Wat zou er mis kunnen zijn met loyaliteit?

Loyaliteit wordt vaak geroemd als een positieve emotie, iets om te bewonderen en mensen voor te belonen. Toch is loyaliteit door de hele geschiedenis heen, en waarschijnlijk ook al lang daarvoor, de oorzaak geweest van veel onnodig lijden.

Loyaliteit zet het individu onder druk om zich op te offeren en te lijden ‘voor het grotere goed’. Loyaliteit motiveert groepen tot discriminatie, uitsluiting en geweld jegens ‘anderen’. Het kan zelfs hele naties ertoe aanzetten oorlogen te voeren en massamoord en genocide te plegen, gedreven door de overtuiging dat dit de loyale manier van handelen is.

Ik heb me altijd afgevraagd waarom loyaliteit zo vaak van mij werd verwacht in contexten waar ik niet voor getekend heb. Ik heb er niet voor gekozen om geboren te worden waar ik geboren ben. Ik heb er niet voor gekozen om tot de religie van mijn ouders, grootouders en anderen te behoren. Ik heb niet gestemd op de krankzinnige leiders die de landen waar ik heb gewoond ruïneren. En toch werd mij regelmatig verteld dat ik de heilige plicht had loyaal te zijn jegens mijn familie, stam, religie, land en leiders. Er werd zelfs van mij verwacht werd dat ik geweld zou plegen tegen anderen en met plezier mijn leven zou geven in dienst van die vage maar zogenaamd heilige constructies waar ik blijkbaar deel van ben.

Het lijkt me dat loyaliteit aan een bepaalde groep altijd een gevaarlijke propositie is, omdat het automatisch en onvermijdelijk betekent dat ik andere mensen uitsluit van mijn zorgplicht. Loyaliteit aan ‘ons’ betekent altijd dat je je afkeert van ‘hen’; de anderen die een bedreiging voor ons vormen, die de goede dingen willen die wij bezitten, en die ons willen beroven, tot slaaf willen maken of doden als we ze ook maar een halve kans zouden geven. Elke zorg, empathie of bezorgdheid die ik voor die anderen zou kunnen voelen, zo wordt mij constant verteld, betekent ontrouw aan degenen die ik als de mijne zou moeten beschouwen. Alsof mijn vermogen tot loving-kindness te beperkt is om te verspillen aan buitenstaanders.

Ik heb loyaliteit altijd diep gewantrouwd als motivator, vooral als motivator voor uitsluiting, wantrouwen, geweld en haat. Natuurlijk voel ik een bijzondere genegenheid en verbondenheid met degenen die dicht bij me staan. Natuurlijk voel ik dankbaarheid en zelfs een gevoel van schuld aan mijn voorouders, die zo hard hebben gewerkt en vaak hebben geleden zodat ik het mooie leven kan leiden dat ik leid. Ik heb er geen probleem mee als me wordt gevraagd iets terug te geven; om een ​​positieve bijdrage te leveren aan mijn familie, stam en natie. Maar mijn loving-kindness, mijn vermogen om anderen te helpen, mijn medeleven met elk leven dat lijdt, beperkt zich niet alleen tot mijn eigen groep. Ik zie geen reden om welk levend wezen dan ook uit te sluiten van mijn zorgplicht of medeleven. Al het leven is één, voor zover ik kan zien, en heeft daarom evenveel recht op mijn loyaliteit en liefde.

Geen enkel levend wezen verdient het om te worden uitgesloten, verwaarloosd, vernederd, tot slaaf gemaakt of gedood, alleen omdat het niet hetzelfde is als wij.

Wat Is het Verschil?

Regenbogen over Australië – ©2023 Bard

Wachtend in de lounge van een vliegveld, kon ik er niet aan ontkomen het nieuws te zien dat op tv aan elke muur werd uitgezonden. En ik kan niet zeggen dat wat ik zag mij erg blij maakte.

De wereld is vol conflicten. Noord vecht tegen Zuid, Oost vecht tegen West, Links vecht tegen Rechts, Kinderen vechten tegen Ouders, Ouders vechten tegen elkaar. Buren worden bittere vijanden; voormalige vrienden felle vijanden. Elk kleinigheidje wordt een probleem, elk probleem een reden voor de strijd.

Wat ik pijnlijk vind om aan te zien, is dat de meeste van die zwaarbevochten conflicten gaan over denkbeeldige verschillen en fictieve verdeeldheid. We hebben een miljoen manieren om andere mensen als de ander te zien in plaats van als een van ons. Hun baarden zijn te lang of te kort, hun ogen te donker of te licht, hun haar te blond of te bruin, ze spreken de verkeerde taal, zingen de verkeerde liedjes, geloven de verkeerde verhalen. Eenmaal gecategoriseerd, worden ze minder dan menselijk. Ze zijn afwijkend en dus fout. En voor dat fout zijn moeten ze worden bevochten en gestraft.

Waarom is het zo moeilijk om ons te zien zoals we werkelijk zijn? Als je de minuscule verschillen waarlangs we mensen rangschikken en verdelen opzij zet, lijken we veel meer op elkaar dan dat we van elkaar verschillen. We zijn allemaal zeer nauwe verwanten met DNA dat over de hele wereld vrijwel identiek is.

Het kan waar zijn dat we een verbazingwekkend aantal verschillende talen spreken, maar taalkundig gezien zijn de overeenkomsten tussen alle menselijke talen veel groter dan wat hen onderscheidt. Ieder menselijk kind kan elke bestaande menselijke taal leren, als het er vroeg genoeg aan wordt blootgesteld.

De religies waar we zoveel bloedige gevechten over voeren, hebben allemaal gemeenschappelijke thema’s en beelden, symbolen en verhalen, een soortgelijk concept van goed en kwaad, goed en fout. Ik geloof dat een buitenaardse bezoeker die de mensheid observeert, ze nauwelijks uit elkaar zou kunnen houden.

Alsjeblieft, mensen, probeer uit liefde voor de mensheid in gedachten te houden dat we allemaal hetzelfde zijn, ondanks de oppervlakkige verschillen waar we zo aan blijven hangen. We zijn allemaal mensen, allemaal mooi en gebrekkig, allemaal groots en onbeduidend tegelijk. Er zijn geen goede of slechte mensen, alleen mensen die dingen doen die wij als beter of slechter beoordelen. Bedenk dat er veel goede dingen zijn gedaan om twijfelachtige redenen, en vreselijke dingen voor de meest glorieuze idealen.

