uit de schoorsteen kwam. Het was amper een huis te noemen: het was een houten bouwsel dat tegen de stenen muur van het huis daarachter leunde als een oude man die op adem probeert te komen na een korte wandeling door een steile straat. Het huisje zag eruit zoals hij zich voelde. Misschien zou de herkenning tussen lotgenoten het makkelijker maken hem gastvrij te ontvangen?

Hij klopte op de deur.

Het duurde even voor hij hoorde hoe er een grendel werd weggeschoven en iemand met enige moeite de zware, scheefgezakte houten deur op een kiertje opentrok. Het gezicht van een oude man werd zichtbaar in de deuropening en keek hem nieuwsgierig aan met ogen die verrassend helder en levendig waren in dat oude, gerimpelde gezicht.

“Daar ben je dan.” zei de oude man, “Daar heb je lang over gedaan”. “Hoe bedoelt u.” zei hij verbaasd, “Verwachtte u me dan? Of heeft u me soms aan zien komen vanuit het dal”? “Nee, dat niet” zei de man, “maar ik wist dat er uiteindelijk iemand zoals jij zou komen en op mijn deur zou kloppen. Het bestaan van deze deur in mijn woning maakte dat onvermijdelijk.” “Hoezo?” zei hij verward, “Het bestaan van deze deur houdt toch geen verband met of er iemand wel of niet op komt kloppen? Een deur is gewoon een manier om een huis in en uit te gaan. Wat heeft mijn kloppen daarmee te maken?” “Aha!” zei de oude man triomfantelijk, “Precies! Een normale deur laat mensen naar binnen en naar buiten en ontleent daaraan zijn bestaan. Maar ik zit hier al binnen sinds dit huisje om mij heen is opgebouwd. Ik ga nooit naar buiten en geen van de dorpsbewoners zou er ooit over denken hier naar binnen te gaan. En toch is er deze deur. Zodoende!” De oude man liet dat laatste woord klinken als de triomfantelijke afsluiting van een overtuigend gewonnen debat.

Toen hij niet meteen antwoord gaf begon de oude man te lachen. “Geeft niets, hoor. Geeft niets. Ik verwacht ook niet dat je dit meteen kan begrijpen. Tenslotte heb ik hier mijn hele leven over nagedacht. Terwijl jij, als ik je zo zie, nog maar amper met denken bent begonnen.” De oude man duwde de deur nu verder open en nodigde hem met een sierlijke zwaai van zijn arm uit om naar binnen te komen. “Wees welkom in mijn domein, langverwachte reiziger.”

De glimlach van de oude man was te vriendelijk en te gul om tegen in te gaan. Hij volgde de oude man naar binnen de donkere ruimte in. Daar zag hij een matras en deken tegen de stenen muur en een lage tafel met daarop een brandende kaars en twee tinnen borden. In een hoek stond een houten krat met een waterkan, een paar bekers en wat stukken brood. In een inham in de stenen muur brandde een houtvuur waarvan de rook verdween door een rookgat in het dak. Verder was het vertrek leeg en kaal. Een plek om te schuilen tegen de winterstormen, meer niet.

De oude man gebood hem bij de tafel te gaan zitten en bood hem een stuk droog brood en een beker lauw water aan. “Neem het er van,” zei de oude man, “mijn paleis is jouw paleis, mijn overdaad de jouwe.” Nog steeds te verbouwereerd om te reageren at en dronk hij wat de oude man hem voorzette.

Zo zaten ze een tijdje in stilte.

Ineens kwam de oude man overeind en liep naar de buitenmuur. Die bleek een schuifpaneel te bevatten dat op een kiertje open kon. Zo was er net een klein stukje van de straat te zien. “Kom” zei de oude man, “het gaat zo gebeuren. Dit mag je niet missen.” Hij ging naast de oude man staan en keek samen met hem door de nauwe kier naar buiten. “Wat gaat er gebeuren dan?” vroeg hij, maar de oude man gebaarde dat hij stil moest zijn en moest blijven kijken.

En toen gebeurde het. Langzaam schoof er een koe door het beeld. Eerst was er de roze neus, toen een groot donker oog, een nerveus bewegend oor, een stukje van een hoorn. Vervolgens kwam de rug als een golf voorbij gerold. Het vertoon eindigde met de staart, met als allerlaatste de pluim die zwaaiend uit beeld verdween. En toen was er niets meer.

De oude man keek hem triomfantelijk aan. “Nu heb jij gezien waar ik al die jaren over heb nagedacht en op gestudeerd heb. Dit is het mysterie dat mij gevraagd werd op te lossen: het mysterie van de oorzakelijkheid.” Hij keek de oude man niet-begrijpend aan. “Het mysterie van wat?” vroeg hij. “Van de oorzakelijkheid, domoor. Het ontstaan en verdwijnen der dingen.” “Ik heb alleen een koe voorbij zien komen.” zei hij, “Wat heeft dat met oorzakelijkheid te maken?”

De oude man keek hem breed grijnzend aan. “Hij heeft alleen een koe voorbij zien komen. Een koe! Dat is alles. Het Universum openbaarde zich aan ons, het begin en het einde van alles ontvouwde zich voor onze ogen. En hij zag alleen een koe.” De oude man keek hem aan alsof er nu voldoende uitleg was gegeven en er een teken van begrip van hem verwacht werd. Toen dat uitbleef schudde de oude man zijn hoofd. “BOE!” riep de oude man, zo hard dat hij van schrik achteruit stapte en zijn hoofd hard tegen een lage balk stootte. “Boe! Boe! Boe!”, de oude man genoot zichtbaar van zijn reactie. Toen hij met een pijnlijk gezicht aan zijn hoofd voelde om te controleren of hij niet bloedde hield de oude man het helemaal niet meer. “Hij moest zijn hoofd opensplijten om het inzicht binnen te laten.” lachte de oude man. “Zijn ogen zijn gesloten, zijn oren zitten dicht, misschien dat het gat in zijn schedel wat licht binnenlaat.”

Opeens bedaarde de oude man, gebaarde dat hij moest gaan zitten en ging tegenover hem op de grond zitten. “Genoeg gelachen,” zei de oude man, “dit zijn serieuze zaken. Vertel me precies wat je hebt gezien, dan zal ik het je verklaren.”

Hij dacht na. “Ik keek naar de straat. Die kier in de deur is erg smal, dus veel kon ik niet zien. Toen kwam er een koe voorbij. Daarna was er alleen maar weer die straat te zien. Dat is alles.”

“Dat is alles?” de oude man schudde zijn hoofd. “Hoe makkelijk bagatelliseert de onverlichte geest het mysterie van het bestaan.” De oude man pauzeerde even, in gedachten verzonken. Toen ging hij verder: “Eerst was er de straat. Toen was er de koe. Toen weer de straat. Uitstekend. Dat heb je goed gezien. Maar wat je niet gezien hebt is waar het werkelijk om gaat. Waar komt die koe vandaan?” De oude man keek hem indringend aan. “Waar is die koe gebleven? Wat doet die koe verschijnen en verdwijnen?”

De oude man strekte zich nu in zijn volle lengte uit. “Ik heb hier mijn hele leven over nagedacht. Ik heb dit huis om me heen laten bouwen zodat ik me volledig op deze taak kon toeleggen en me nergens door zou laten afleiden. En uiteindelijk, na langdurige observatie en diepe reflectie presenteer ik je vandaag mijn antwoord. Omdat jij mijn deur gevonden hebt zal jij de eerste zijn die dit van mij verneemt. Luister …” opnieuw pauzeerde de oude man, om de spanning op te voeren.

