De Leeuwin

Leeuwin met welpen
Leeuwin met welpen

Al dagenlang reed hij door een eindeloze woestijn.

De weg was goed onderhouden en bijna compleet recht maar het landschap was dor, vlak en bijna compleet ontdaan van kenmerken waar het oog zich op zou kunnen richten. Geen bomen, geen heuvels, zelfs geen rotsblokken. Alleen zand, gruis, en kort, stekelige plukjes gras die zich uitstrekten zover zijn oog kon zien.

Deze eentonigheid maakte het bijzonder moeilijk het gevoel te houden dat hij vooruit ging. Zijn dashboard zei hem dat hij ruim 120 kilometer per uur reed. Toch was er geen enkel verschil te zien tussen waar hij nu was en waar hij een uur geleden voorbij reed. Voor zijn gevoel had hij dus net zo goed stil kunnen staan.

Dit maakte hem onrustig, dus ging hij gaandeweg steeds harder rijden. Zonder dat hij er zelf erg in had was zijn snelheid al opgelopen tot boven de 150 kilometer per uur. Maar nog steeds leek de wereld om hem heen stil te staan als het bevroren beeld van een vastgelopen film.

———

Ineens, als uit het niets gekomen, liep er iets op de weg, een paar honderd meter voor zijn auto. De fracties van seconden die hij nodig om te registreren dat daar daadwerkelijks iets liep werden hem noodlottig. Tegen de tijd dat hij begon te remmen wist hij dat het al te laat was: zijn wielen blokkeerden, zijn banden verloren hun grip op de weg en in een moment dat wel een eeuwigheid leek te duren raakte de neus van de auto met een misselijkmakende klap het grote dier dat daar liep. Die werd door de klap omhoog gesmeten, over de motorkap heen tegen de voorruit. Heet glas versplinterde tot een matglazen mist van duizenden fragmenten maar bleef wonderbaarlijk genoeg als één geheel op haar plek zitten. Het dier stuiterde nog een keer op het dak en gleed door over de achterbak om op de weg achter hem tot stilstand te komen.

———

Het was ineens doodstil.

De motor was afgeslagen. Het aanhoudend gesuis van de wind tegen zijn voorruit was stilgevallen. Alleen het tikken van de afkoelende motor klonk als het aftellen van een bommechaniek dat zijn wereld zou doen ontploffen als het de nul bereikte. Zijn hart bonkte in zijn borst en hij voelde hoe het zweet over zijn voorhoofd en wangen droop.

Hij dwong zichzelf om adem te halen om zichzelf zo weer een beetje onder controle te krijgen. Met trillende handen maakte hij zijn veiligheidsgordel los, opende het portier en stapte uit de auto. Hij moest zich aan het portier vasthouden om niet om te vallen, zo wankel stond hij op zijn benen.

Met schuifelende passen liep hij naar de achterkant van de auto.

Daar lag ze. Een meer dan mansgrote leeuwin, uitgestrekt op het stoffige wegdek. De vreemde hoek waarin haar achterpoten lagen ten opzichte van de rest van haar lijf duidden op een gebroken rug. Ook haar kop lag op een onnatuurlijke wijze op de weg; als die van een handpop waar geen hand meer in zat om het hoofd op z’n plaats te houden.

Hij ging er van uit dat geen levend wezen zo’n klap kon overleven en zag ook geen beweging in het neergesmeten lijf. Maar toen hij tegenover de imposante leeuwinnenkop stond zag hij dat ze haar ogen open had en hem strak aankeek zodra hij in haar blikveld kwam.

Haar gele kattenogen staarden hem aan met een hypnotiserende aantrekkingskracht. Hij wilde niet kijken maar kon zijn blik niet van de hare losmaken. Hoe langer hij keek hoe meer hij voelde dat de stervende leeuwin met hem communiceerde. Hij voelde eerst haar pijn, de schok van de totaal onverwachte klap en het breken van haar rug en nekwervels. Daarna de doffe klap op het wegdek en haar besef dat ze aan het sterven was.

Maar ze wilde niet sterven. Ze kon niet sterven. Ze had een taak te volbrengen. Zonder haar verzorging zou geen van haar veel te jonge welpen het overleven. Haar bloedlijn zou hiermee uitsterven en daarmee de laatste link naar haar verre voorouders die vele millennia lang over deze savanna’s geheerst hadden.

Toch wist ze dat haar dood niet te vermijden was. Met elke beweging stroomde de levenskracht uit haar lichaam.

Met een schier onmogelijke krachtsinspanning bond ze haar levenskracht aan de zijne, vermengde ze, smeedde ze aaneen. Toen pas verslapte ze, en terwijl de laatste lucht uit haar longen stroomde doofde het licht en stierf ze voor zijn ogen.

———

Er ging een schok door zijn lichaam. Hij zakte neer op handen en voeten. Het was alsof een bovenmenselijke hand hem aan het kneden was om twee vormen – zijn eigen menselijke vorm en die van de zojuist gestorven leeuwin – te dwingen één geheel te worden. Alles in hem werd vervormd, uit elkaar getrokken, samengeduwd, verschoven, gebroken en op nieuwe manieren aan elkaar gesmeed. Hij wilde het uitschreeuwen van de pijn maar zijn al evenzeer vervormde keel wist geen ander geluid voort te brengen dan een soort gekweld gegrom.

Ineens was die kwelling voorbij. Nog steeds op handen en voeten hijgde hij van uitputting en verwarring. Hij probeerde op te staan maar merkte dat zijn nieuwe vorm dat onmogelijk maakte. Hoewel hij nog vaag zijn menselijke vorm kon voelen in zijn spieren en botten, voelde hij dat hij meer leeuw dan mens was. Meer leeuwin dan man ook: zijn geslacht was verdwenen en hij/zij had nu vier gezwollen tepels, vol met melk om zijn/haar welpen mee te voeden.

Haar welpen!

Alles wat zich nog vastklampte aan zijn menszijn werd overspoeld en overrompeld door een onweerstaanbare, diep-instinctieve drang om haar welpen te bereiken om ze te voeden en te beschermen. Haar eigen leven telde niet, alleen dat van haar welpen.

Eerst nog onwennig maar al snel verrassend soepel begon ze te rennen. Ze rende in de richting van een kleine groep rotsblokken in de verte met daaromheen wat laag struikgewas. Het was de enige schuilplaats in de weids-open vlakte. Hoewel het beschutting bood voor haar welpen was het ook een voor de hand liggende plek voor kwaadwillende rovers om op zoek te gaan naar prooi. Ongerust legde de ze laatste kilometer op volle snelheid af.

Bij de rotsen aangekomen zag ze eerst niets. Bijna panisch begon ze haar welpen te roepen met dat lage grommende geluid dat zijn stem had vervangen. Het duurde gelukkig niet lang voor de eerste van haar welpen haar roep met gepiep beantwoordde. En al snel was ze omringd door vier welpen, amper twee weken oud, die blij om haar heen kropen en van enthousiasme over elkaar heen vielen om door haar beroken en schoongelikt te worden.