Onthoud altijd dat onze gedeelde menselijkheid belangrijker is dan ons waargenomen anders-zijn. Als we moeten vechten, laten we dan samen vechten in plaats van tegen elkaar. Laten we ons verenigen om te vechten voor gerechtigheid, gelijkheid, vrede en geluk. En als we zulke gevechten voeren, zorg er dan voor dat ze gaan over de systemen, ideologieën en dogma’s die deze idealen ruïneren, en niet tegen de mensen die gedreven worden door ideeën die een bedreiging vormen voor wat ons dierbaar is. Die mensen zijn wij, gezien vanaf de andere kant. Laten we ze niet haten vanwege de tekortkomingen die we in onszelf al te gemakkelijk negeren.

Over nukkige koningen en kinderachtige tirannen

Ik vraag me vaak af waarom de mensheid de neiging heeft om nukkige koningen en kinderachtige tirannen te kiezen en te volgen; waardoor die niet alleen aan de macht kunnen komen, maar ook in staat worden gesteld weerzinwekkende misdaden tegen de menselijkheid te begaan en hele beschavingen te vernietigen, niet zelden ook die van henzelf.

Je zou denken dat de neiging om slechte heersers te kiezen na verloop van tijd wel uit onze genen zou verdwijnen. Welk evolutionair voordeel kan er schuilen in deze hang naar leiders die meer schade dan goed aanrichten? Toch vallen we keer op keer voor dezelfde types.

Waarom? Welke mechanismen spelen er waardoor deze types niet alleen aan de macht komen, maar hun macht tot belachelijke hoogten kunnen laten stijgen, terwijl hun kinderachtige en destructieve gedrag toch duidelijk zichtbaar is voor elke kritische volwassene?

Omdat dit patroon zo vaak voorkomt in alle beschavingen, vermoed ik dat het diep in ons DNA gecodeerd moet zijn. Ik kan alleen maar speculeren – omdat we niet echt weten hoe ons DNA ons gedrag codeert – dat nukkige koningen en kinderachtige tirannen afhankelijk zijn van een verkeerde inschakeling van verder gezonde en noodzakelijke instincten.

Mensen hebben bijvoorbeeld diepgewortelde ouderlijke instincten, die ons ertoe aanzetten hulpeloze baby’s te beschermen en te verzorgen. Misschien wekken infantiele tirannen datzelfde instinct op, op een overdreven en disfunctionele manier, zoals te grote en onnatuurlijk felgekleurde eieren een fanatieke broedimpuls bij vogels veroorzaken. Dit zou ervoor kunnen zorgen dat we een openlijk kinderachtige en onverantwoordelijke leider willen beschermen en zelfs koesteren.

Een ander patroon dat ik verdenk is ons instinctieve verlangen naar de bovenmenselijke ouder die we verloren toen we opgroeiden en onze ouders ontmaskerd werden als net zo onmachtig en onvolmaakt als iedereen. Er schuilt iets diep troostend in de overtuiging dat onze ouders alwetend en almachtig zijn. Het stelt ons in staat het onschuldige kind te zijn, machteloos maar veilig onder de bescherming van wezens die superieur aan ons zijn.

Misschien verlangen we er allemaal nog steeds naar om dat kind te zijn, vol ontzag buigend voor de wil van onze bovenmenselijke ouders. Dat zou kunnen verklaren waarom we ons aangetrokken voelen tot individuen die openlijk en uitdagend wetten, regels en sociale conventies overtreden. Het zou onverantwoordelijke, opschepperige en arrogante leiders op een vreemde manier aantrekkelijk maken voor het innerlijke kind dat we in onze vroege kinderjaren verloren. Het zou ook verklaren waarom koningen en tirannen door de eeuwen heen altijd zijn afgeschilderd als groter dan levensgroot, dicht bij God of Goden, en in het bezit van magische en mystieke krachten.

David Graeber en Marshall Shalins betogen in hun boek ‘On Kings’ dat we niet willen dat onze koningen en heersers de wet gehoorzamen, maar erboven staan. Een koning die constitutioneel beperkt is, mist die bovenmenselijke, zelfs bovennatuurlijke aantrekkingskracht die een heerser die aan niets en niemand verantwoording aflegt, lijkt te hebben. Als ik zie waar tirannen historisch gezien mee wegkwamen, en dat vaak nog steeds doen, zou dat kunnen komen doordat hun volgelingen behoefte hebben aan iemand die werkelijk boven alle menselijke wetten staat. Dat zou een echo kunnen zijn van wat het machteloze kind in zijn ouders zag voordat ze uit de gratie vielen.

De paradoxale combinatie van deze twee instincten – de drang om onze kinderen te beschermen en te koesteren, veroorzaakt door volwassenen die zich gedragen als te grote peuters en de behoefte aan bovenmenselijke ouderfiguren, veroorzaakt door meedogenloze individuen die openlijk wetten en regels aan hun laars lappen – zou de fanatieke toewijding en verdediging gecombineerd met onvoorwaardelijke gehoorzaamheid kunnen verklaren waarmee destructieve tirannen en zich misdragende koningen zo vaak omringd worden.

Als mijn vermoedens waar zijn, loopt de mensheid voortdurend het risico om door een paar van onze diepste instincten te worden misleid om diep gebrekkige, psychopathische en destructieve individuen te bewonderen, mogelijk te maken en te gehoorzamen. Niet omdat we er bewust voor kiezen, maar omdat onze instincten ons daartoe aanzetten.

Wat kunnen we eraan doen? Zijn we gedoemd om voor eeuwig te vallen voor infantiele bazen en belachelijke heersers?

Ik hoop het niet. Ik geloof dat we meer zijn dan onze instincten. Ik geloof dat we ons zelfbewustzijn en zelfbeheersing kunnen trainen om te herkennen en bij te sturen wanneer onze instincten ons bedriegen en tegen ons worden gebruikt. Ik geloof ook dat we onze cultuur – de gedeelde aannames, gedragingen en verhalen die onze samenleving bovenop onze instincten legt – vorm kunnen geven om ons tegen dergelijk misbruik en bedrog te beschermen. Het betekent wel dat we onze cultuur niet kunnen laten dicteren door degenen die misbruik willen maken van dergelijke manipulatie. We moeten er collectief voor kiezen onszelf te wapenen tegen het misbruik van onze kwetsbare instincten, zodat we minder geneigd zijn blindelings achter heersers aan te rennen die ons op een dwaalspoor brengen.

Op het Randje

Op het randje – ©2017 Bard

Enige tijd geleden schreef ik over de aardige mensen en onaardige systemen die ik tegenkwam toen onze auto midden op een redelijk drukke provinciale weg nogal dramatisch pech kreeg. Vriendelijke onbekenden brachten mijn vrouw en mij veilig thuis; onvriendelijke systemen maakten het ons erg moeilijk om onze mobiliteit terug te krijgen. Het was uitsluitend aan de vriendelijkheid en klantgerichtheid van de garagehouder te danken dat we maar een paar dagen zonder auto hebben gezeten.