“… het antwoord op het mysterie van het bestaan is dit: …” opnieuw een pauze … “de neus veroorzaakt de staart!”. Triomfantelijk keek de oude man hem aan. “De neus veroorzaakt de staart. Dat is het geheim.”

Hij keek de oude man met open mond aan. Dit kon niet waar zijn. Dit moest een grap zijn. Hij begon nerveus te lachen. “De neus veroorzaakt de staart? Is dat het? Is dat het antwoord op alles? Heb ik daarvoor mijn hoofd gestoten?” Zijn lachen was overgegaan in boosheid. “Oude man, je bent niet goed wijs. ‘De neus veroorzaak de staart’ is een oude koan, een Zen-boeddhistisch raadseltje. Het gaat over onze neiging om de dingen te verklaren op grond van onze beperkte waarneming. Als we vergeten dat we maar een klein stukje van de werkelijkheid zien, zijn we geneigd dat kleine stukje te generaliseren en er veel meer in te lezen dan we zouden moeten. We zien een zandkorrel en denken er de wetten van het heelal in te kunnen lezen. We zien een koe en denken er de schepping mee te kunnen verklaren. De neus veroorzaakt de staart niet. Dat is onzin. Die neus komt gewoon eerst omdat zo’n koe nou eenmaal vooruit loopt, en niet achterstevoren. Je haalt gewoon volgorde en oorzakelijkheid door elkaar.”

Hij stopte, om op adem te komen, maar ook om te zien hoe de oude man zou reageren. Zou hij boos worden op zijn kleine tirade? Had hij de oude man niet te hard aangepakt? Als hij de oude man moest geloven had deze zijn hele leven op dit antwoord zitten broeden. Had hij de oude man in de waan moeten laten en niet moeten tegenspreken?

Tot zijn verbazing bleef de oude man hem grijnzend aankijken. “Ben je klaar met je verhaal?” vroeg de oude man hem. “Een koan, zeg je? Een raadseltje over de beperktheid van onze waarneming? Als dat zo is, o zo wijze heer, leg me dit dan eens uit. Je hebt die koe voorbij zien komen; eerst de neus, daarna de staart, en toen niets meer. Waar is die koe dan gebleven? Kijk maar naar buiten. Helemaal niets. Alleen een lege straat. Kan jij me dat verklaren?” De oude man keek hem aan. “Ik dacht het niet.”

“Natuurlijk kan ik dat verklaren.” zei hij. “Die koe is gewoon de straat uitgelopen, op weg naar een weilandje ergens buiten het dorp. En daar staat ze nu tevreden te grazen. Of ze was op weg naar een stal hier ergens in de buurt. Simpel. Geen mysterie, geen openbaring, gewoon een koe op weg van A naar B.”

“Oh” zei de oude man, “simpel dus. Die koe staat gewoon ergens in een stal of in een weiland te grazen. Dat weet jij dus zeker?”

Hij knikte.

De oude man trok nu de deur voor hem open en zei: “Ik ga mijn huis niet uit en heb toch het Universum kunnen doorvorsen. Jij bent overal geweest maar hebt blijkbaar niets gezien. Ga jij maar eens kijken of je die koe kan vinden. En kom dan hier terug. Dan praten we verder.” De oude man wachtte tot hij naar buiten was gelopen en duwde de deur achter hem dicht.

Nu hij weer buiten stond keek hij eens goed om zich heen. Waar zou die koe naartoe gegaan zijn? De richting waar ze vandaan gekomen was was hoe hij bij het huis van de oude man was aanbeland. De koe was vervolgens langs de deur gelopen, dat nauwe, donkere steegje in. Hij deed een paar stappen in dezelfde richting. Tot zijn verbazing liep hij vrijwel direct tegen dezelfde stenen muur aan waar het huis van de oude man tegenaan leunde. Het steegje liep dood tegen die muur, die ook beide zijden van het straatje flankeerde. Een stenen muur, zonder deuren, ramen, of wat voor openingen dan ook. Het ‘steegje’ was niet veel meer dan een ondiepe nis in een hoge muur.

Maar waar was die koe dan? Dat beest kon nergens anders heen. De nis was amper diep genoeg om het hele beest te bevatten en toch had hij met eigen ogen gezien hoe het dier was langsgekomen en uit het zicht verdwenen was. Hij voelde voor de zekerheid aan alle zijden van de nis. Niets. Zware stenen, waar geen beweging in te krijgen was. Zijn verwarring was compleet. Hij draaide zich om en klopte op de deur van het huis van de oude man.

Die deed onmiddellijk open, nog steeds met die brede grijns op zijn gezicht. “Heb je die koe gevonden?” vroeg hij spottend. “Stond ze daar te grazen in dat imaginaire weiland van je? Of was ze in die prachtige stal van jouw verbeelding? Ik hoop dat je hier iets van leert, met je koan en je boeddhistische raadseltjes. De wereld openbaart zich aan hen die de wereld kunnen zien zoals ze is en dat wat ze zien kunnen duiden. Die koe is zowel het mysterie als het antwoord op alles. Ik zeg het je nog één keer, voordat ik je weer je eigen pad op stuur: de neus veroorzaakt de staart! En daar is alles mee gezegd.”

De oude man duwde de deur weer dicht terwijl hij mompelde “Oorzakelijkheid en volgorde door elkaar halen, m’n neus.” En met het verdwijnen van zijn gezicht achter de dichtslaande deur was ook de oude man voorgoed verdwenen.

©Bard 2020

De brug

De brug
De Brug
De Brug – ©Bard 2017

De weg was al lang geen echte weg meer. Hoe hoger hij kwam in dit berglandschap, hoe minder de weg was onderhouden. Asfalt had plaats gemaakt voor kasseien. Van een redelijk begaanbaar pad met hier en daar een provisorisch met bakstenen en grind gevulde kuil bleef uiteindelijk alleen een nauwelijks te belopen grindspoor over. En nu, enige uren nadat hij door een verlaten dorp gelopen was, was zelfs dat spoor amper nog te zien onder het gras en onkruid dat overal groeide.

Toch liep hij door, overtuigd dat hij door dit pad te volgen uiteindelijk zou komen waar hij moest zijn; waar dat dan ook wezen mocht.

Na een laatste steile klim stond hij voor een oude stenen brug over een smal maar diep ravijn. Het was duidelijk dat er al geruime tijd geen verkeer meer over deze brug ging. De brug was al net zo begroeid als het pad, alsof het groen zelf de kloof overspande en de brug zonder die begroeiing allang de diepte in gestort zou zijn.

Aarzelend liep hij naar de rand van de brug. Hij keek naar beneden en zag hoe honderden meters lager een snelstromende rivier zich tussen grote rotsblokken door wrong. Vaag kon hij vanuit de diepte het geraas van het water horen. Het geluid klonk dreigend, bijna kwaad, alsof de geest van de rivier zich irriteerde aan de rotsen die haar weg belemmerden.

Door de zilveren nevel die vanuit de kloof omhoog steed kon hij net de overkant van de brug zien. Het pad leek zich daar weer te verbreden. Het landschap zag er ook meer begaanbaar uit aan die kant met minder steile rotswanden en veel meer met gras begroeide glooiende hellingen.

Het was hem volkomen duidelijk dat zijn bestemming aan de overkant van de brug lag. Daar zou hij de beloning vinden voor de lange klim die hij de afgelopen dagen gemaakt had. Nu alleen nog even die brug oversteken. De rest zou bijna vanzelf gaan. Vervuld met nieuwe hoop liep hij zonder verder na te denken de brug op.