Het diep-gelukkige gevoel van de moeder leeuwin die haar welpen begroette deed hem pas goed beseffen wat hij veroorzaakt had door haar dood te rijden. Hij voelde zijn hart breken en de moederliefde door de barsten zijn hart binnenstromen en hem compleet overweldigen. Hij kon niet anders dan zich eraan overgeven. Hij wist dat hij zijn leven zou geven om die welpen tot zelfstandige jonge leeuwen te zien opgroeien.

Grommend van tevredenheid liet zij zich op haar zij vallen zodat de welpen konden drinken. Een diep gevoel van geluk doorstroomde haar toen ze voelde hoe de welpen één voor een haar tepels vonden en zich gretig begonnen vol te drinken. Hij laafde zich aan dit geluksgevoel zoals de hongerige welpen aan haar melk. Hij realiseerde zich dat hij zich in zijn hele leven nog nooit zo compleet had gevoeld als nu met haar welpen hangend aan haar lichaam.

———

Zo begon er een periode van constante zorg en verzorging.

Haar instincten volgend zorgde zij dat de welpen uit het zicht bleven van mogelijke roofdieren door ze regelmatig te verplaatsen naar nieuwe schuilplaatsen rondom en onder de rotsblokken en struikgewas. Ze liet ze vrijwel nooit alleen, behalve om haar behoefte te doen ergens ver bij hun schuilplaats vandaan om geen onnodige aandacht te trekken van ongewenste bezoekers.

Toen ze nog leefde moest ze er regelmatig op uit trekken op zoek naar voedsel maar nu ze bestond in een geleend lichaam wist ze dat jagen geen zin had. Ze miste de kracht en de souplesse om een prooi te vangen en te doden. Gelukkig was er een kleine waterbron tussen de rotsen maar voedsel zou er niet zijn. Ze bereidde zich daarom al voor op een zware strijd om zoveel mogelijk van hun gecombineerde levenskracht aan haar welpen door te geven voor ze aan de honger zou bezwijken. Ze hoopte dat het genoeg zou zijn om haar welpen een redelijke kans te geven maar ze was er niet gerust op.

———

Na een aantal dagen begonnen de effecten van haar voedseltekort voelbaar te worden. Ze begon de kracht te verliezen om haar welpen goed te verzorgen. Ze kon ze steeds minder ver verplaatsen waardoor de kans op ontdekking gaandeweg groter werd. Ze voelde ook haar melkproductie afnemen. Haar welpen groeide snel en hadden juist steeds meer melk nodig, niet minder. In plaats van voldaan in slaap te vallen na het voeden bleven haar welpen onrustig en waren zichtbaar ontevreden.

Ze besefte dat ze het op deze manier niet zou halen; ze had gewoon niet genoeg energie beschikbaar om al haar welpen naar een zelfstandig bestaan te leiden. Dus begon ze het ondenkbare te overwegen. Ze zou twee van haar welpen moeten doden. Het vlees en de levensenergie van de twee kleinsten zou misschien net genoeg zijn om de twee grootste tot het punt te brengen dat ze zonder haar een redelijke kans hadden het te overleven.

Hij was inmiddels compleet opgegaan in haar moederliefde en de allesoverheersende drang om haar welpen in leven te houden. De gedachte dat zij een paar van haar eigen welpen zou moeten doden veroorzaakte in hem golven van op doodsangst lijkende paniek. Hij probeerde de controle over haar lichaam over te nemen maar merkte dat hij compleet machteloos was tegenover haar ijzeren wil. In elkaar krimpend van ellende zag hij hoe ze zich voorbereidde op haar verschrikkelijke plicht.

Radeloos en machteloos wist hij niets beters te doen dan een noodkreet uit te sturen naar het Universum; een geluidloos gebed om hulp, om een ingrijpen, om iets te doen om de leeuwin te doen afzien van haar gruwelijke vastberadenheid. Hij bood zijn eigen hart als offer aan: “neem mij, neem alles wat ik ooit geweest ben of heb willen zijn” smeekte hij de stilte, “maar spaar deze welpen. Zij hebben niets gedaan om dit einde te verdienen.”

———

Net voor de leeuwin wilde toeslaan om de kleinste van haar welpen met een slag van haar klauw te doden viel er een schaduw over haar heen. Ze keek op en zag een enorme mannetjes leeuw staan. Hij was bijna twee keer zo groot als zij, met de volle manen van een volwassen leeuw en de littekens van een dier dat in vele gevechten zijn positie had bevochten. Instinctief dook ze in elkaar, klaar om voor het leven van haar welpen te vechten, ook al wist ze dat ze geen schijn van kans had; niet in haar verzwakte toestand, niet tegen deze leeuw in de kracht van zijn leven.

Tot haar verbazing viel de leeuw haar niet aan maar pakte van de grond een grote prooi om die met een zwaai voor haar neer te gooien. Het dode dier was vers en intact, met genoeg vlees om haar voor zeker een week te voeden. Verward keek ze van het dode dier naar de gigantische leeuw, half verwachtend dat hij haar alsnog zou aanvallen. De leeuw bleef echter staan waar hij was en keek haar aan. Ze voelde zijn kracht en kalmte en begreep dat hij geen bedreiging voor haar en haar welpen was. Ze ontspande, boog even haar hoofd in dank en aanvaarding van zijn gift, greep toen het dode dier en sleepte het met wat moeite naar een overhangende rots, waar ze het dier in alle rust kon verslinden. Toen ze weer opkeek was de leeuw verdwenen, even geruisloos als hij gekomen was.

———

Hij had vrijwel niets opgemerkt van wat er gebeurde, zo volkomen had hij zich teruggetrokken in zichzelf, in zijn wanhoop en verdriet om de aanstaande dood van de welpen en het ultieme offer dat de leeuwin bereid was te brengen. Het enige dat tot hem doordrong was de verandering in de gemoedsgesteldheid van de leeuwin: van wanhopige vastbeslotenheid naar plotselinge paniek naar verbaasde aanvaarding en tevredenheid. Hij vroeg zich af wat die verandering had veroorzaakt en probeerde contact met de buitenwereld te maken via de zintuigen van de leeuwin. Heel even voelde hij een aanwezigheid; een derde wezen, krachtig en ongenaakbaar. Die kracht was geruststellend en veilig, niet bedreigend. Zonder precies te weten waarom voelde hij dat alles goed ging komen. Hij ontspande zich en liet zich terugzinken in het genoegen waarmee de leeuwin haar prooi verscheurde om het levensgevende vlees tot zich te nemen.

———

De tijd vergleed verder zonder incidenten. De leeuw liet zich niet meer zien maar wel lag er af en toe een vers gevangen prooi voor haar klaar in de buurt van haar schuilplaats.

Haar welpen groeiden voorspoedig. Na een aantal maanden gezoogd te zijn waren ze begonnen mee te knagen aan de karkassen van de dode dieren waar haar moeder zich aan gevoed had. Ze jaagden, onbeholpen maar met veel plezier, op elkaar, op insecten en hagedissen, of op de wind die stof en pluizen deed opjagen om hen heen.

Ruim een half jaar later begon ze hen voor te bereiden op een bestaan zonder haar zorg. Ze leerde hen jagen door ze laten zien hoe ze dieren besloop en besprong. De onhandigheid veroorzaakt door haar hybride bestaan als half-leeuwin/half-mens maakte het moeilijk voor haar om grotere prooien te vangen maar ze leerde snel hoe ze ondanks haar beperkingen met success op kleinere dieren kon jagen. Dat moest voldoende zijn om haar welpen door die allerbelangrijkste eerste fase van hun zelfstandige bestaan heen te helpen. De rest moesten ze helaas zonder haar leren.