Voor mij is dit echter niet het einde van dit incident, maar eerder het begin van een leertraject. Ik probeer altijd te leren van de verstoringen en omwentelingen in mijn leven. Mede om erachter te komen wat ik in de toekomst anders kan doen om te voorkomen dat dezelfde dingen opnieuw gebeuren. Maar ook omdat retrospectief leren zulke incidenten een betekenis geeft die verder gaat dan alleen vervelend, pijnlijk of erger. Het helpt mij om dingen in perspectief te zetten.

Dus toen ik vandaag met de monteur sprak die aan mijn auto had gewerkt, was het eerste wat ik vroeg of ik iets anders had kunnen doen, hetzij om te voorkomen dat de auto defect zou raken, hetzij om veilig van de weg te komen als dat toch gebeurde. Hij verzekerde mij dat ik niets verkeerd had gedaan. Toen hij de auto meenam voor een proefrit nadat hij de boordcomputer had gereset en wat diagnoses had uitgevoerd, vertoonde de auto precies hetzelfde defect, waardoor hij midden op een rotonde strandde. Hij moest door zijn collega’s worden gered temidden van boos toeterende auto’s bestuurd door verwoed gebarende chauffeurs. Het was voor hem wel duidelijk dat de auto de schuld had, niet de bestuurder.

Dus toen werd de vraag: wat zorgt er precies voor dat de auto op deze manier opspeelt? Waarom gebeurt dit? Welk onderdeel is schuldig?

Interessant genoeg legde de monteur uit dat geen van de onderdelen als zodanig defect was; ze deden allemaal wat ze moesten doen en presteerden volgens hun ontwerpspecificaties. Toen ze echter werden samengevoegd, slaagden een aantal componenten er onder zeer specifieke omstandigheden in om een gecombineerde piek in de elektriciteitsproductie te creëren. Die piek activeerde het veiligheidssysteem van de boordcomputer en schakelde alles uit om te voorkomen dat de elektronica kapot zou gaan. Met andere woorden: nominaal correct functionerende onderdelen kunnen, zonder dat een van deze onderdelen defect raakt, een plotselinge ineenstorting van de functionaliteit van het hele systeem veroorzaken; waardoor het in ons geval tot een dramatische noodstop halverwege de reis kwam.

Om een lang verhaal kort te maken (de monteur en ik praatten een aantal uren terwijl we wachtten op de huurauto): wat er mis was met de auto had minder te maken met de onderdelen dan met de manier waarop ze samen functioneerden. Wanneer meer dan een paar onderdelen hun randcondities naderden, kon het resultaat het gecombineerde systeem over de rand duwen.

Wat leert dat ons?

Ten eerste: geen van de onderdelen was kapot. Ze deden allemaal wat ervan verwacht werd. Geen schuld dus. Ten tweede: het systeem als geheel was ontworpen met voldoende fail-saves om grote schade te voorkomen. Dus ook daar geen schuld.

Fail-safe is echter niet hetzelfde als veilig falen. Ik denk dat er veel ruimte is voor verbetering in de manier waarop de auto stopt met functioneren. Door bijvoorbeeld de vergrendelingen van het stuur- en remsysteem handmatig op te kunnen heffen, zou de bestuurder de auto op zijn minst van de weg kunnen duwen zodra deze tot stilstand was gekomen. Misschien had het systeem geleidelijker en eleganter uit kunnen gaan, waardoor de bestuurder meer tijd had om een veilige plek te bereiken om de auto te stoppen. En ik denk dat de waarschuwingssignalen op het dashboard dringend een meer op de bestuurder gericht herontwerp nodig hebbben. De meeste waarschuwingen waren misschien nuttig voor een monteur die probeert vast te stellen wat er mis gaat, maar dat hielp mij niet te begrijpen wat er aan de hand was en hoe ik daar het beste op kon reageren. Een klein voorbeeld: “remsysteem inspecteren” is geen nuttige instructie als je 80 km per uur rijdt en de auto plotseling uit zichzelf begint te remmen.

Ten tweede: toleranties en redundanties kunnen er op papier als verspilling uitzien, maar kunnen een systeem dat onder druk staat, maken of breken. De monteur en ik vermoeden dat sommige onderdelen ondergedimensioneerd waren om kosten te besparen. Hoewel ze technisch gezien binnen de specificaties lagen, hadden ze niet de extra ‘speelruimte’ om verschillende randgevallen op een elegante manier af te handelen.

Tenslotte: complexe systemen, vooral wanneer ze nauw geïntegreerd zijn en vol afhankelijkheden, worden bronnen van onvoorspelbare uitzonderingen. De boordcomputer van onze auto zit vol met op regels gebaseerde software die hem vertelt hoe hij moet reageren op alle bekende uitzonderingen. Maar op regels gebaseerde systemen zijn hulpeloos in het licht van onvoorspelbare gevallen waarin de grenzen worden overschreden op een manier waar geen regels voor zijn. Het zou de verantwoordelijkheid van de ontwerpers moeten zijn om a) de afhankelijkheden tussen componenten te verminderen; b) meer toleranties en redundanties in te bouwen om het vermogen van het systeem om fouten die zich voordoen te herstellen (of elegant uit te gaan) te verbeteren; en c) een interface te bieden die op de bestuurder gericht is, en niet op de auto, om de bestuurder te helpen de auto veilig uit de gevarenzone te krijgen wanneer de systemen falen.

Ik geef de ontwerpers, de fabrikant of de monteurs niet de schuld van wat er is gebeurd. Schuld leert ons niets nuttigs. Maar ik hoop wel dat iemand hier wat van leert en die lessen toepast om een beter resultaat te krijgen dan waar wij onlangs mee geconfronteerd werden.

Afspraak is Afspraak – Over contracten en overeenkomsten

Een paar weken lang hadden we een huurauto in bruikleen in afwachting van de reparatie van onze leaseauto. De huurauto werd geregeld door de dealer en niet, zoals ik had verwacht, door de leasemaatschappij.

Verschillende mensen reageerden op mijn verhaal over de onwil van de leasemaatschappij om ons mobiel te houden nadat onze auto defect was. Een veel voorkomende aanname was dat een leasecontract een DAAS-overeenkomst (Driving as a Service) is. De auto zou er niet toe moeten doen, wat er wel toe zou moeten doen is dat we mobiel zouden blijven.

Dat was eerlijk gezegd ook mijn uitgangspunt toen ik het leasecontract tekende. Om precies te zijn: toen ik de huurovereenkomst tekende, wat een verkorte versie was van het volledige contract. Het volledige contract stond op de website van de leasemaatschappij. Ik herinner me dat ik die destijds wel heb doorgebladerd, maar niet de tijd nam om het hele stuk te lezen, omdat het vele pagina’s lang was en geschreven in het soort kleine lettertjes waar je ogen van tranen en je hoofd pijn van doet.