Na een paar stappen merkte hij dat de brug begon mee te trillen met zijn voetstappen. Bij elke stap werd de trilling erger tot hij de brug voelde schudden elke keer als hij zijn voeten neerzette. Bang geworden begon hij sneller te lopen, met als gevolg dat het schudden nog erger werd. De hele brug was nu in beweging. Bijna halverwege begon hij te rennen. Even dacht hij dat hij het zou gaan halen maar toen kwam de weg voor hem in een soort golfbeweging omhoog om vervolgens onder zijn voeten compleet te desintegreren.

Hij viel en had nog net tijd om te bedenken dat hij voorzichtiger had moeten zijn. Toen raakte hij de rotsen. Zijn levenloze lichaam werd door de rivier meegesleurd zonder verder een spoor na te laten.


Na een laatste steile klim stond hij voor een oude stenen brug over een smal maar diep ravijn. Het was duidelijk dat er al geruime tijd geen verkeer meer over deze brug ging. De brug was al net zo begroeid als het pad. Het leek alsof het groen zelf de kloof overspande en de brug er alleen nog hing omdat de begroeiing haar overeind hield.

Aarzelend liep hij naar de rand van de brug. Hij had het vage gevoel dat hij dit al eens eerder had gezien. Het leek hem dat hij het landschap aan de overkant herkende. Het maakte hem onrustig, alsof er iets was dat hij zich zou moeten herinneren dat net buiten zijn bereik bleef.

Hij liep naar voren en zag naast de weg de vervallen resten van wat een wegwijzer of waarschuwingsbord geweest zou kunnen zijn. Hij trok het bord de weg op om het beter te bekijken. Niets. Als er al iets op had gestaan was het door de tijd en het weer volledig vervaagd. Hij liet het bord voor zich op de weg terugvallen.

Het was hem volkomen duidelijk dat zijn bestemming aan de overkant van de brug lag. Daar zou hij de beloning vinden voor de lange klim die hij de afgelopen dagen gemaakt had. Maar die brug zag er niet erg betrouwbaar uit. Het bord gaf hem ook een licht ongerust gevoel. Toch besloot hij door te lopen. Tenslotte zag de overkant er wel erg verleidelijk uit. Hij stapte over het bord de brug op.

Na een paar stappen merkte hij dat de brug begon mee te trillen met zijn voetstappen. Bang geworden begon hij sneller te lopen. De hele brug was nu in beweging. Bijna halverwege begon hij te rennen. Even dacht hij dat hij het zou gaan halen maar toen kwam de weg voor hem in een soort golfbeweging omhoog en viel onder zijn voeten uit elkaar.

Hij viel en had nog net tijd om te bedenken dat hij beter had moeten luisteren naar zijn voorgevoelens. Toen raakte hij de rotsen. Zijn levenloze lichaam werd door de rivier meegesleurd zonder een spoor na te laten.


Na een laatste steile klim stond hij voor een oude stenen brug over een smal maar diep ravijn. De brug was al net zo begroeid als het pad.

Aarzelend liep hij naar de rand van de brug. Hoewel hij nog nooit in deze bergen geweest was wist hij vrijwel zeker dat hij deze plek al eens eerder had gezien. Ook het landschap aan de overkant zag er bekend uit. Het maakte hem onrustig, alsof er iets was dat hij zich zou moeten herinneren dat net buiten zijn bereik bleef.

Hij liep naar voren en zag midden op de weg een oud waarschuwingsbord liggen. Hij vroeg zich af wie het daar neergelegd had en waarom. Helaas was er op het bord niets te lezen. Zonder precies te weten waarom pakte hij een stuk kalksteen van het pad en kraste een paar woorden in het verweerde hout. Hij keek naar wat hij geschreven had en lachte om zichzelf. Hij moest zich niet zo aanstellen, dacht hij. Zo erg kon het niet zijn? Toch zette hij het bord zorgvuldig overeind tegen een grote steen aan het begin van de brug voor hij weer naar de overkant keek.

Het was hem volkomen duidelijk dat zijn bestemming aan de overkant van de brug lag. Maar dat bord had hem even van slag doen raken. Toch besloot hij door te lopen. Hij was al te ver gekomen om nu nog om te draaien en terug te gaan.

Na een paar stappen merkte hij dat de brug begon mee te trillen met zijn voetstappen. Ongerust nu ging hij steeds sneller lopen tot hij halverwege gekomen voluit aan het rennen was. Even dacht hij dat hij het zou gaan halen. Maar de weg kwam voor hem in een soort golfbeweging omhoog om daarna onder zijn voeten kompleet te verkruimelen.

Hij viel en had nog net tijd om zichzelf te verwijten dat hij niet was omgekeerd toen hij dat bord bij de brug had gezien. Hij had op zijn intuïtie moeten vertrouwen. Toen raakte hij de rotsen. Zijn levenloze lichaam werd door de rivier meegesleurd zonder een spoor na te laten.


Na een laatste steile klim stond hij voor een oude stenen brug over een smal maar diep ravijn. Hij wist vrijwel zeker dat hij deze brug al eens eerder had gezien. Ook het landschap aan de overkant zag er bekend uit. Hij voelde zich opgejaagd en bang, alsof hij zich heel dringend iets belangrijks moest herinneren maar er net niet bij kon komen.

Hij liep naar voren en zag tegen een steen aan het begin van de brug een oud, verweerd bord geleund staan. Het was duidelijk neergezet om gezien te worden. Hij veegde wat stof en vuil van het bord af en zag dat iemand met krijt iets in het bord gekrast had. Met wat moeite las hij “Pas op! Gevaarlijke brug. Instortingsgevaar.” Hij vroeg zich af wie het bord daar neergezet had en hoe lang geleden. Hij keek naar de overkant van de kloof.

Het was hem volkomen duidelijk dat zijn bestemming aan de overkant van de brug lag. Maar die brug zag er niet erg betrouwbaar uit. En dat bord was wel erg onheilspellend.

Aarzelend liep hij naar de rand van de brug. Hij keek naar beneden en zag hoe honderden meters lager een snelstromende rivier zich tussen grote rotsblokken door wrong. Vaag kon hij vanuit de diepte het geraas van het water horen. Het geluid klonk dreigend, bijna kwaad, alsof de geest van de rivier zich irriteerde aan de rotsen die haar weg belemmerden. Hij kon zich goed voorstellen hoe het zou zijn om naar beneden te vallen en op die rotsen te pletter te slaan. Het water zou zijn levenloze lichaam meesleuren zodat er geen spoor meer van hem te zien zou zijn.

Hij keek nog één keer naar het lokkende landschap aan de andere kant van de brug.

Toen draaide hij zich om en met een gevoel van opluchting gemengd met teleurstelling begon hij aan de lange tocht terug naar beneden, waar hij op zoek zou gaan naar een andere manier om aan de overkant te komen.

©Bard 2020

In gedachten verzonken

In gedachten verzonken

Het meer - ©Bard 2012
Het meer – ©Bard 2012

In gedachten verzonken was hij ongemerkt een bos ingelopen. Toen hij uiteindelijk weer om zich heen keek zag hij niets herkenbaars om zich heen. Een nauwelijks zichtbaar pad slingerde zich tussen hoge bomen en dicht struikgewas door. Met diep mos begroeide plekken onder de hoogste bomen werden afgewisseld met stukjes hoog en dor gras en hier en daar wat kale zandgrond. Hoewel de zon hoog in de hemel stond was het bijna schemerdonker hier. Het dichte bladerdak hield bijna al het zonlicht tegen en het beetje licht dat de grond bereikte was doordrenkt met een groenige, pastel-achtige waas.