De welpen leerden snel en waren al gauw behendiger dan hun moeder. Op een dag waren het de welpen en niet hun moeder die met een redelijke prooi aankwamen zetten.

Toen wist ze dat haar tijd gekomen was. Bijna een jaar na het fatale ongeluk liet ze haar welpen tijdens een jacht ver genoeg voor haar uit rennen om ongezien te kunnen omkeren en weg te sluipen, terug naar de plek waar het noodlot haar getroffen had.

———

Voor hem was het alsof hij ontwaakte uit een half-bewust beleefde droom. Hij herinnerde zich alleen flarden, beelden en gevoelens: het gevoel van de zogende welpen, de tevredenheid van een moeder die haar welpen ziet spelen en leren, de melancholie van het onvermijdelijke afscheid. Daar overheen lag een gevoel van voldaanheid, de wetenschap dat hij een vreselijke fout had goedgemaakt; het besef dat hij, onverdiend, een kans had gekregen om het leven te dienen dat hij door zijn roekeloosheid tot een langzame dood had veroordeeld. Dat was een goed gevoel maar het was geen triomf. Hij wist maar al te goed dat het niet zijn kracht en volharding was die deze genoegdoening volbracht had maar die van de leeuwin en haar onverzettelijke moederliefde. Het was haar prestatie, hij had haar alleen mogen dienen. Toch was dat voor hem meer dan voldoende.

Naarmate ze dichter bij de plek van het ongeluk kwamen begon haar leeuwinnen vorm te vervagen terwijl zijn menselijke vorm zich verdichte. Er was een kort moment van verwarring tijdens deze overgang. Zij/hij verloor even de controle over zijn/haar bewegingen en struikelde half lopend, half kruipend verder tot hij/zij van vermoeidheid omviel en hijgend bleef liggen.

Hij voelde haar verdwijnen. Haar vorm was al compleet verloren gegaan en nu loste ook haar geest en haar wilskracht snel op tot er slechts flauwe sporen van haar voelbaar waren in zijn geest. Het was alsof hij een deel van zijn hart verloor en dat deed hem pijn. Maar hij voelde ook dat hij iets van haar hart ervoor in de plaats kreeg. Met tranen in zijn ogen dankte hij haar voor wat ze hem had laten volbrengen. Toen was ze verdwenen.

———

Weer op adem gekomen stond hij op en liep verder naar de weg. Daar zag hij zijn auto staan, vrijwel zoals hij die had achtergelaten, al die maanden terug. De auto was in verrassend goede staat. Nadat hij de gebarsten voorruit had verwijderd en het zand uit de auto geschept had bleek de motor zelfs in een keer te starten. Opgelucht reed hij weg.

Even nog dacht hij het gebrul van een leeuw in de verte te horen.

Maar dat kon ook de wind zijn.

©Bard 2021

Het Ongeschreven Verhaal

Het ongeschreven verhaal
Het Ongeschreven Verhaal – ©Bard 2020

Dit verhaal werd nooit geschreven. Het is nooit aan iemand verteld. Het is blijven steken in een duistere hoek van het onderbewuste van de schrijver. De schrijver was zich ooit vaag bewust van het bestaan van dit verhaal maar er waren zoveel andere dingen die om aandacht vroegen, zoveel andere verhalen die meer voor de hand lagen of makkelijker te schrijven waren, dat de schrijver aan dit verhaal nooit is toegekomen.

En dus wacht de wereld nog steeds op het verschijnen van dit verhaal. Het verhaal dat alles anders maakt. Het verhaal dat de sleutel bevat tot de transformatie waar iedereen diep van binnen naar verlangt. Het verlossende verhaal dat het gat zal sluiten tussen hoe de dingen zijn en hoe ze zouden kunnen wezen.

En het verhaal wacht op de schrijver.

©Bard 2020

Opgesloten

Opgesloten
Labyrinth
Labyrinth – ©Bard 2015

Steeds weer liep hij vast in het doolhof dat hij zelf gecreëerd had. Het was gemaakt van herinneringen, fragmenten van verhalen en verzonnen gebeurtenissen. In zijn hoofd hadden deze bouwblokken zich samengevoegd en aaneengesloten tot ze hem omringden zonder een uitweg te bieden.

———

Hij had vaak geprobeerd te ontsnappen. Hij had geprobeerd een lijn van blokken van het begin tot aan het einde te volgen, en van het einde tot aan een uitgang. Maar de blokken herschikten zichzelf terwijl hij ze volgde. Some verscheen hetzelfde blok opnieuw en opnieuw. Of er verschenen splitsingen waar veel mogelijke verhaallijnen opengingen om tussen te kiezen. Welke lijn hij ook volgde, steeds weer liep hij vast in het doolhof dat hij zelf gecreëerd had.

Hij had geprobeerd blindelings van blok naar blok te springen, van herinnering naar half-vergeten beeld, in de hoop dat zulke willekeurige bewegingen him via toeval of geluk zouden leiden naar een onbewaakte opening, een vergeten deur of raam naar de wereld daarbuiten. Maar iedere deur bleek een draaideur die hem terug naar binnen voerde. Ieder raam was slechts een spiegel die eindeloos de door elkaar gehusselde blokken van zijn gefragmenteerde verhaal reflecteerde. En steeds weer liep hij vast in het doolhof dat hij zelf gecreëerd had.

Hij had zelfs geprobeerd helemaal te stoppen. Hij stopte met het volgen van verhaallijnen. Hij duwde ieder beeld of herinnering uit zijn hoofd voor hij zich bewust kon worden van hun inhoud en betekenis. Hij dwong zichzelf af te dalen in het duister van niet denken, niet voelen, niet bewust zijn. Maar in het diepst van dat duister kon hij niet anders dan het bewegende licht zien. Een vonk verscheen, miniem maar helder. Als hij erin slaagde die vonk te negeren sprong er een volgende op, en een volgende. Ze vormden rijen, patronen en ritmes. Ze schiepen vormden uit synchrone beweging. Ze dansten tot hij niet anders kon dan er zijn aandacht op richten. En zijn aandacht was alles wat ze nodig hadden om hem uit de leegte terug te leiden naar de verwarring van zijn geest. En steeds weer liep hij vast in het doolhof dat hij zelf gecreëerd had.

———

Opgesloten.

Opgesloten.

Opgesloten.

———

En toen ineens zag hij het. Tussen de o en de e. Een koevoet-vorige t die hij kon loswringen uit zijn positie. Nu alleen nog een paar keer goed schudden tot de letters hem vertelden wat hij moest doen. Nog net opgesloten maar nu met behulp van

zijn nieuwe gereedschap sloeg hij
de woorden open die hem
vasthielden sloeg hij
ze open sloeg
hij.

En hij zag als hij sloeg dat
er een opening was naar
buiten het doolhof
dat hij zelf gecreëerd had.

Buiten was er licht en oneindig potentieel. Buiten was de vrijheid om alles voor het eerst te ervaren. Hier kon hij wezen zonder geweest te zijn.