Het blijkt dat mijn begrip van de overeenkomst die ik met de leasemaatschappij heb gesloten niet helemaal overeenkomt met hun begrip van wat we hebben afgesproken. Het basiscontract is niet veel meer dan een financieringsdeal, met wat extra diensten rondom onderhoud, verzekeringen en een financieel aantrekkelijke manier om na een paar jaar over te stappen naar een nieuwe auto. Terwijl de website en de informele communicatie van de leasemaatschappij vol staan met beloftes rond ‘zorgeloos rijden’, ‘wel de lusten, niet de lasten’, ‘de zekerheid dat alles goed geregeld is’, etc. is het eigenlijke contract overduidelijk zorgvuldig opgebouwd rondom heel wat voorwaarden, uitzonderingen en kanttekeningen die deze beloften ondermijnen. Als ik de tijd en moeite had genomen om het volledige contract te bestuderen voordat ik de overeenkomst tekende, had ik misschien om een andere overeenkomst gevraagd, of was ik naar een andere leasemaatschappij gegaan.

Waar we dus mee zitten is een mismatch tussen mijn begrip van de afspraken en dat van de leasemaatschappij. Wiens schuld is dat? De mijne of die van hen?

Juridisch gezien ligt de schuld natuurlijk bij mij. Hoewel het niet was opgenomen in het papierwerk dat de leasemaatschappij mij stuurde, was het volledige contract met alle clausules en bijlagen online beschikbaar. Ik had dat moeten bestuderen voordat ik de overeenkomst tekende.

Ethisch gezien is het antwoord misschien niet zo eenvoudig. De leasemaatschappij maakte bijvoorbeeld niet bepaald reclame voor het feit dat er achter het eenvoudige overeenkomstformulier dat ik tekende een lang en ingewikkeld contract zat. Er werd alleen naar verwezen in een voetnoot, gedrukt in superkleine lettertjes, onderaan de (grotendeels lege) pagina, verstopt onder hun logo en enkele irrelevante bedrijfsinformatie. Bijna alsof ze probeerden mij ervan te weerhouden het te lezen. En het contract zelf vereiste nauwkeurige lezing en kennis van het Nederlands op hoger onderwijsniveau om volledig te kunnen begrijpen wat erin stond. Sommige zeer slimme advocaten moeten enorm veel plezier beleefd hebben aan het vinden van creatieve manieren om ons essentiële diensten te ontzeggen terwijl ze deze schijnbaar wel beschikbaar stellen.

Ik ben van mening dat een klantgericht bedrijf, een bedrijf dat echt geeft om het welzijn en de tevredenheid van zijn klanten, zich verantwoordelijk moet voelen om ervoor te zorgen dat zijn klanten de afspraken begrijpen waarvoor ze tekenen, vooral als die afspraken complex zijn en makkelijk kunnen leiden tot verkeerde aannames en misverstanden. In dergelijke gevallen zouden morele overwegingen hun zorgplicht moeten bepalen, en niet het gebruik van juridische argumenten die ze een excuus geven om zich niets van de klant aan te trekken.

De Onvriendelijkheid van Vreemde Systemen

Ik was van plan een wat langer vervolg te schrijven op een eerder bericht over aardige vreemde mensen, en enkele voorbeelden toe te voegen van mensen die wat extras deden om ervoor te zorgen dat mijn vrouw en ik veilig thuiskwamen na onze beproevingen veroorzaakt door het plotselinge overlijden van onze auto.

Helaas waren de dagen na die avond gevuld met de tegenovergestelde ervaring: onvriendelijke systemen die praktisch waren ontworpen om ons leven zo moeilijk mogelijk te maken.

Ik zat gevangen tussen vijf of zes verschillende partijen, allemaal bedoeld om ons te helpen de ongelukkige situatie op te lossen waarin we ons bevonden: thuis in een landelijk gebied, ver van het openbaar vervoer, zonder auto voor een periode die dagen of zelfs weken zou kunnen duren. De oplossing lijkt eenvoudig genoeg: als we voor de duur van de reparatie een vervangende auto zouden kunnen krijgen, zou er geen echt probleem zijn. Maar zes partijen, met minstens een dozijn systemen om mee te werken, veranderden dit al snel in een Kafka-esk-labyrint met alleen maar doodlopende wegen.

De leasemaatschappij wees erop dat de auto nog onder de garantie valt, dus is het de verantwoordelijkheid van de leverancier om ons alternatief vervoer te bieden. De leverancier heeft ons doorverwezen naar de dealer die de reparatie uitvoert. De dealer probeerde ons te helpen, maar ontdekte dat zijn systeem hem niet toestaat een auto voor ons te boeken, omdat ik niet als eigenaar van de auto sta geregistreerd, maar de leasemaatschappij wel. De leasemaatschappij vertelt mij vervolgens dat ze onze verzekering kunnen activeren en via hen een claim kunnen indienen. Maar de verzekeraar zegt dat hun systeem pas actie kan ondernemen als er een officiële schadeclaim is ingediend. Ik zou dat graag doen, maar kreeg te horen dat de reparerende dealer de enige was die dat kon doen – nadat hij de reparatie had uitgevoerd. Pas dan kon een vervangende auto worden aangevraagd, maar dat zou dan uiteraard niet meer nodig zijn, omdat de auto dan gerepareerd zou zijn en klaar om aan ons te worden ingeleverd.

Toen de dag om was had ik gesprekken gehad met de leasemaatschappij, de leverancier, de dealer, het sleepwagenbedrijf, de verzekeraar en een autoverhuurbedrijf… en telkens liep ik vast op soortgelijke systemische kwesties. Het resultaat was dat er die dag nog niets definitief besloten was. Met zoveel onaardige systemen die obstakels op ons pad wierpen, kon het dagen duren voordat we een oplossing hebben.

Ik was er zeker van dat het uiteindelijk vanzelf wel goed zou komen. Maar wat opvalt is het verschil tussen de vriendelijke vreemdelingen die bereid zijn de regels te omzeilen om ons te helpen en ons veilig thuis te brengen, en de onvriendelijke systemen die de boel in de war brengen. Ik kan alleen maar aannemen dat hun onvriendelijkheid niet opzettelijk is. Ik heb ook geen klachten over de operators met wie ik heb gesproken. Die deden allemaal hun uiterste best om een oplossing te vinden. Maar elk systeem is ontworpen om een klein deel van een veel grotere puzzel op te lossen, zonder echt inzicht in de totale complexiteit. Gebouwd rond aannames, en op die aannames gebaseerde regels, die een nog kleiner deel van de puzzel bestrijken: het deel waarin alles volgens plan verloopt. Wat het toch maar zelden doet.