Waar was hij? En hoe kwam hij hier weer uit? Het nauwe bospaadje leek nergens heen te gaan en verder zag hij alleen bos, zover het schemerduister hem toeliet te kijken.

Ongerust keek hij om zich heen.

Toen hij zich voor de tweede keer 360º had rondgedraaid zag hij in de verte iets glinsteren. Hij keek nog wat beter. Ja, daar was het duidelijk lichter en hij dacht dat hij het blauwige geschitter van stromend water kon zien, tussen de dichte begroeiing door.

Het duister van dit bos was hem gaan beklemmen en dus dacht hij er niet lang over na. Hij begon te rennen in de richting van het licht daar in de verte.

Omdat hij amper kon zien waar hij liep kon hij niet al te snel gaan. Hij moest ook goed opletten waar hij zijn voeten neerzette: het paadje zat vol met oneffenheden, kuilen en boomwortels waar je je behoorlijk op kon verstappen.

Na zo, met zijn ogen op de grond gericht, een stukje gerend te hebben, stopte hij even om zich te oriënteren.

Het duurde even voor hij het licht in de verte weer gevonden had. Tot zijn verbazing leek het nu verder weg dan daarnet. Het was nog steeds goed zichtbaar, vooral in contrast met het donker om hem heen. Maar de afstand tussen hem en het spiegelende water was duidelijk groter geworden. Hij had waarschijnlijk niet goed opgelet hoe het pad precies liep. Zonder het te merken moest hij een zijtak zijn ingeslagen die hem wegvoerde van het water, in plaats van ernaartoe.

Hij dwong zichzelf tot kalmte door een paar keer diep adem te halen. Paniek gaat je niet helpen, zei hij tegen zichzelf. Er is ook geen reden toe: zolang je het water maar in het zicht houdt kan je onmogelijk verdwalen.

In plaats van de rennen besloot hij nu zijn ogen op het water gericht te houden en niet op de grond. Hij moest daardoor veel voorzichtiger lopen maar door zijn voeten zorgvuldig neer te zetten en te voelen of hij stevig stond voor hij de volgende stap nam kwam hij toch vooruit.

Hoewel…

Na op deze manier een aantal grote passen genomen te hebben begon hij het gevoel te krijgen dat hij weliswaar vooruit bewoog, maar dat tegelijkertijd het water zich van hem verwijderde. Hij nam nog een paar passen en wist het toen zeker: hij was opnieuw verder weg van het water in de verte dan daarvoor.

Hij nam opnieuw een paar stappen. Het water was nu bijna uit het zicht verdwenen. Alleen het helderder licht aan de horizon verraadde nog de plek waar het water zich moest bevinden. Bang dat hij dat licht ook nog uit het oog zou verliezen begon hij toch weer te rennen. Tot hij over een boomwortel struikelde en plat op zijn rug terecht kwam.

Hij krabbelde moeizaam overeind. Hij was weer helemaal omringd door het half-duister van het bos. Nergens was een spoor te zien van het water of zelfs maar het licht aan de horizon.

In paniek draaide hij in de rondte in de hoop toch nog iets van licht te kunnen zien.


Ineens, als uit het niets, stond ze voor hem. Een slanke, statige vrouw, gekleed in een lichtgroen gewaad. Ze had lang, zwart haar en donkerbruine, bijna zwarte ogen. In één hand hield ze een lange staf. Haar andere hand hield ze opgeheven in een ‘stop’ gebaar. Een lichte glimlach hing om haar lippen, maar haar stem klonk streng en gebiedend, toen ze zei: “Zo is het wel genoeg. Gedraag je alsjeblieft een beetje waardig.”

Zijn mond was opengevallen van verbazing. Hij hijgde nog na van zijn paniek aanval en hij was duizelig van het in de rondte draaien. Maar bij het horen van haar stem voelde hij zich als het ware in de houding springen. Zonder er bij na te denken rechtte hij zijn rug, sloot zijn mond en wachtte af wat ze nog meer zou zeggen.

“Goed zo. Je kan dus luisteren. Wie weet ben je nog te redden.” Opnieuw speelde er een zweem van een glimlach om haar lippen. “Maar dan moet je wel precies doen wat ik zeg.” Sprakeloos, te verbaasd om iets te zeggen, knikte hij dat hij haar begrepen had.

“Heb je enig idee waarom het je niet lukt het water te bereiken?” vroeg ze. Hij schudde zijn hoofd. Ze keek hem aan en verwachtte blijkbaar een antwoord. “Het lijkt wel of het water voor me uit vlucht,” opperde hij voorzichtig. “Iedere keer als ik dichterbij probeer te komen lijkt het water verder weg zijn.”

“Aha” zei de vrouw, “Observeren kan je dus wel. Maar je conclusie is wel typisch mannelijk: wanneer je iets tegen komt dat je niet kan verklaren moet er wel iets mis zijn met de wereld. Heb je er ook maar een moment bij stilgestaan dat er misschien iets met jou aan de hand is, en niet met het water?”

Verbaasd staarde hij haar aan. Iets mis met hem? Hoe bedoelde ze dat? “Is het water misschien gezichtsbedrog? Denk ik alleen dat ik water zie?” probeerde hij.

“Nee” zei ze, “dat water is echt. Het ligt niet aan je ogen. Maar wel,“ en daar was opnieuw die glimlach, “aan hoe je naar de wereld kijkt.”

Hij wist niet waar ze op doelde, dus hield hij maar zijn mond, hopend dat ze zou uitleggen waar ze op doelde.

“Probeer maar eens naar me toe te lopen. Misschien begrijp je dan wat ik bedoel.” Aarzelend nam hij een paar stappen naar voren. Tot zijn stomme verbazing was de vrouw na een paar stappen veel verder weg dan toen hij begon te lopen. Toch had ze niet bewogen. Ze stond nog in precies dezelfde houding. Ze leek ook nog op dezelfde plek te staan, hoewel ze toch duidelijk verder weg was. Wat was hier toch aan de hand?

“Je hebt het nog steeds niet door, hè?” zei de vrouw. “Ik dacht dat je slimmer was. Nog maar eens proberen dan. Loop nu eens van me weg, zonder je om te draaien. Kijk me aan en neem een paar stappen van me af.” Hij deed wat ze zei en zag hoe ze met elke stap die hij achteruit deed een stap dichterbij leek te komen. Hij stopte toen hij weer vlak voor haar stond en keek haar in verwarring aan.

“Begrijp je het nu?”

Toen hij niet direct antwoord gaf nam ze een halve stap naar achteren en sloeg tegelijkertijd in één vloeiende beweging met haar staf zijn hoofd van zijn schouders. Hij voelde zijn hoofd door de lucht tollen en op het zachte mos landen, terwijl zijn lichaam hulpeloos voorover zakte. Zijn lijf eindigde op handen en voeten en zijn rollende hoofd kwam tegen een boomstam tot stilstand.

Voor zijn gevoel was hij nu op twee plaatsen tegelijk. Hij voelde duidelijk het mos aan zijn handen en de grond onder zijn knieën en voeten. Maar hij voelde ook de ruwe boomstam tegen zijn wang en zag het gras voor zijn ogen. Een miertje klom tegen één van de halmen omhoog, stopte op ooghoogte en rende vervolgens weer naar beneden. Hij was te verbaasd om in paniek te raken en te geschrokken om iets te zeggen.

“Het spijt me” zei de vrouw, “maar soms is een directe aanpak toch het beste.” Hij kon haar niet zien maar hoorde hoe ze naast zijn hoofd neerknielde. “Nu is het zaak je hoofd erbij te houden. Probeer eens voorzichtig in de richting van mijn stem te kruipen.”