Hier werd hij nu.

En hier.

©Bard 2020

Het Mysterie

Het Mysterie
Het mysterie, @Bard 2019
Het mysterie, @Bard 2019

Het dorpje klampte zich vast aan de steile bergwand als een overmoedige bergbeklimmer die ineens besefte hoe hoog hij geklommen was en overmand door hoogtevrees zich niet meer durfde te verroeren. De huizen waren oud, vervallen en duidelijk in geen jaren onderhouden. Uit een paar verbrokkelde schoorstenen kringelde rook maar de meeste huizen waren verlaten en boden slechts beschutting aan de weinige vogels en knaagdieren die op deze hoogten konden overleven.

Vermoeid door de lange klim vanuit het dal hoopte hij bij een van de bewoonde huizen onderdak voor de nacht te vinden. Misschien zat er zelfs een warme maaltijd in of zachte slaapplaats, maar alleen wat warmte en beschutting tegen de snijdende wind zou al heel wat waard zijn.

In de dorpskern aangekomen koos hij het eerste de beste huis waar er rook uit de schoorsteen kwam. Het was amper een huis te noemen: het was een houten bouwsel dat tegen de stenen muur van het huis daarachter leunde als een oude man die op adem probeert te komen na een korte wandeling door een steile straat. Het huisje zag eruit zoals hij zich voelde. Misschien zou de herkenning tussen lotgenoten het makkelijker maken hem gastvrij te ontvangen?

Hij klopte op de deur.

Het duurde even voor hij hoorde hoe er een grendel werd weggeschoven en iemand met enige moeite de zware, scheefgezakte houten deur op een kiertje opentrok. Het gezicht van een oude man werd zichtbaar in de deuropening en keek hem nieuwsgierig aan met ogen die verrassend helder en levendig waren in dat oude, gerimpelde gezicht.

“Daar ben je dan.” zei de oude man, “Daar heb je lang over gedaan”. “Hoe bedoelt u.” zei hij verbaasd, “Verwachtte u me dan? Of heeft u me soms aan zien komen vanuit het dal”? “Nee, dat niet” zei de man, “maar ik wist dat er uiteindelijk iemand zoals jij zou komen en op mijn deur zou kloppen. Het bestaan van deze deur in mijn woning maakte dat onvermijdelijk.” “Hoezo?” zei hij verward, “Het bestaan van deze deur houdt toch geen verband met of er iemand wel of niet op komt kloppen? Een deur is gewoon een manier om een huis in en uit te gaan. Wat heeft mijn kloppen daarmee te maken?” “Aha!” zei de oude man triomfantelijk, “Precies! Een normale deur laat mensen naar binnen en naar buiten en ontleent daaraan zijn bestaan. Maar ik zit hier al binnen sinds dit huisje om mij heen is opgebouwd. Ik ga nooit naar buiten en geen van de dorpsbewoners zou er ooit over denken hier naar binnen te gaan. En toch is er deze deur. Zodoende!” De oude man liet dat laatste woord klinken als de triomfantelijke afsluiting van een overtuigend gewonnen debat.

Toen hij niet meteen antwoord gaf begon de oude man te lachen. “Geeft niets, hoor. Geeft niets. Ik verwacht ook niet dat je dit meteen kan begrijpen. Tenslotte heb ik hier mijn hele leven over nagedacht. Terwijl jij, als ik je zo zie, nog maar amper met denken bent begonnen.” De oude man duwde de deur nu verder open en nodigde hem met een sierlijke zwaai van zijn arm uit om naar binnen te komen. “Wees welkom in mijn domein, langverwachte reiziger.”

De glimlach van de oude man was te vriendelijk en te gul om tegen in te gaan. Hij volgde de oude man naar binnen de donkere ruimte in. Daar zag hij een matras en deken tegen de stenen muur en een lage tafel met daarop een brandende kaars en twee tinnen borden. In een hoek stond een houten krat met een waterkan, een paar bekers en wat stukken brood. In een inham in de stenen muur brandde een houtvuur waarvan de rook verdween door een rookgat in het dak. Verder was het vertrek leeg en kaal. Een plek om te schuilen tegen de winterstormen, meer niet.

De oude man gebood hem bij de tafel te gaan zitten en bood hem een stuk droog brood en een beker lauw water aan. “Neem het er van,” zei de oude man, “mijn paleis is jouw paleis, mijn overdaad de jouwe.” Nog steeds te verbouwereerd om te reageren at en dronk hij wat de oude man hem voorzette.

Zo zaten ze een tijdje in stilte.

Ineens kwam de oude man overeind en liep naar de buitenmuur. Die bleek een schuifpaneel te bevatten dat op een kiertje open kon. Zo was er net een klein stukje van de straat te zien. “Kom” zei de oude man, “het gaat zo gebeuren. Dit mag je niet missen.” Hij ging naast de oude man staan en keek samen met hem door de nauwe kier naar buiten. “Wat gaat er gebeuren dan?” vroeg hij, maar de oude man gebaarde dat hij stil moest zijn en moest blijven kijken.

En toen gebeurde het. Langzaam schoof er een koe door het beeld. Eerst was er de roze neus, toen een groot donker oog, een nerveus bewegend oor, een stukje van een hoorn. Vervolgens kwam de rug als een golf voorbij gerold. Het vertoon eindigde met de staart, met als allerlaatste de pluim die zwaaiend uit beeld verdween. En toen was er niets meer.

De oude man keek hem triomfantelijk aan. “Nu heb jij gezien waar ik al die jaren over heb nagedacht en op gestudeerd heb. Dit is het mysterie dat mij gevraagd werd op te lossen: het mysterie van de oorzakelijkheid.” Hij keek de oude man niet-begrijpend aan. “Het mysterie van wat?” vroeg hij. “Van de oorzakelijkheid, domoor. Het ontstaan en verdwijnen der dingen.” “Ik heb alleen een koe voorbij zien komen.” zei hij, “Wat heeft dat met oorzakelijkheid te maken?”

De oude man keek hem breed grijnzend aan. “Hij heeft alleen een koe voorbij zien komen. Een koe! Dat is alles. Het Universum openbaarde zich aan ons, het begin en het einde van alles ontvouwde zich voor onze ogen. En hij zag alleen een koe.” De oude man keek hem aan alsof er nu voldoende uitleg was gegeven en er een teken van begrip van hem verwacht werd. Toen dat uitbleef schudde de oude man zijn hoofd. “BOE!” riep de oude man, zo hard dat hij van schrik achteruit stapte en zijn hoofd hard tegen een lage balk stootte. “Boe! Boe! Boe!”, de oude man genoot zichtbaar van zijn reactie. Toen hij met een pijnlijk gezicht aan zijn hoofd voelde om te controleren of hij niet bloedde hield de oude man het helemaal niet meer. “Hij moest zijn hoofd opensplijten om het inzicht binnen te laten.” lachte de oude man. “Zijn ogen zijn gesloten, zijn oren zitten dicht, misschien dat het gat in zijn schedel wat licht binnenlaat.”

Opeens bedaarde de oude man, gebaarde dat hij moest gaan zitten en ging tegenover hem op de grond zitten. “Genoeg gelachen,” zei de oude man, “dit zijn serieuze zaken. Vertel me precies wat je hebt gezien, dan zal ik het je verklaren.”