Ik Worstel Met Mijn Culturele Erfgoed

Het lijkt een onvermijdelijke waarheid dat wij gedefinieerd worden door waar we vandaan komen: ons land, onze stad, onze religie, onze opvoeding, onze cultuur… Zoveel krachten vormen en beperken ons, kneden en bewerken ons, verfijnen en versterken ons, dat ik me soms afvraag of er iemand is die kan zeggen dat ze werkelijk zichzelf zijn: echt hun eigen individuele zelf, in plaats van een mengelmoes van alles dat ons met de paplepel werd ingegeven vanaf het moment dat we geboren werden. Misschien is wat we ons ‘zelf’ noemen niet meer dan het zichtbare bijproduct van gedachten, overtuigingen, en gedragingen die drijven op het koor van stemmen uit ons verleden – niet iets dat we kunnen claimen als ons eigen, maar iets dat ons claimt voor zichzelf en haar gevoel van identiteit. “Je bent wat wij van je gemaakt hebben” lijken de stemmen uit het verleden te zeggen, “je kan je culturele erfgoed niet ontsnappen.”

En daarin schuilt voor mij een dilemma, een worsteling die steeds meer naar de voorgrond treedt naarmate ik me geroepen voel om mijn eigen stem te vinden; een stem die authentiek voelt; een stem waar ik trouw aan kan zijn omdat het voelt als de stem die ik zou kiezen als ik vanaf het begin mijn eigen identiteit had kunnen scheppen. Ik zoek al jaren naar die ene ware stem van binnen door systematisch alle invloeden te isoleren die ik met zekerheid kon aanwijzen als komend van buiten mijzelf, die te bestuderen, en te besluiten welk deel van die invloeden ik me toe aangetrokken voelde, of juist geen deel meer van wilde zijn. Mijn hoop is altijd geweest dat door het verwijderen van alles waar ik me bezwaard door voelde, alles dat niet volledig juist en passend voelde, ik uiteindelijk die delen zou overhouden die mij compleet juist en eigen voelden: mijn eigen ware en authentieke stem.

Maar is dat wel mogelijk? Zijn de voorkeuren die mij leiden in het kiezen van wat ‘waar’ voelt net zo goed een product van al die stemmen uit het verleden als de stemmen waar ik uit probeer te kiezen. Kan ik mijn keuzes wel als mijn eigen keuzes beschouwen?

En waarom zou ik me daar druk over maken?

Wat is er mis met het loslaten van dat ongrijpbare ‘ware’ zelf waar ik naar zoek en gewoon de zelf accepteren die is me is meegegeven? Wat is er mis met een product zijn van mijn verleden, mijn opvoeding, mijn cultuur, en mijn geschiedenis? Waarom zou ik niet gewoon tevreden zijn met de verzamelde wijsheid en ervaring van alle generaties die voor mij kwamen; de ontelbare mannen en vrouwen die leefden, worstelden, en stierven zodat ik op een dag geboren kon worden en zijn wie ik nu ben? Ben ik niet ondankbaar en zelfzuchtig door het anders te willen?

Dat is mogelijk. Misschien zit er waarde in het gewoon accepteren van de wijsheid van het verleden en het collectieve geheugen van mijn voorouders en de cultuur waarin ik ben opgegroeid. Misschien kan ik beter mijn obsessie met een individu zijn loslaten, mijn ego accepteren voor wat het is, en meegaan met de stroom van mijn sociale omgeving.

Maar … en daarin zit voor mij de worsteling … mijn culturele erfgoed is een mengelmoes van grote daden en vreselijke misdaden, helden en schurken, wijzen en dwazen, verdiensten en kwaadaardigheid, hebzucht en gulheid, engelen en demonen, alles dooreen geweven tot een ingewikkeld tapijt van tegenstellingen, onverenigbare aannames en twijfelachtige zekerheden die ik zie als ik naar ‘mijn’ cultuur kijk.

Symbool van grootsheid en genialiteit, of van wreedheid en onderdrukking? Of misschien van allebei?
Symbool van grootsheid en genialiteit, of van wreedheid en onderdrukking? Of misschien van allebei?

Wordt ik dan geacht gedachtenloos alles van dit erfgoed te accepteren? Moet ik de vreselijk daden van de schurken uit onze geschiedenis toejuichen en ze helden noemen omdat dat is hoe ze gezien werden door geschiedschrijvers uit vroeger tijden? Moet ik onvoorwaardelijk trots zijn op mij land’s vroegere prestaties en verzamelde welvaart, ook als ik weet dat deze prestaties ongekend en amper voorstelbaar leed hebben veroorzaakt aan miljoenen arme zielen die de pech hadden aan de verkeerde kant van de geschiedenis geboren te worden? Wordt ik geacht mijn cultuur’s zelfingenomenheid en zelfverheerlijking over te nemen, ook als een snelle blik op de feiten laat zien dat er evenveel fout is als goed aan onze waarden en gebruiken, evenveel gestolen en toegeëigend als werkelijk zelf voortgebracht door onze eigen voorouders?

Ik denk het niet.

Ik denk dat het volmaakt redelijk is dat een individu kijkt naar zijn of haar cultuur en geschiedenis, dat mengsel van goed en slecht kritisch onderzoekt, en dan persoonlijke keuzes maakt over wat te behouden en waar afstand van te nemen. Dat zou niet alleen moeten worden toegestaan, het zou actief moeten worden aangemoedigd, zodat onze cultuur kan leren zichzelf te verbeteren door de bewuste keuzes die haar leden maken geleid door hun geweten.

Maar zo werkt het niet helemaal. Toch?

In werkelijkheid worden leden van een cultuur (of dat een team is, een bedrijf, gebied, land, etnische groep, of zelfs een werelddeel), zodra ze openlijk kanttekeningen durven te plaatsen bij de historische daden en impliciet aangenomen superioriteit van die cultuur, onvermijdelijk geconfronteerd met felle tegenstand van hun mede cultuurgenoten. Simpelweg door niet blindelings alles te accepteren wat hun cultuur bevat, lijkt het, plaatsen zij zichzelf zo niet geheel buiten dan toch zeker aan de buitenrand van die cultuur. En vanaf die rand is het maar een kleine stap om geheel te worden uitgestoten en verbannen. Blijkbaar hebben wij – als soort – zoveel behoefte aan een collectieve identiteit waar we ons deel van kunnen voelen dat zelfs de simpele daad van vragen stellen over iets dat met die identiteit te maken heeft al aanvoelt als een aanval op ons leven. Om onze collectieve identiteit te beschermen moet de twijfelaar tot buitenstaander gemaakt worden, en vervolgens verontmenselijkt, tot “de ander” gemaakt, gekleineerd, en duidelijk gemaakt worden dat ze het niet verdienen deel te zijn van de culturele identiteit die ons sterk, veilig en bijzonder doet voelen.