Haar stem was zo kalm en zelfverzekerd dat hij zijn opkomende paniek voelde wegebben. Hij deed wat ze zei en maakte voorzichtig een paar kruipbewegingen. Hij voelde aan zijn lijf dat hij vooruit bewoog, maar omdat zijn hoofd een andere kant opkeek kon hij die beweging niet zien. Dat was zo verwarrend dat een golf van duizeligheid hem bijna deed omvallen.

“Dat is lastig, hè? Als je hoofd en je lijf niet samenwerken? Probeer het nog eens, maar nu met je ogen dicht. Kijken gaat je niet helpen, voelen wel. Concentreer je op mijn stem en het gevoel in je lijf. Als het helpt, stel je dan voor dat je in het pikkedonker in mijn richting kruipt.”

Hij sloot zijn ogen en deed precies wat ze zei. Nu zijn ogen en zijn lijf elkaar niet langer tegenspraken was het inderdaad veel makkelijker. Zonder al teveel moeite kroop hij de richting van haar stem. Hij voelde zijn handen tegen zijn hoofd aanstoten en pakte zonder erbij na te denken zijn hoofd met beide handen op en drukte het stevig terug op zijn nek. Hij voelde zijn hoofd en lijf weer aan elkaar groeien.

Voorzichtig liet hij zijn hoofd los. Het bleef keurig aan zijn nek zitten, alsof het nooit los was geweest. Hij draaide zijn hoofd van links naar rechts. Ook dat ging zonder problemen. Hij ging stevig op de grond zitten en deed zijn ogen open. Alles zag er normaal uit. Het bos, de lucht, de bomen … en op een paar passen afstand de mysterieuze vrouw met haar staf in de hand.

“Goed gedaan.” zei ze, duidelijk tevreden met zijn optreden. “De meeste mannen verliezen bij zoiets compleet hun hoofd en raken hopeloos verdwaald. Ik heb er heel wat in paniek het bos in zien verdwijnen. Nooit meer teruggezien trouwens. Maar ik ben blij dat jij jezelf weer bij elkaar hebt weten te rapen. Ik denk dat jij wel potentieel hebt.” Hij zag in zijn verbeelding hordes mannen hoofdeloos door het bos kruipen tot ze van uitputting neervielen. Dat had hem dus ook kunnen overkomen. Opgelucht haalde hij adem.


“Kom” zei de vrouw en hield haar vrije hand naar hem uit, “sta op en loop met me mee. Ik zal je naar het water brengen.” Ze hielp hem overeind en hij liep naast haar het bos in. Na een paar wendingen van het pad zag hij inderdaad het licht weer en de schittering van het water. Hij verwachte half dat het water weer uit het zicht zou verdwijnen en was dan ook blij om te zien dat de waterkant ditmaal snel dichterbij kwam. Na een korte wandeling stond hij naast de vrouw op een zandstrandje aan de rand van klein meertje, midden in het bos.

“Welkom bij mijn meer”, zei de vrouw. “Vanaf hier kan je zelf je weg verder vinden. Maar voor ik je laat gaan, heb je nu begrepen wat er aan de hand was?” Ze keek hem aan, haar donkere ogen strak op de zijne gericht.

Hij dacht na. Haar vraag was een test en hij vermoedde dat ze een fout antwoord niet zou tolereren. Hij wist niet wat ze van plan was maar hij had gezien wat ze met haar staf kon doen. Goed nadenken dus. Wat had hij zojuist allemaal meegemaakt? Ineens wist hij het. “Ik had mijn hoofd achterstevoren op mijn nek staan.” Hij keek haar aan. “Ik keek naar voren maar liep achteruit.”

Ze lachte hem toe. “Inderdaad. Of je liep vooruit maar keek naar achteren. Ik hoop dat je dit niet meer zal vergeten: als je je vasthoudt aan waar je vandaan komt bereik je nooit waar je heen wilt. Houdt je blik dus in lijn met de richting die je uit wilt. Dan wijst de weg zich vanzelf.”

Dat klonk inderdaad nogal logisch. Hij knikte dat hij haar begrepen had. Nog wel wat voorzichtig – zijn hoofd had net nog naast hem op de grond gelegen dus hij wilde geen onnodig risico nemen.

Tegelijk met de vrouw draaide hij zich weer naar het meertje en bewonderde de aanblik van het rimpelende water en het zonlicht dat met de golfjes speelde.

©Bard 2020

Het Sociale Weefsel

Het sociale weefsel is een magisch weefsel
Geweven uit onze verplichtingen
Uit schulden gemaakt en gunsten verleend
In het algemeen belang

Geweven uit onze hoop en dromen
De verwachting van een betere toekomst
Herinneringen aan een gouden verleden
En de verhalen die we samen delen

Het sociale weefsel is een kwetsbaar weefsel
Dat kan verzwakken en kan scheuren
Door eigenbelang en hebzucht
Door achterbaksheid en verraad

Ontrafeld en uitelkaar gescheurd
Door geweld en machtsmisbruik
Door verdeeldheid en haat
En de politiek van de angst

Het sociale weefsel is een kostbaar weefsel
Dat ons behoedt met haar beschutting
Ons de kans geeft te kiezen tussen
mededogen en onverschilligheid

Zonder dit doek om ons te kleden
Zouden wij naakt staan in de wereld
In een ijzig donker Universum
Elk van ons alleen

Bard – 2019

De Macht van Keuzes

Het kunnen maken van keuzes is een fundamenteel menselijke eigenschap. Wij maken voortdurend keuzes. Iedere handeling of niet-handeling is een keuze. Iedere reactie, of het uitblijven daarvan, is een keuze. We kunnen het kiezen niet vermijden: uitgerust als we zijn met onderscheidingsvermogen en het vermogen beslissingen te nemen, zijn we iedere keer dat we ons bewust worden dat er een keuze te maken is tevens gedwongen te kiezen. Zelfs kiezen niet te kiezen is natuurlijk een keuze. Keuze is onvermijdelijk.

De onvermijdelijkheid van keuzes kan vaak als een last aanvoelen. Het betekent dat we niet zomaar erop los kunnen leven, onze impulsen volgen en de gevolgen negeren. Omdat we de macht hebben te kiezen zijn we, onontkoombaar, verantwoordelijk voor de gevolgen van de keuzes die we maken (of vermijden). We voelen ons dan ook niet zelden schuldig wanneer dingen niet zo uitpakken als we verwachtten en onze keuzes (wellicht onbedoeld) onszelf en andere mensen tot last zijn of zelfs schade toe brengen. Schuld is echter een negatieve emotie die ons niet meer maar minder verantwoordelijk maakt voor de consequenties van onze acties, omdat schuld ons neigt te verlammen. In plaats van onze acties te beschouwen en de gevolgen zo objectief mogelijk te beoordelen, om dan te reageren op een manier die het positieve maximaliseert en het negatieve minimaliseert, raken we door onze schuldgevoelens vaak zo geobsedeerd door het negatieve dat we helemaal niet meer reageren.

Het mooie van keuzes, en een tegengif tegen schuldgevoelens, is ons te realiseren dat hoewel we het onmogelijk altijd goed zullen doen en nooit compleet kunnen vermijden dat we schade aandoen met de keuzes die we maken, we tevens altijd de macht en de mogelijkheid hebben de volgende keer betere keuzes te maken. Keuzes stellen ons in staat te leren van onze vergissingen en te blijven werken aan het verbeteren ervan. En iedere keer dat we een bewuste keuze maken om het dit keer beter te doen groeit ons vermogen om op een positieve manier aan de wereld bij te dragen. Een positieve bijdrage waar we zelf voor kiezen.