Hij dacht na. “Ik keek naar de straat. Die kier in de deur is erg smal, dus veel kon ik niet zien. Toen kwam er een koe voorbij. Daarna was er alleen maar weer die straat te zien. Dat is alles.”

“Dat is alles?” de oude man schudde zijn hoofd. “Hoe makkelijk bagatelliseert de onverlichte geest het mysterie van het bestaan.” De oude man pauzeerde even, in gedachten verzonken. Toen ging hij verder: “Eerst was er de straat. Toen was er de koe. Toen weer de straat. Uitstekend. Dat heb je goed gezien. Maar wat je niet gezien hebt is waar het werkelijk om gaat. Waar komt die koe vandaan?” De oude man keek hem indringend aan. “Waar is die koe gebleven? Wat doet die koe verschijnen en verdwijnen?”

De oude man strekte zich nu in zijn volle lengte uit. “Ik heb hier mijn hele leven over nagedacht. Ik heb dit huis om me heen laten bouwen zodat ik me volledig op deze taak kon toeleggen en me nergens door zou laten afleiden. En uiteindelijk, na langdurige observatie en diepe reflectie presenteer ik je vandaag mijn antwoord. Omdat jij mijn deur gevonden hebt zal jij de eerste zijn die dit van mij verneemt. Luister …” opnieuw pauzeerde de oude man, om de spanning op te voeren.

“… het antwoord op het mysterie van het bestaan is dit: …” opnieuw een pauze … “de neus veroorzaakt de staart!”. Triomfantelijk keek de oude man hem aan. “De neus veroorzaakt de staart. Dat is het geheim.”

Hij keek de oude man met open mond aan. Dit kon niet waar zijn. Dit moest een grap zijn. Hij begon nerveus te lachen. “De neus veroorzaakt de staart? Is dat het? Is dat het antwoord op alles? Heb ik daarvoor mijn hoofd gestoten?” Zijn lachen was overgegaan in boosheid. “Oude man, je bent niet goed wijs. ‘De neus veroorzaak de staart’ is een oude koan, een Zen-boeddhistisch raadseltje. Het gaat over onze neiging om de dingen te verklaren op grond van onze beperkte waarneming. Als we vergeten dat we maar een klein stukje van de werkelijkheid zien, zijn we geneigd dat kleine stukje te generaliseren en er veel meer in te lezen dan we zouden moeten. We zien een zandkorrel en denken er de wetten van het heelal in te kunnen lezen. We zien een koe en denken er de schepping mee te kunnen verklaren. De neus veroorzaakt de staart niet. Dat is onzin. Die neus komt gewoon eerst omdat zo’n koe nou eenmaal vooruit loopt, en niet achterstevoren. Je haalt gewoon volgorde en oorzakelijkheid door elkaar.”

Hij stopte, om op adem te komen, maar ook om te zien hoe de oude man zou reageren. Zou hij boos worden op zijn kleine tirade? Had hij de oude man niet te hard aangepakt? Als hij de oude man moest geloven had deze zijn hele leven op dit antwoord zitten broeden. Had hij de oude man in de waan moeten laten en niet moeten tegenspreken?

Tot zijn verbazing bleef de oude man hem grijnzend aankijken. “Ben je klaar met je verhaal?” vroeg de oude man hem. “Een koan, zeg je? Een raadseltje over de beperktheid van onze waarneming? Als dat zo is, o zo wijze heer, leg me dit dan eens uit. Je hebt die koe voorbij zien komen; eerst de neus, daarna de staart, en toen niets meer. Waar is die koe dan gebleven? Kijk maar naar buiten. Helemaal niets. Alleen een lege straat. Kan jij me dat verklaren?” De oude man keek hem aan. “Ik dacht het niet.”

“Natuurlijk kan ik dat verklaren.” zei hij. “Die koe is gewoon de straat uitgelopen, op weg naar een weilandje ergens buiten het dorp. En daar staat ze nu tevreden te grazen. Of ze was op weg naar een stal hier ergens in de buurt. Simpel. Geen mysterie, geen openbaring, gewoon een koe op weg van A naar B.”

“Oh” zei de oude man, “simpel dus. Die koe staat gewoon ergens in een stal of in een weiland te grazen. Dat weet jij dus zeker?”

Hij knikte.

De oude man trok nu de deur voor hem open en zei: “Ik ga mijn huis niet uit en heb toch het Universum kunnen doorvorsen. Jij bent overal geweest maar hebt blijkbaar niets gezien. Ga jij maar eens kijken of je die koe kan vinden. En kom dan hier terug. Dan praten we verder.” De oude man wachtte tot hij naar buiten was gelopen en duwde de deur achter hem dicht.

Nu hij weer buiten stond keek hij eens goed om zich heen. Waar zou die koe naartoe gegaan zijn? De richting waar ze vandaan gekomen was was hoe hij bij het huis van de oude man was aanbeland. De koe was vervolgens langs de deur gelopen, dat nauwe, donkere steegje in. Hij deed een paar stappen in dezelfde richting. Tot zijn verbazing liep hij vrijwel direct tegen dezelfde stenen muur aan waar het huis van de oude man tegenaan leunde. Het steegje liep dood tegen die muur, die ook beide zijden van het straatje flankeerde. Een stenen muur, zonder deuren, ramen, of wat voor openingen dan ook. Het ‘steegje’ was niet veel meer dan een ondiepe nis in een hoge muur.

Maar waar was die koe dan? Dat beest kon nergens anders heen. De nis was amper diep genoeg om het hele beest te bevatten en toch had hij met eigen ogen gezien hoe het dier was langsgekomen en uit het zicht verdwenen was. Hij voelde voor de zekerheid aan alle zijden van de nis. Niets. Zware stenen, waar geen beweging in te krijgen was. Zijn verwarring was compleet. Hij draaide zich om en klopte op de deur van het huis van de oude man.

Die deed onmiddellijk open, nog steeds met die brede grijns op zijn gezicht. “Heb je die koe gevonden?” vroeg hij spottend. “Stond ze daar te grazen in dat imaginaire weiland van je? Of was ze in die prachtige stal van jouw verbeelding? Ik hoop dat je hier iets van leert, met je koan en je boeddhistische raadseltjes. De wereld openbaart zich aan hen die de wereld kunnen zien zoals ze is en dat wat ze zien kunnen duiden. Die koe is zowel het mysterie als het antwoord op alles. Ik zeg het je nog één keer, voordat ik je weer je eigen pad op stuur: de neus veroorzaakt de staart! En daar is alles mee gezegd.”

De oude man duwde de deur weer dicht terwijl hij mompelde “Oorzakelijkheid en volgorde door elkaar halen, m’n neus.” En met het verdwijnen van zijn gezicht achter de dichtslaande deur was ook de oude man voorgoed verdwenen.

©Bard 2020

De brug

De brug
De Brug
De Brug – ©Bard 2017

De weg was al lang geen echte weg meer. Hoe hoger hij kwam in dit berglandschap, hoe minder de weg was onderhouden. Asfalt had plaats gemaakt voor kasseien. Van een redelijk begaanbaar pad met hier en daar een provisorisch met bakstenen en grind gevulde kuil bleef uiteindelijk alleen een nauwelijks te belopen grindspoor over. En nu, enige uren nadat hij door een verlaten dorp gelopen was, was zelfs dat spoor amper nog te zien onder het gras en onkruid dat overal groeide.