Ik denk dat ik die instinctieve reactie die dit felle defensieve gedrag aanstuurt wel begrijp. En ik wil ook mensen niet onnodig tegen me in het harnas jagen of er de oorzaak van zijn dat ze zich minder veilig en minder bijzonder voelen. En ik wil ook oprecht de goede dingen die mijn culturele erfgoed te bieden heeft bewonderen; de heroïsche daden uit het verleden erkennen, de offers die onze voorouders brachten, de overwinningen, en de pure wilskracht en vastberadenheid om te overleven en de floreren. Ik wil leren van en leunen op de wijze en heilige mannen en vrouwen die hun cultuur boven het puur materiële en dagelijkse uittilden en ons wetenschap, filosofie, spiritualiteit en moraliteit brachten.

Maar het schijnt dat men de zegeningen van zijn verleden niet kan ontvangen zonder ook haar smetten aan te nemen. Als ik moet geloven wat er in de culturele debatten om me heen beweerd wordt, kan je – cultureel gezien – niet selecteren en kiezen. Je bent met ons of tegen ons. Elke poging tot onderscheidingsvermogen, tot het stellen van vragen, tot het wijzen op de duistere kanten van onze cultuur maakt automatisch ons lidmaatschap van die cultuur ongeldig. Door mijn pogingen selectief te zijn heb ik blijkbaar het recht verloren op een plaats binnen in die cirkel.

Ik ben ook een mens. Ik wil net zo goed trots zijn op alle krachten die me gevormd hebben en me gebracht hebben waar ik nu ben. Ik will ook dankbaarheid en respect tonen jegens de ontelbare generaties die leefden, leden, en stierven zodat ik mijn moment onder de zon kan beleven. Maar ik kan dat niet onvoorwaardelijk en ik kan niet stomweg de duisternis die er ook is negeren. En dus worstel ik met mijn culturele erfgoed: er deel van willen zijn, ervan leren en voordeel van hebben, maar blijkbaar door die cultuur zelf gedoemd te zijn er buiten te staan omdat ik het lef heb er kritische kanttekeningen bij te plaatsen.

Maar als er een ding is dat ik zeker weet is dat ik nooit zal stoppen met vragen stellen.

Het ‘Profiteurs’ Probleem

Als het onderwerp van hulp bieden aan de minder fortuinlijken en minder bedeelden ter sprake komt is er vrijwel altijd wel iemand die het ‘profiteurs’ probleem ter tafel brengt: dat er mensen zijn die misbruik maken van zulke hulp en er onverdiend van profiteren, ten koste van diegenen die de hulp aanbieden. Ik wil niet ontkennen dat zulke mensen bestaan en dat zij een belemmering vormen voor mensen die oprecht hulp willen bieden aan mensen die dat nodig hebben. Maar is dat werkelijk een reden om zulke hulp dan maar helemaal niet aan te bieden? En misschien is het nog belangrijker om een moment stil te staan bij de vraag of de mensen die misbruik maken van de hulp van mensen die het beter hebben dan zij de enige ‘profiteurs’ zijn in deze vergelijking, en of we ons wel zorgen maken over de juiste profiteurs.

Ik geloof dat de meeste mensen goed willen zijn en goed willen doen. En dat de meeste mensen hulp willen bieden aan mensen in nood. Er is voldoende bewijs dat het helpen van anderen meer is dan alleen een cultureel gebod – een aangeleerd gedrag – maar een veel dieper, haast instinctief gedrag, genetisch in ons geprogrammeerd omdat het goed is voor het overleven van de mens als soort. Toch zien we om ons heen veel mensen in nood, velen die geen hulp krijgen, en veel welgestelden die hun welvaart niet echt vrijelijk delen met anderen. Waarom?

Een van de verklaringen die vaak gegeven wordt is dat het helpen van anderen gegarandeerd leidt tot misbruikt worden. Of de hulp nu komt van individuen of van een collectief (zoals de staat), zo gaat deze redenering, mensen zullen altijd misbruik maken van alles wat ze te makkelijk gegeven wordt, en er onterecht van profiteren, ten koste van de de gulle gevers. Dit wordt ook wel het ‘profiteurs’ probleem genoemd, en gebruikt om te beargumenteren dat we niet zomaar hulp kunnen bieden aan mensen in minder fortuinlijke omstandigheden.

Profiteurs zijn niet te vermijden, wordt er beweerd, en zouden profiteren van de zuurverdiende welvaart van andere mensen, zonder zelf iets bij te dragen of ervoor terug te geven. Het is vanwege deze profiteurs dat we niet van hardwerkende mensen kunnen verwachten dat ze hun welvaart zomaar met iedereen zouden delen: dat zou oneerlijk zijn. In plaats daarvan moeten we zeer voorzichtig zijn met hulp verlenen, en er voor zorgen dat de ontvangers duidelijk voelen dat ze op geen enkele wijze recht hebben op die hulp, zich schuldig zouden moeten voelen dat ze het nodig hebben, en op die manier actief worden ontmoedigd om erom te vragen.

Het droeve feit is dat deze redenering geen onderscheid maakt tussen mensen die gewoon hulp nodig hebben; die in moeilijkheden zitten zonder daar iets aan te kunnen doen; die eenvoudigweg aan het kortste eind trokken in de loterij van het noodlot; en de – naar mijn idee – minderheid die liever misbruikt maakt van de naïviteit en goedheid van andere mensen dan zelfs maar halfslachtig te proberen zelf iets van hun leven te maken. En dus wordt er geen hulp gegeven, vanwege een generalisatie die zwaar onrecht doet aan een grote groep mensen.

Maar er ligt nog een andere aanname onder het profiteurs probleem en de manier waarop het gebruikt wordt om hulp aan minder bedeelden te ontmoedigen. En dat is de aanname dat het altijd de zwakkeren zijn die proberen te profiteren van de sterkeren, de armen van de rijken, de zieken van de gezonden. Het is tenslotte toch zo dat de zwakkeren nodig hebben wat de sterkeren in ruime mate voorhanden hebben, dus zijn de zwakkeren de enige die voordeel kunnen ontlenen aan deze fundamentele ongelijkheid.

Dat is een gevaarlijke aanname, en een denkfout.