Bewuste keuzes zijn die momenten waarop we even stilstaan, de toestand in ogenschouw nemen, om vervolgens doelgericht verder te gaan, in bewuste harmonie met onze overtuigingen, aspiraties en doelen. Zulke keuzes worden toekomst-bepalende momenten: veel van de de schier oneindige veelheid van wat mogelijk was voor we kozen valt ineens weg, en behoort niet langer tot de mogelijkheden. Onze keuze reduceert de oneindige complexiteit. Die overigens nog steeds oneindig complex blijft – dat is nu eenmaal een eigenschap van het oneindige – maar we hebben het gesnoeid en ingeperkt; omgebogen – hoe subtiel ook – naar onze eigen smaak en verlangens.

Wat deze macht vele malen sterker maakt is wanneer onze keuzes niet alleen bewust maar ook consistent zijn. Consistente keuzes maken betekent niet dat we altijd precies hetzelfde kiezen, maar dat we onze keuzes baseren op een set van principes of een raamwerk voor hoe we keuzes maken. Op die manier worden onze keuzes een vormende kracht met toenemende invloed en uitwerking. Een reeks van kleine maar consistente keuzes zijn als de duwtjes die we een schommel geven: ze zijn misschien niet al te krachtig op zichzelf, maar als we ze goed timen en nauwkeurig richten bouwen ze momentum op totdat ze de schommel ver en hoog doen uitzwaaien.

Iedere keuze brengt ons ergens anders - (c)Bard 2016
Iedere keuze brengt ons ergens anders – (c)Bard 2016

De verhalen waar we de vorige blog over spraken vormen een krachtig raamwerk voor het maken van consistente keuzes. Het gebruik maken van ons eigen verhaal op deze manier geeft ons twee belangrijke gereedschappen om mee te werken:

  • Het geeft ons een raamwerk om de keuzes die we maken te evalueren. Voor iedere optie kunnen we ons afvragen: “Helpt dit me verder op mijn weg, of leidt het me er vandaan?” Meestal is het mogelijk door een keuze te meten aan ons levensverhaal een rangorde te maken van onze opties in volgorde van afstemming met dat verhaal.Het lijkt logisch om vervolgens de best afgestemde optie te kiezen. Maar het is geen slecht idee om eerst een realiteits-controle uit te voeren om te zien of er geen consequenties of neven-effecten aan de meest voor de hand liggende optie verbonden zijn. In het algemeen, echter, kunnen we stellen dat de best afgestemde optie de voorkeur heeft, tenzij er duidelijk ongewenste kanten aan kleven.
  • Het geeft ons een manier om de uitkomst van onze keuzes te evalueren door onszelf regelmatig af te vragen: “Boek ik vooruitgang op mijn levensreis? Zie ik verbeteringen of voortgang in die gebieden die het meest relevant voor mij en het levensverhaal waar ik mij aan heb toegewijd zijn?”

Zelfs als onze keuzes niet onmiddellijk leiden tot de gewenste uitkomst – en dat doen ze meestal niet, omdat het terrein dat voor ons ligt grotendeels onbekend is en we het moeten verkennen en ervan leren voor we beter kunnen worden in het maken van de juiste keuzes – met ons verhaal om ons te leiden kunnen we bewuste keuzes blijven maken en zo onszelf toestemming geven de auteurs te worden van ons eigen levensverhaal, de regisseur van ons eigen drama, en tevens daarin de belangrijkste acteur of actrice.

Dat is de macht van keuzes: de wereld vormgeven naar ons beste vermogen om haar te laten samenvallen met het verhaal dat we willen leven, in plaats van machteloze, passieve passagiers en toeschouwers te blijven van een wereld die aan ons voorbij gaat.

De Macht van Verhalen

Wij zijn een verhalen vertellende soort. Dat is hoe we de wereld begrijpbaar maken. Het is hoe we onze ervaringen met anderen delen, en hoe we ons met elkaar verbinden, bij elkaar blijven en samen evolueren. Wat onze ervaring van de werkelijkheid betreft: tenzij we het in een verhaal kunnen vatten kunnen we niet echt zeggen dat we het op een betekenisvolle manier beleefd hebben.

Als een boom omvalt in het bos maakt het waarschijnlijk geluid, zelfs als er niemand is om hem te horen te vallen. Maar zonder een mens daar om het te aanschouwen, te beleven en vervolgens in een spannend verhaal te gieten over een woudreus die met donderend geraas tegen de vlakte ging, en hoeveel indruk dat maakte op de verteller, had die boom net zo goed in stilte kunnen omvallen. Het medium dat het fysieke geluid draagt is de lucht, maar het metafysische geluid wordt gedragen door het verhaal – en wat ons mensen betreft is dat metafysische geluid het enige dat telt.

Verhalen helpen ons de werkelijkheid te categoriseren en te ordenen zodat ze beter te begrijpen en te manoeuvreren is. We gebruiken verhalen om belangrijk te maken wat anders willekeurige gebeurtenissen zouden zijn. Verhalen zijn niet statisch. Ze beschrijven en categoriseren niet alleen hun inhoud: ze brengen die inhoud ook tot leven door ze beweging en momentum te geven. Onze verhalen imiteren onze ervaringen door zich in de tijd af te spelen: met een begin, een midden en een einde. Verhalen vangen en verrijken de werkelijkheid die wij ervaren door er een gevoel van richting aan te geven: een intentionele beweging die onze verhalen van het begin tot het einde vult met een diepgevoeld belang.

Om een richting te hebben moeten verhalen actie bevatten; ze moeten gaan over dingen die gebeuren en – om het een menselijk belang te geven – dingen die we doen om dat te laten gebeuren of in reactie tot wat er gebeurd is. Vanuit een verhalend perspectief zijn we veel meer levende doeners dan levende wezens. We zijn meer proces dan voorwerp. Onze aard wordt gedefinieerd door beweging, transformatie en progressie: van geboorte tot dood, van voedsel naar weefsels en energie, van verlangen naar actie, van angst naar vluchten of vechten, het zijn veel meer de processen dan de voorwerpen die de essentie uitmaken van ons leven.

Al dit levende doen is zowel circulair als voortschrijdend: circulair omdat leven komt en gaat in vele met elkaar verbonden cycli; voortschrijdend omdat – tenminste in onze beleving – het leven een richting, doelen en bedoeling lijkt te hebben dat het vooruit en omhoog drijft in plaats van uitsluitend in de rondte. De cycli herhalen zich, maar zijn nooit precies hetzelfde. Het leven evolueert, soorten komen en gaan, het leven wordt complexer, ingewikkelder als eenvoudige vormen zich combineren tot samengestelde…. Het is zozeer dat we richting en vooruitgang waarnemen in de wereld om ons heen. We leggen richting en vooruitgang op aan die wereld om het structuur en betekenis te geven. Het leven zou ondraaglijk zijn voor ons als het geen richting had. Wij hebben dat gevoel van betekenis en zingeving nodig – iets dat ons in beweging houdt en iets geeft om voor te gaan – en een gevoel dat we de juiste kant op gaan. We kunnen bijna alles verdragen op onze reis als die reis maar ergens toe leidt. Een reis die geen doel heeft of bestemming is amper een reis te noemen: het is een doelloos rondzwerven in een eindeloze leegte zonder een gevoel van vooruitgang om onze bewegingen aan af te meten.