Toch liep hij door, overtuigd dat hij door dit pad te volgen uiteindelijk zou komen waar hij moest zijn; waar dat dan ook wezen mocht.

Na een laatste steile klim stond hij voor een oude stenen brug over een smal maar diep ravijn. Het was duidelijk dat er al geruime tijd geen verkeer meer over deze brug ging. De brug was al net zo begroeid als het pad, alsof het groen zelf de kloof overspande en de brug zonder die begroeiing allang de diepte in gestort zou zijn.

Aarzelend liep hij naar de rand van de brug. Hij keek naar beneden en zag hoe honderden meters lager een snelstromende rivier zich tussen grote rotsblokken door wrong. Vaag kon hij vanuit de diepte het geraas van het water horen. Het geluid klonk dreigend, bijna kwaad, alsof de geest van de rivier zich irriteerde aan de rotsen die haar weg belemmerden.

Door de zilveren nevel die vanuit de kloof omhoog steed kon hij net de overkant van de brug zien. Het pad leek zich daar weer te verbreden. Het landschap zag er ook meer begaanbaar uit aan die kant met minder steile rotswanden en veel meer met gras begroeide glooiende hellingen.

Het was hem volkomen duidelijk dat zijn bestemming aan de overkant van de brug lag. Daar zou hij de beloning vinden voor de lange klim die hij de afgelopen dagen gemaakt had. Nu alleen nog even die brug oversteken. De rest zou bijna vanzelf gaan. Vervuld met nieuwe hoop liep hij zonder verder na te denken de brug op.

Na een paar stappen merkte hij dat de brug begon mee te trillen met zijn voetstappen. Bij elke stap werd de trilling erger tot hij de brug voelde schudden elke keer als hij zijn voeten neerzette. Bang geworden begon hij sneller te lopen, met als gevolg dat het schudden nog erger werd. De hele brug was nu in beweging. Bijna halverwege begon hij te rennen. Even dacht hij dat hij het zou gaan halen maar toen kwam de weg voor hem in een soort golfbeweging omhoog om vervolgens onder zijn voeten compleet te desintegreren.

Hij viel en had nog net tijd om te bedenken dat hij voorzichtiger had moeten zijn. Toen raakte hij de rotsen. Zijn levenloze lichaam werd door de rivier meegesleurd zonder verder een spoor na te laten.


Na een laatste steile klim stond hij voor een oude stenen brug over een smal maar diep ravijn. Het was duidelijk dat er al geruime tijd geen verkeer meer over deze brug ging. De brug was al net zo begroeid als het pad. Het leek alsof het groen zelf de kloof overspande en de brug er alleen nog hing omdat de begroeiing haar overeind hield.

Aarzelend liep hij naar de rand van de brug. Hij had het vage gevoel dat hij dit al eens eerder had gezien. Het leek hem dat hij het landschap aan de overkant herkende. Het maakte hem onrustig, alsof er iets was dat hij zich zou moeten herinneren dat net buiten zijn bereik bleef.

Hij liep naar voren en zag naast de weg de vervallen resten van wat een wegwijzer of waarschuwingsbord geweest zou kunnen zijn. Hij trok het bord de weg op om het beter te bekijken. Niets. Als er al iets op had gestaan was het door de tijd en het weer volledig vervaagd. Hij liet het bord voor zich op de weg terugvallen.

Het was hem volkomen duidelijk dat zijn bestemming aan de overkant van de brug lag. Daar zou hij de beloning vinden voor de lange klim die hij de afgelopen dagen gemaakt had. Maar die brug zag er niet erg betrouwbaar uit. Het bord gaf hem ook een licht ongerust gevoel. Toch besloot hij door te lopen. Tenslotte zag de overkant er wel erg verleidelijk uit. Hij stapte over het bord de brug op.

Na een paar stappen merkte hij dat de brug begon mee te trillen met zijn voetstappen. Bang geworden begon hij sneller te lopen. De hele brug was nu in beweging. Bijna halverwege begon hij te rennen. Even dacht hij dat hij het zou gaan halen maar toen kwam de weg voor hem in een soort golfbeweging omhoog en viel onder zijn voeten uit elkaar.

Hij viel en had nog net tijd om te bedenken dat hij beter had moeten luisteren naar zijn voorgevoelens. Toen raakte hij de rotsen. Zijn levenloze lichaam werd door de rivier meegesleurd zonder een spoor na te laten.


Na een laatste steile klim stond hij voor een oude stenen brug over een smal maar diep ravijn. De brug was al net zo begroeid als het pad.

Aarzelend liep hij naar de rand van de brug. Hoewel hij nog nooit in deze bergen geweest was wist hij vrijwel zeker dat hij deze plek al eens eerder had gezien. Ook het landschap aan de overkant zag er bekend uit. Het maakte hem onrustig, alsof er iets was dat hij zich zou moeten herinneren dat net buiten zijn bereik bleef.

Hij liep naar voren en zag midden op de weg een oud waarschuwingsbord liggen. Hij vroeg zich af wie het daar neergelegd had en waarom. Helaas was er op het bord niets te lezen. Zonder precies te weten waarom pakte hij een stuk kalksteen van het pad en kraste een paar woorden in het verweerde hout. Hij keek naar wat hij geschreven had en lachte om zichzelf. Hij moest zich niet zo aanstellen, dacht hij. Zo erg kon het niet zijn? Toch zette hij het bord zorgvuldig overeind tegen een grote steen aan het begin van de brug voor hij weer naar de overkant keek.

Het was hem volkomen duidelijk dat zijn bestemming aan de overkant van de brug lag. Maar dat bord had hem even van slag doen raken. Toch besloot hij door te lopen. Hij was al te ver gekomen om nu nog om te draaien en terug te gaan.

Na een paar stappen merkte hij dat de brug begon mee te trillen met zijn voetstappen. Ongerust nu ging hij steeds sneller lopen tot hij halverwege gekomen voluit aan het rennen was. Even dacht hij dat hij het zou gaan halen. Maar de weg kwam voor hem in een soort golfbeweging omhoog om daarna onder zijn voeten kompleet te verkruimelen.

Hij viel en had nog net tijd om zichzelf te verwijten dat hij niet was omgekeerd toen hij dat bord bij de brug had gezien. Hij had op zijn intuïtie moeten vertrouwen. Toen raakte hij de rotsen. Zijn levenloze lichaam werd door de rivier meegesleurd zonder een spoor na te laten.


Na een laatste steile klim stond hij voor een oude stenen brug over een smal maar diep ravijn. Hij wist vrijwel zeker dat hij deze brug al eens eerder had gezien. Ook het landschap aan de overkant zag er bekend uit. Hij voelde zich opgejaagd en bang, alsof hij zich heel dringend iets belangrijks moest herinneren maar er net niet bij kon komen.