Gevaarlijk omdat het hulpbehoevenden niet alleen afschildert als zwak maar ook nog als afgunstig. Ze zijn niet alleen behoeftig, ze zijn ook hebberig – en begeren zaken die ze niet verdiend hebben. Een denkfout omdat in werkelijkheid de richting van het misbruik net zo makkelijk de andere kant op kan zijn. Het is makkelijker voor de rijken om de armen te benadelen dan andersom; makkelijker voor de gezonden om te profiteren van de zieken; en makkelijker voor de machtigen om de machtelozen te onderdrukken en zwak te houden.

Er zijn minstens evenveel, zo niet meer – omdat het makkelijker is – profiteurs onder de beter bedeelden dan onder degenen die behoeftig zijn. Mensen die misbruik maken van de tegenspoed van anderen; slavenhouders die zich verrijken aan het lijden van mensen die hun vrijheid niet kunnen verdedigen; industriëlen die de werkende massa’s dwingen om akelige, lange uren te zwoegen in gevaarlijke, lichtloze fabrieken, omdat die mensen geen andere bron van inkomsten hebben; farmaceutische bedrijven die enorme winsten onttrekken aan mensen die wanhopig zoeken naar genezing; banken die profiteren van mensen die zijn getroffen door natuurrampen of economische achteruitgang; … de lijst gaat maar door. En denk niet dat ik slechts praat over een kleine groep van kwaadwillige mensen die we zouden kunnen nawijzen en beschimpen om hun hebzucht en gierigheid. Als we een eerlijke blik op onszelf werpen, onze Westerse beschaving, onze welvaart en relatieve overmacht, hoeveel van wat we tegenwoordig beschouwen als ons geboorterecht en het product van het harde werk en de gewiekstheid van onze voorouders was in werkelijkheid gestolen, onder dreiging van geweld of erger, van mensen die zich niet konden verdedigen?

En daarom zijn hier mijn drie redenen om het profiteurs probleem te verwerpen als een reden om hulp aan mensen die het nodig hebben te beperken of te stoppen:

  1. Psychologisch, wanneer je de angst voor tekorten en gebrek aan macht kan overwinnen, is er meer geluk te vinden in geven dan in ontvangen of vergaren. Door je aan je eigen weelde vast te klampen misgun je jezelf een kans om dat geluk te ervaren;
  2. Onder de mensen die hulp zoeken heeft de meerderheid echt hulp nodig, en is slechts de minderheid een pure profiteur. De meeste mensen vinden het helemaal niet prettig om om hulp te vragen, en zullen lang aarzelen om daartoe over te gaan, tenzij ze voelen dat ze geen andere keuze hebben. Door zonder onderscheid iedereen die om hulp vraagt af te doen als een profiteur doe je vrijwel iedereen onrecht aan, niet alleen door niet te helpen, maar door hun geestelijk lijden nog te verergeren met de last van zich hulpeloos en ongewenst voelen;
  3. Als je deel bent van de rijke bovenlaag in onze samenleving, ben je waarschijnlijk zelf een profiteur, en maakt op oneerlijke wijze misbruik van vele mensen in de rest van de wereld; mensen die worden uitgebuit en onderdrukt om jou te voorzien van de weelde en luxe waarmee jij je zo makkelijk omringt. Je doet dat waarschijnlijk niet eens met opzet, en bent wellicht in principe tegen zulke praktijken, maar omdat onze maatschappij op deze praktijken gebaseerd is en jij deel bent van haar systemen, heb je er wel degelijk profijt van, en dus ben je impliciet medeplichtig. Dus is het minste dat je doen kan meer van dat profijt te delen met meer mensen in nood. Daarmee help je dit oneerlijke voordeel te verminderen en ten minste een deel van de pijn en het lijden dat dit voordeel veroorzaakt te verzachten.

Sharing can be messy, but it's much more fun.
Sharing can be messy, but it’s much more fun.

1

En dat, beste lezers, is mijn afscheidsmotto voor dit jaar: durf om mensen te geven en aan mensen te geven. Daar wordt de hele wereld beter van.

  1. (Image by Kathy on Flickr – published under the Creative Commons Attribution-Share Alike 2.0 Generic license)

Over Succes

Of het nu wel of niet verdiend is, succes is geen objectief meetbare toestand. Het is een constructie van de menselijke geest, en wordt alleen ervaren door iemands huidige omstandigheden te vergelijken met een mentaal model van hoe succes er uitziet. Een manier om succes te bereiken is door te proberen dat model te evenaren of te overtreffen. Een andere manier zou zijn het model aan te passen om het meer op de werkelijkheid van vandaag te laten aansluiten.

Ik heb diverse reacties ontvangen op mijn vorige blog over geluk. Sommige steunden mijn hoofd-stelling dat succes meer geluk dan verdienste is; anderen wezen erop dat kansen krijgen alleen niet voldoende is: zonder voorbereiding, vaardigheden, en hard werk worden kansen makkelijk gemist of verspeeld. En er was ook de opvatting dat een mens zijn/haar eigen geluk creëert: dat geluk op de een of andere manier beïnvloed wordt door de houding of acties van het individu, en niet slechts het willekeurige effect is van een mechanisch, ongeïnteresseerd universum.

Ik ben het niet oneens met de opvatting dat kansen alleen geen garantie zijn voor succes. Een kans is het potentieel, een mogelijkheid, die je door hard werken en toewijding tot realiteit kan maken. Met andere woorden: er is verdienste in het ten volle benutten van de kansen die zich aandienen – dat deel van succes kan als verdiend beschouwd worden. Maar maken wij werkelijk ons eigen geluk? Geeft Vrouwe Fortuna werkelijk de voorkeur aan de dapperen en beter voorbereidden onder ons? Of is dat het verhaal dat we onszelf vertellen om ons het gevoel te geven dat we toch iets van macht hebben over wat ons toevalt?

Natuurlijk is het fijn om te horen dat je je succes aan jezelf te danken hebt. Dat is een prettig compliment om te ontvangen en ik weet ook dat de mensen die me dat vertelden het echt menen, en dat stel ik zeer op prijs. Maar er zit een keerzijde aan dit compliment, een onuitgesproken implicatie (die Jos in haar commentaar benoemd) waar wij ons bewust van moeten zijn en voorzichtig mee moeten omgaan, omdat het voor veel mensen een onbedoelde bron van lijden blijkt te zijn. Ik heb het hier over het idee dat als succes verdiend is het uitblijven van succes dat ook is. Wat zou betekenen dat de miljoenen mensen die geen succes hebben (tegen welke maatstaf – maar daar kom ik nog op terug) dat gewoon aan zichzelf te danken hebben.