Dat is waarom verhalen zo belangrijk voor ons zijn. Ze brengen orde, intentionaliteit, doelgerichtheid en daadkracht. Onze verhalen helpen ons de wereld te begrijpen, zelfs als dat begrip niet meer is dan een figment van onze eigen verbeelding. We “geven” zin aan de wereld in plaats van het te “vinden”: het is een constructie van de menselijke geest, niet iets dat vooraf al klaar lag om ontdekt te worden. En terwijl we zin geven door verhalen te vertellen, geven onze verhalen ons energie, motivatie en de wil om door te gaan op onze reis, en te blijven streven naar vooruitgang.

Verhalen helpen ons navigeren in een complexe wereld - (c)Bard 2015
Verhalen helpen ons navigeren in een complexe wereld – (c)Bard 2015

Om ons te kunnen verbeteren hebben we een gevoel van richting nodig: we hebben iets nodig om naar toe te bewegen, iets dat ons voortdrijft en het mogelijk maakt onze drukke te bestaan te veranderen in een avontuur, met een begin, mijlpalen, vooruitgang en een eindbestemming. Omdat we allemaal (grotendeels) de auteurs van ons eigen levensverhaal zijn zou je kunnen zeggen dat de feitelijke richting er niet toe doet – het is toch allemaal fictief. Als middel tot zelfverbetering echter, en om een doelgericht en vervullend leven te leiden, doet die richting er wel degelijk toe, en vereist van ons reflectie en overdenking. De macht om onze eigen richting te kiezen, ons eigen pad te lopen en ons eigen verhaal te schrijven vormt deel van de menselijke staat: we hebben niet altijd de macht om de omstandigheden waarin we leven te veranderen maar we hebben altijd de macht om de manier waarop we die omstandigheden beleven zelf te bepalen. Het bewust toepassen van die macht maakt ons tot actieve deelnemers in plaats van passieve voorwerpen in de stromingen in de rivier van het leven.

Ik wil niet beweren dat we simpelweg door het maken van ons eigen verhaal en het kiezen van een eigen richting gegarandeerd onze zelf-gekozen doelen zullen bereiken, of onze missie daadwerkelijk zullen vervullen. Maar als we niet ons eigen verhaal creëren hebben we helemaal niets om ons op te richten, en vinden we nooit dat gevoel van vervulling dat we krijgen middels een reis die we zelf kiezen en vrijwillig afleggen, gesteund door onze eigen volharding en ons eigen doorzettingsvermogen.

Dat is de macht van verhalen: ons het gevoel te geven dat we op reis zijn ergens heen, in plaats van heen en weer gegooid te worden door de willekeur van de krachten om ons heen, zonder richting of vooruitgang. Verhalen vangen de menselijke macht van zingeving en intentionaliteit. De wereld mag chaotisch zijn, verwarrend en uiteindelijk onverschillig ten opzichte van ons lijden, maar onze persoonlijke en collectieve verhalen veranderen de chaos in ordelijke structuren, de verwarring in betekenis en begrip, en weerstaan de onverschilligheid van het Universum door nadrukkelijk te stellen dat onze levens er toe doen, omdat wij daarvoor kiezen.

De Macht van Verwachtingen

Wij zijn een diep sociale soort. Vanaf het moment dat we geboren worden tot aan ons overlijden steunen we op andere mensen voor ons overleven en welzijn. Onze overlevings-instincten zijn nauw verbonden met onze sociale behoeftes en gedrag en een van onze diepste behoeftes is om erbij te horen: bij iemand, bij een familie, een groep, een gemeenschap, een land, … Ons gevoel van veiligheid en welzijn is zo sterk verbonden met de groepen waar we ons mee identificeren dat buitengesloten worden door een van die groepen traumatisch en pijnlijk is, mentaal vergelijkbaar met de amputatie van een arm of been, of een diepe interne verwonding. Onze harten breken als een geliefde overlijdt of ons verlaat; we worden ziek van eenzaamheid en heimwee als we te lang gescheiden zijn van onze families en huizen; ons immuunsysteem laat ons in de steek als we ons geïsoleerd, vervreemd en ongewenst voelen. Wij moeten ergens bij horen om te overleven.

De mensheid, zowel slim als flexibel, heeft veel verschillende manieren ontwikkeld om sociale structuren te bouwen en te onderhouden. We hebben verhalen, regels en rituelen; fysieke markeringen zoals tatoeages, littekens, verf en klederdracht; fysieke barrières zoals muren, grachten en grenzen; allemaal manieren om de banden binnen de groep te versterken en te onderscheiden van en te beschermen tegen alle anderen.

Sociale verbanden – zelfs als ze worden versterkt en ondersteund door culturele mechanismes – zijn weliswaar sterk maar ze zijn niet onbreekbaar. In werkelijkheid, door de complexiteit van menselijke interacties, met onze vele lagen van gevoelens, emoties, drijfveren en overtuigingen, gekoppeld met een fundamenteel spanningsveld tussen the behoeftes van het individu en de behoeftes van het collectief, zijn de verbanden die wij aangaan nooit compleet stabiel, worden regelmatig op de proef gesteld, en kunnen op dramatische wijze en abrupt breken. Die breekbaarheid van onze sociale verbanden zet ons voortdurend onder druk. We kunnen het ons niet veroorloven dat te negeren, want een moment van onoplettendheid kan ons een subtiele verandering in de houding van de mensen om ons heen over het hoofd doen zien en ertoe leiden dat we ineens aan de verkeerde kant staan van een sociale verschuiving. Dus zijn we voortdurend op onze hoede, sociaal gezien, en verzamelen onophoudelijk informatie via onze eigen sociale interacties en de interacties die we waarnemen om ons heen om te meten hoe veilig en zeker we zijn binnen de groepen waar we ons mee identificeren.

Dit is waarom we roddelen en zo graag over andere mensen praten als ze er niet bij zijn; dit is waarom we zo graag met onze vrienden afstemmen over wie ‘in’ is en wie ‘uit’. Dit ligt ten grondslag aan de verslavende werking van het krijgen van ‘likes’ op Facebook en het plaatsen van selfies en plaatjes van ons ontbijt op Instagram of Snapchat. We testen voortdurend of we nog wel horen bij de ‘in’ groep, of we ons nog wel veilig binnen de grenzen bevinden van wat onze groep interessant, aantrekkelijk of op z’n minst aanvaardbaar vindt.

Maar het is niet voldoende om te weten of we nog acceptabel en geaccepteerd zijn, we moeten ook voortdurend de verschuivende stemmingen en voorkeuren van de groepen waar we mee omgaan en de mensen waar we van afhankelijk zijn kunnen zien aankomen en anticiperen. Om er zeker van te zijn dat we deel blijven uitmaken van ons sociale vangnet moeten we van moment tot moment weten wat er van ons verwacht wordt. We moeten weten hoe andere mensen ons zien en hoe ze verwachten dat wij ons zullen gedragen. We moeten de subtiele signalen begrijpen die onze mede-groepsleden uitzenden om aan te geven dat ze deel zijn van dezelfde groep. En dat moeten we in genoeg detail en diepgang opvangen en begrijpen om ons in staat te stellen te voldoen aan het beeld dat andere mensen van ons hebben, zodat we ze niet verrassen of teleurstellen, omdat ze ons dan wellicht zouden verstoten en ons geïsoleerd en alleen achterlaten.

Deze behoefte om te voldoen aan hoe andere mensen ons zien is de basis van de mach van de verwachting.

Omdat door anderen geaccepteerd worden zo nauw verweven is met onze diepste overlevingsinstincten bestuderen we allemaal voortdurend de mensen om ons heen – vooral de mensen die belangrijk voor ons zijn – om uit te vinden hoe zij verwachten dat wij ons zullen gedragen, om ons vervolgens te modelleren naar die verwachtingen om ze niet teleur te stellen. En zo dragen wij allen de maskers die anderen ons graag zien dragen zodat we geen kanten van onszelf hoeven te laten zien die hen van ons af zou kunnen doen keren.