Hij liep naar voren en zag tegen een steen aan het begin van de brug een oud, verweerd bord geleund staan. Het was duidelijk neergezet om gezien te worden. Hij veegde wat stof en vuil van het bord af en zag dat iemand met krijt iets in het bord gekrast had. Met wat moeite las hij “Pas op! Gevaarlijke brug. Instortingsgevaar.” Hij vroeg zich af wie het bord daar neergezet had en hoe lang geleden. Hij keek naar de overkant van de kloof.

Het was hem volkomen duidelijk dat zijn bestemming aan de overkant van de brug lag. Maar die brug zag er niet erg betrouwbaar uit. En dat bord was wel erg onheilspellend.

Aarzelend liep hij naar de rand van de brug. Hij keek naar beneden en zag hoe honderden meters lager een snelstromende rivier zich tussen grote rotsblokken door wrong. Vaag kon hij vanuit de diepte het geraas van het water horen. Het geluid klonk dreigend, bijna kwaad, alsof de geest van de rivier zich irriteerde aan de rotsen die haar weg belemmerden. Hij kon zich goed voorstellen hoe het zou zijn om naar beneden te vallen en op die rotsen te pletter te slaan. Het water zou zijn levenloze lichaam meesleuren zodat er geen spoor meer van hem te zien zou zijn.

Hij keek nog één keer naar het lokkende landschap aan de andere kant van de brug.

Toen draaide hij zich om en met een gevoel van opluchting gemengd met teleurstelling begon hij aan de lange tocht terug naar beneden, waar hij op zoek zou gaan naar een andere manier om aan de overkant te komen.

©Bard 2020

In gedachten verzonken

In gedachten verzonken

Het meer - ©Bard 2012
Het meer – ©Bard 2012

In gedachten verzonken was hij ongemerkt een bos ingelopen. Toen hij uiteindelijk weer om zich heen keek zag hij niets herkenbaars om zich heen. Een nauwelijks zichtbaar pad slingerde zich tussen hoge bomen en dicht struikgewas door. Met diep mos begroeide plekken onder de hoogste bomen werden afgewisseld met stukjes hoog en dor gras en hier en daar wat kale zandgrond. Hoewel de zon hoog in de hemel stond was het bijna schemerdonker hier. Het dichte bladerdak hield bijna al het zonlicht tegen en het beetje licht dat de grond bereikte was doordrenkt met een groenige, pastel-achtige waas.

Waar was hij? En hoe kwam hij hier weer uit? Het nauwe bospaadje leek nergens heen te gaan en verder zag hij alleen bos, zover het schemerduister hem toeliet te kijken.

Ongerust keek hij om zich heen.

Toen hij zich voor de tweede keer 360º had rondgedraaid zag hij in de verte iets glinsteren. Hij keek nog wat beter. Ja, daar was het duidelijk lichter en hij dacht dat hij het blauwige geschitter van stromend water kon zien, tussen de dichte begroeiing door.

Het duister van dit bos was hem gaan beklemmen en dus dacht hij er niet lang over na. Hij begon te rennen in de richting van het licht daar in de verte.

Omdat hij amper kon zien waar hij liep kon hij niet al te snel gaan. Hij moest ook goed opletten waar hij zijn voeten neerzette: het paadje zat vol met oneffenheden, kuilen en boomwortels waar je je behoorlijk op kon verstappen.

Na zo, met zijn ogen op de grond gericht, een stukje gerend te hebben, stopte hij even om zich te oriënteren.

Het duurde even voor hij het licht in de verte weer gevonden had. Tot zijn verbazing leek het nu verder weg dan daarnet. Het was nog steeds goed zichtbaar, vooral in contrast met het donker om hem heen. Maar de afstand tussen hem en het spiegelende water was duidelijk groter geworden. Hij had waarschijnlijk niet goed opgelet hoe het pad precies liep. Zonder het te merken moest hij een zijtak zijn ingeslagen die hem wegvoerde van het water, in plaats van ernaartoe.

Hij dwong zichzelf tot kalmte door een paar keer diep adem te halen. Paniek gaat je niet helpen, zei hij tegen zichzelf. Er is ook geen reden toe: zolang je het water maar in het zicht houdt kan je onmogelijk verdwalen.

In plaats van de rennen besloot hij nu zijn ogen op het water gericht te houden en niet op de grond. Hij moest daardoor veel voorzichtiger lopen maar door zijn voeten zorgvuldig neer te zetten en te voelen of hij stevig stond voor hij de volgende stap nam kwam hij toch vooruit.

Hoewel…

Na op deze manier een aantal grote passen genomen te hebben begon hij het gevoel te krijgen dat hij weliswaar vooruit bewoog, maar dat tegelijkertijd het water zich van hem verwijderde. Hij nam nog een paar passen en wist het toen zeker: hij was opnieuw verder weg van het water in de verte dan daarvoor.

Hij nam opnieuw een paar stappen. Het water was nu bijna uit het zicht verdwenen. Alleen het helderder licht aan de horizon verraadde nog de plek waar het water zich moest bevinden. Bang dat hij dat licht ook nog uit het oog zou verliezen begon hij toch weer te rennen. Tot hij over een boomwortel struikelde en plat op zijn rug terecht kwam.

Hij krabbelde moeizaam overeind. Hij was weer helemaal omringd door het half-duister van het bos. Nergens was een spoor te zien van het water of zelfs maar het licht aan de horizon.

In paniek draaide hij in de rondte in de hoop toch nog iets van licht te kunnen zien.


Ineens, als uit het niets, stond ze voor hem. Een slanke, statige vrouw, gekleed in een lichtgroen gewaad. Ze had lang, zwart haar en donkerbruine, bijna zwarte ogen. In één hand hield ze een lange staf. Haar andere hand hield ze opgeheven in een ‘stop’ gebaar. Een lichte glimlach hing om haar lippen, maar haar stem klonk streng en gebiedend, toen ze zei: “Zo is het wel genoeg. Gedraag je alsjeblieft een beetje waardig.”

Zijn mond was opengevallen van verbazing. Hij hijgde nog na van zijn paniek aanval en hij was duizelig van het in de rondte draaien. Maar bij het horen van haar stem voelde hij zich als het ware in de houding springen. Zonder er bij na te denken rechtte hij zijn rug, sloot zijn mond en wachtte af wat ze nog meer zou zeggen.

“Goed zo. Je kan dus luisteren. Wie weet ben je nog te redden.” Opnieuw speelde er een zweem van een glimlach om haar lippen. “Maar dan moet je wel precies doen wat ik zeg.” Sprakeloos, te verbaasd om iets te zeggen, knikte hij dat hij haar begrepen had.

“Heb je enig idee waarom het je niet lukt het water te bereiken?” vroeg ze. Hij schudde zijn hoofd. Ze keek hem aan en verwachtte blijkbaar een antwoord. “Het lijkt wel of het water voor me uit vlucht,” opperde hij voorzichtig. “Iedere keer als ik dichterbij probeer te komen lijkt het water verder weg zijn.”

“Aha” zei de vrouw, “Observeren kan je dus wel. Maar je conclusie is wel typisch mannelijk: wanneer je iets tegen komt dat je niet kan verklaren moet er wel iets mis zijn met de wereld. Heb je er ook maar een moment bij stilgestaan dat er misschien iets met jou aan de hand is, en niet met het water?”

Verbaasd staarde hij haar aan. Iets mis met hem? Hoe bedoelde ze dat? “Is het water misschien gezichtsbedrog? Denk ik alleen dat ik water zie?” probeerde hij.