Dat voelt voor mij niet juist, en ik geloof ook niet dat dit het geval is. Deze opvatting leidt ook gemakkelijk tot een gevoel van het ‘recht hebben op’ succes in succesvolle mensen dat in de weg kan staan van hun empathie en compassie met de minder fortuinlijke mensen in de wereld. Het is dit ‘entitlement’ effect, denk ik zelf, dat een op zich inspirerend bedoeld concept als ‘the American Dream’ in een duistere nachtmerrie kan veranderen voor diegenen die er geheel buiten hun eigen schuld niet aan mee kunnen doen.

Het eerste punt dat ik dus hier wil maken is alle succesvolle mensen ertoe aan te sporen van tijd tot tijd stil te staan bij het ongelofelijke geluk dat ons gebracht heeft waar we nu zijn; ons gevoel van recht hebben op succes en tevreden zijn met onszelf iets te temperen; en te realiseren dat er niet zo heel veel afstand is tussen succes en falen als we vaak denken. “There, but for the Grace of God, go I” zeggen ze in het Engels, en – ook als je niet in God gelooft – kan het geen kwaad om dat af en toe toe overdenken.

Maar wat moeten al die mensen die geen succes hebben dan doen? De mensen die vinden dat ze gefaald hebben. Die blijven zitten met de slechte hand die het Lot ze heeft toebedeeld? Ik denk niet dat het die mensen veel helpt om zichzelf te vertellen dat het succes dat ze bij anderen zien onverdiend is. Integendeel: niet alleen maakt ze dat niet minder ontevreden met zichzelf, het kan gemakkelijk leiden tot bitterheid en afgunst ten opzichte van de succesvolle mensen om hen heen.

Voor al die mensen die voelen dat ze onsuccesvol zijn, overweeg eerst het volgende: welke maatstaf hanteer jij om te bepalen dat je geen succes hebt? Succes is geen absolute toestand, met duidelijke en onveranderlijke criteria; waar succes uit bestaat hangt af van welke definitie je hanteert, en die definitie verschilt per persoon.

Succes is subjectief en ook nog eens zeer beïnvloedbaar door de mensen om ons heen. We zijn geneigd om onze eigen situatie te vergelijken met die van andere mensen en dan te gaan wensen dat wij ook ‘krijgen’ wat zij blijkbaar ‘hebben’.

En dat is waar we onszelf onbedoeld veel onnodig lijden aandoen.

Om te beginnen: wat andere mensen hebben is misschien niet het beste model om ons eigen succes aan af te meten. Daardoor laten we ons misschien verleiden door iets dat eigenlijk niet geschikt is voor ons, en niet past bij onze omstandigheden en mogelijkheden. We richten ons misschien op iets dat – mochten we het werkelijk bereiken – ons niet gelukkig maakt of voldaan laat voelen. We kunnen ons ook vergissen in de aard van het succes van anderen, en iets als voorbeeld nemen dat niet echt bestaat. Als we dan onze tijd, energie en passie besteden aan wat we ten onrechte als succes gedefinieerd hebben, worden we vrijwel zeker teleurgesteld.

Het andere nadeel van het kijken naar andere mensen voor onze definitie van succes is dat wij de neiging hebben mensen als rolmodel te kiezen die het beter hebben dan wij. We verhogen de lat voor onze maatstaf voor succes, om vervolgens te concluderen dat we tekort schieten. En dan voelen we ons ongelukkig omdat we denken dat we hebben gefaald.

Succes bij elke maatstaf
Succes bij elke maatstaf

Zelf heb ik ondervonden dat een regelmatig kritisch beschouwen van mijn eigen definities van succes een belangrijke bijdrage kan leveren aan een meer gebalanceerd, meer bevredigend, en misschien ironisch, meer succesvol leven. Toen het me duidelijk werd dat succes iets is dat ik zelf definieer, kon ik gaan werken aan het aanpassen van mijn definities aan mijn eigen standaards, niet die van andere mensen.

Maar ook ontdekte ik dat inplaats van alleen op te kijken naar anderen, het ook belangrijk is om te kijken naar mensen die minder fortuinlijk zijn dan ik, en me te realiseren dat voor heel veel mensen veel van de dingen die ik als vanzelfsprekend beschouw het toppunt van succes zouden zijn.

Om maar iets te noemen: ik ben redelijk gezond, heb eten op tafel, een huis om in te wonen, vrienden en geliefden om me heen. En ik woon in een land dat niet in oorlog is, welvarend is, democratisch en vrij. Elk van die dingen is vrijwel zeker iemands definitie van succes.

Dus, wanneer je jezelf niet succesvol (genoeg) voelt, val allereerst niet in de valkuil van geloven dat je geen succes verdient. Succes is wispelturig en weerbarstig, soms komt het, soms komt het niet. En kijk dan ook naar hoe jij je eigen succes eigenlijk definieert; welk model je gebruikt om jezelf aan te meten en op te richten. Als dat model je pijn en teleurstelling brengt, waarom zou je het dan niet een beetje bijstellen? Laat het beter aansluiten bij de voordelen van je huidige situatie. Er zijn altijd dingen om dankbaar voor te zijn. En hoe meer je juist die dingen de standaard voor je succes kan maken, hoe meer succesvol je je zal voelen.

Over Geluk

Wij mensen zijn gauw geneigd onze successen toe te schrijven aan onze harde werk en wijze besluiten, en de elementen van toeval en omstandigheden minder zwaar te laten wegen.

Kijkend naar mijn eigen geschiedenis met al haar ups en downs zou het niet moeilijk voor me zijn – nu alles op z’n pootjes terecht is gekomen – om te denken dat het allemaal te danken is aan mijn harde werken, doorzettingsvermogen, en goede karakter, en dat ik alleen daardoor in staat geweest ben die ene kleine kans om te zetten in een succesverhaal. In werkelijkheid echter waren er natuurlijk zo veel factoren waar ik absoluut geen controle over had dat het allemaal net zo makkelijk in een compleet fiasco had kunnen eindigen. In alle bescheidenheid moet ik toegeven dat ik ongelofelijk veel geluk heb gehad en uiteindelijk ben uitgekomen waar ik nu ben door een “series of fortunate events” waar ik feitelijk zelf geen krediet voor kan claimen.

Natuurlijk kwamen hard werken en doorzettingsvermogen goed van pas om op koers te blijven toen de omstandigheden beter werden. Maar vergeleken met het toeval van toevallig op de juiste plaats op het juiste moment de juiste mensen tegen te komen, was mijn harde werk op z’n hoogst maar een klein onderdeeltje van mijn uiteindelijke succes.

Uiteraard zou ik graag zeggen “ik heb succes omdat ik het verdien”. Dat geeft me een goed gevoel over mezelf. Maar in alle eerlijkheid staat “ik heb succes omdat ik ongelofelijk veel geluk gehad heb” heel wat dichter bij de waarheid.