Wederzijdse verwachtingen: als ik aardig ben tegen jou, ben jij aardig tegen mij (c) Bard Papegaaij
Wederzijdse verwachtingen: als ik aardig ben tegen jou, ben jij aardig tegen mij (c) Bard Papegaaij

Dit is meestal geen bewust proces, tenminste voor de meesten van ons. Wij passen bijna allemaal constant en naadloos onze publieke personas aan aan de verwachtingen van de mensen waar we mee omgaan, zonder daar bij na te denken, zonder er zelfs maar bewust van te zijn. Het is een bijna volledig automatisch proces dat altijd aanstaat en op subtiele (of minder subtiele) wijze ons gedrag bijstelt zodat het precies past bij het mentale model dat andere mensen hebben van wie wij zijn.

We moeten dit niet zien als bedrog. De personas die we in onze sociale interacties aannemen zijn niet bedoeld om andere mensen te misleiden of te bespelen. Het is eigenlijk precies andersom: die personas – de versies van ons die andere mensen verwachten te zien wanneer ze met ons omgaan bespelen ons op een vrij fundamentele wijze. Ze bepalen niet alleen ons gedrag, ze beïnvloeden ook onze waarnemingen en gedachten. Onze sociale maskers beïnvloeden onze emotionele reacties en mentale modellen. Ze laten ons denken en voelen zoals het personage voelt dat we hebben aangenomen, zodat we waarnemen wat dat personage zou waarnemen en negeren wat dat personage liever niet zou zien. Experimenten hebben aangetoond dat onder druk van de groep individuen onbewust hun eigen opvattingen over de waarheid veranderen om niet uit de toon te vallen met de mensen om hen heen. In andere woorden: we neigen te worden wat andere mensen ons verwachten te zijn.

Betekent dit dat we machteloos zijn in de aanwezigheid van anderen? Zijn we eenvoudigweg gedoemd om variaties van onszelf te spelen bepaald door de hoe andere mensen ons zien? Zijn we in werkelijkheid dan slechts toneelspelers op het toneel van onze medemensen, gedwongen om de rollen te spelen die zij aan ons toewijzen, hulpeloos de teksten herhalend die zij van ons willen horen?

Niet persé! Er is een manier om de macht van de verwachtingen in ons eigen voordeel te gebruiken en de macht over onze eigen missie in dit leven terug te nemen. Die manier begint met de realisatie dat wat andere mensen van ons verwachten niet een vaststaand gegeven is, maar groeit en evolueert gedurende de tijd dat we met ze omgaan. Verwachtingen zijn niet statisch maar vloeibaar, onderhevig aan verandering en beïnvloed door vele factoren, soms direct door ons te bepalen of tenminste sterk te sturen in de richting van onze eigen doelen en intenties. Beginnend met de eerste indruk die mensen van ons hebben – die zich doorgaans al begint te vormen voor ze ons ontmoeten, gebaseerd op geruchten, roddels, en andere informatie die publiekelijk over ons beschikbaar is – tot de veel meer gedetailleerde en dieper ingebedde mentale modellen die ze opbouwen als ze ons vaker zien en ons in meer detail kunnen observeren: wat andere mensen van ons verwachten wordt gedeeltelijk door henzelf bepaald, maar tevens gedeeltelijk gevormd door hoe wij ons naar hen toe presenteren.

Als we ons niet bewust zijn van dit verwachtingsmechanisme kan het makkelijk een zelf-bevestigende vicieuze cirkel worden: wat mensen van ons verwachten zorgt dat wij ons gedragen in overeenstemming met die verwachtingen, wat bevestigd wat zij al verwachtten en hun mentale model van ons versterkt, waardoor het nog moeilijker wordt voor ons om daar niet aan te voldoen. Als we niet opletten kunnen we terechtkomen in een voortdurende dans van verwachtingen en voorspelbare reacties en steeds meer een fictieve versie van onszelf spelen, in plaats van onze ware aard te tonen en ons authentiek te gedragen. Hoe langer we dit doen, hoe meer ‘gedomesticeerd’ we raken: we vergeten zelfs dat we een authentieke zelf hebben, en zouden ons verloren en hulpeloos voelen als de verwachtingen waar we ons door laten sturen ineens zouden verdwijnen.

Als we ons wel bewust zijn, en de druk begrijpen die verwachtingen op ons uitoefenen, kunnen we die macht inzetten in ons eigen voordeel.

Om dit te kunnen doen moeten we allereerst onze eigen verwachtingen ten opzichte van onszelf duidelijk definiëren en helder voor ogen hebben, iedere keer dat we met andere mensen omgaan. In plaats van de versie te accepteren die andere mensen van ons willen zien moeten we werken aan een authentieke versie: de fictie die het dichtste ligt bij wie wij zelf willen zijn, en hoe we gezien willen worden. We moeten iedere ontmoeting met andere mensen zien als een kans om ze die authentieke versie te tonen, en ons voorbereiden om die versie van ons zo consistent en overtuigend uit te beelden in onze woorden en daden dat de mensen waar we mee omgaan niet anders kunnen dan hun verwachtingen en mentale modellen van ons aanpassen aan wat wij ze laten zien. Het klinkt misschien paradoxaal, maar om de krachten die ons wegduwen van onze authentieke zelf moeten we ons bewust oefenen in het authentiek zijn en dat net zolang repeteren tot we het spontaan kunnen doen. Dit is de ultieme vorm van ‘method acting’: de rol spelen van wie je wilt zijn tot je het niet langer meer speelt, maar bent.

De rol van wie je werkelijk bent of wilt zijn goed spelen is vooral belangrijk in de eerste directe ontmoeting met iemand. Zoals gezegd, de meeste mensen hebben al verwachtingen over ons gedrag voor ze ons ontmoeten, gebaseerd op publiekelijk beschikbare informatie, maar in de meeste gevallen is dat mentale model vrij oppervlakkig en onder voorbehoud. Door ze in die eerste cruciale momenten van die eerste ontmoeting duidelijk, consistent en overtuigend gedrag te laten zien hebben we een redelijke kans hun verdere verwachtingen van ons dicht aan te laten sluiten bij hoe wij willen dat ze ons zien. En als die verwachtingen eenmaal verankerd zijn kunnen we onszelf zijn zonder verder te hoeven vechten tegen ongewenste verwachtingen, simpelweg door datgene te doen wat toch al van ons verwacht wordt. Dit werkt in ieders voordeel: wij hoeven ons niet te verzetten tegen onwelkome verwachtingen, en zij voelen zich veel meer op hun gemak in ons gezelschap omdat we ons steeds gedragen zoals zij van ons verwachten.

Dat is, in een notendop, de macht van verwachtingen: ze direct aan het begin van onze interacties met mensen op de juiste manier verankeren en vervolgens zorgvuldig onderhouden zorgt ervoor dat wat mensen van ons verwachten en wat wij willen dat ze van ons verwachten op een lijn liggen, waarmee die verwachtingen een krachtige ondersteuning worden om ons verder te helpen op onze weg en om ons het leven te laten leven waar wij zelf voor kiezen. Laten we echter die verwachtingen over aan het toeval en de omstandigheden en negeren we ze in hoe we ons gedragen in het gezelschap van mensen die belangrijk voor ons zijn, dan kan diezelfde macht ons tegenwerken en proberen ons terug te duwen in het verhaal dat andere mensen voor ons bedenken, in plaats van ons eigen verhaal te kunnen volgen en beleven.