“Nee” zei ze, “dat water is echt. Het ligt niet aan je ogen. Maar wel,“ en daar was opnieuw die glimlach, “aan hoe je naar de wereld kijkt.”

Hij wist niet waar ze op doelde, dus hield hij maar zijn mond, hopend dat ze zou uitleggen waar ze op doelde.

“Probeer maar eens naar me toe te lopen. Misschien begrijp je dan wat ik bedoel.” Aarzelend nam hij een paar stappen naar voren. Tot zijn stomme verbazing was de vrouw na een paar stappen veel verder weg dan toen hij begon te lopen. Toch had ze niet bewogen. Ze stond nog in precies dezelfde houding. Ze leek ook nog op dezelfde plek te staan, hoewel ze toch duidelijk verder weg was. Wat was hier toch aan de hand?

“Je hebt het nog steeds niet door, hè?” zei de vrouw. “Ik dacht dat je slimmer was. Nog maar eens proberen dan. Loop nu eens van me weg, zonder je om te draaien. Kijk me aan en neem een paar stappen van me af.” Hij deed wat ze zei en zag hoe ze met elke stap die hij achteruit deed een stap dichterbij leek te komen. Hij stopte toen hij weer vlak voor haar stond en keek haar in verwarring aan.

“Begrijp je het nu?”

Toen hij niet direct antwoord gaf nam ze een halve stap naar achteren en sloeg tegelijkertijd in één vloeiende beweging met haar staf zijn hoofd van zijn schouders. Hij voelde zijn hoofd door de lucht tollen en op het zachte mos landen, terwijl zijn lichaam hulpeloos voorover zakte. Zijn lijf eindigde op handen en voeten en zijn rollende hoofd kwam tegen een boomstam tot stilstand.

Voor zijn gevoel was hij nu op twee plaatsen tegelijk. Hij voelde duidelijk het mos aan zijn handen en de grond onder zijn knieën en voeten. Maar hij voelde ook de ruwe boomstam tegen zijn wang en zag het gras voor zijn ogen. Een miertje klom tegen één van de halmen omhoog, stopte op ooghoogte en rende vervolgens weer naar beneden. Hij was te verbaasd om in paniek te raken en te geschrokken om iets te zeggen.

“Het spijt me” zei de vrouw, “maar soms is een directe aanpak toch het beste.” Hij kon haar niet zien maar hoorde hoe ze naast zijn hoofd neerknielde. “Nu is het zaak je hoofd erbij te houden. Probeer eens voorzichtig in de richting van mijn stem te kruipen.”

Haar stem was zo kalm en zelfverzekerd dat hij zijn opkomende paniek voelde wegebben. Hij deed wat ze zei en maakte voorzichtig een paar kruipbewegingen. Hij voelde aan zijn lijf dat hij vooruit bewoog, maar omdat zijn hoofd een andere kant opkeek kon hij die beweging niet zien. Dat was zo verwarrend dat een golf van duizeligheid hem bijna deed omvallen.

“Dat is lastig, hè? Als je hoofd en je lijf niet samenwerken? Probeer het nog eens, maar nu met je ogen dicht. Kijken gaat je niet helpen, voelen wel. Concentreer je op mijn stem en het gevoel in je lijf. Als het helpt, stel je dan voor dat je in het pikkedonker in mijn richting kruipt.”

Hij sloot zijn ogen en deed precies wat ze zei. Nu zijn ogen en zijn lijf elkaar niet langer tegenspraken was het inderdaad veel makkelijker. Zonder al teveel moeite kroop hij de richting van haar stem. Hij voelde zijn handen tegen zijn hoofd aanstoten en pakte zonder erbij na te denken zijn hoofd met beide handen op en drukte het stevig terug op zijn nek. Hij voelde zijn hoofd en lijf weer aan elkaar groeien.

Voorzichtig liet hij zijn hoofd los. Het bleef keurig aan zijn nek zitten, alsof het nooit los was geweest. Hij draaide zijn hoofd van links naar rechts. Ook dat ging zonder problemen. Hij ging stevig op de grond zitten en deed zijn ogen open. Alles zag er normaal uit. Het bos, de lucht, de bomen … en op een paar passen afstand de mysterieuze vrouw met haar staf in de hand.

“Goed gedaan.” zei ze, duidelijk tevreden met zijn optreden. “De meeste mannen verliezen bij zoiets compleet hun hoofd en raken hopeloos verdwaald. Ik heb er heel wat in paniek het bos in zien verdwijnen. Nooit meer teruggezien trouwens. Maar ik ben blij dat jij jezelf weer bij elkaar hebt weten te rapen. Ik denk dat jij wel potentieel hebt.” Hij zag in zijn verbeelding hordes mannen hoofdeloos door het bos kruipen tot ze van uitputting neervielen. Dat had hem dus ook kunnen overkomen. Opgelucht haalde hij adem.


“Kom” zei de vrouw en hield haar vrije hand naar hem uit, “sta op en loop met me mee. Ik zal je naar het water brengen.” Ze hielp hem overeind en hij liep naast haar het bos in. Na een paar wendingen van het pad zag hij inderdaad het licht weer en de schittering van het water. Hij verwachte half dat het water weer uit het zicht zou verdwijnen en was dan ook blij om te zien dat de waterkant ditmaal snel dichterbij kwam. Na een korte wandeling stond hij naast de vrouw op een zandstrandje aan de rand van klein meertje, midden in het bos.

“Welkom bij mijn meer”, zei de vrouw. “Vanaf hier kan je zelf je weg verder vinden. Maar voor ik je laat gaan, heb je nu begrepen wat er aan de hand was?” Ze keek hem aan, haar donkere ogen strak op de zijne gericht.

Hij dacht na. Haar vraag was een test en hij vermoedde dat ze een fout antwoord niet zou tolereren. Hij wist niet wat ze van plan was maar hij had gezien wat ze met haar staf kon doen. Goed nadenken dus. Wat had hij zojuist allemaal meegemaakt? Ineens wist hij het. “Ik had mijn hoofd achterstevoren op mijn nek staan.” Hij keek haar aan. “Ik keek naar voren maar liep achteruit.”

Ze lachte hem toe. “Inderdaad. Of je liep vooruit maar keek naar achteren. Ik hoop dat je dit niet meer zal vergeten: als je je vasthoudt aan waar je vandaan komt bereik je nooit waar je heen wilt. Houdt je blik dus in lijn met de richting die je uit wilt. Dan wijst de weg zich vanzelf.”

Dat klonk inderdaad nogal logisch. Hij knikte dat hij haar begrepen had. Nog wel wat voorzichtig – zijn hoofd had net nog naast hem op de grond gelegen dus hij wilde geen onnodig risico nemen.

Tegelijk met de vrouw draaide hij zich weer naar het meertje en bewonderde de aanblik van het rimpelende water en het zonlicht dat met de golfjes speelde.

©Bard 2020

Op een dag …

Op een dag …

UntitledOp een dag was het genoeg. Bijna veertig jaar lang had hij geprobeerd te leven zoals anderen dat van hem verwachtten. Maar hoezeer hij ook zijn best had gedaan zich aan te passen, helemaal was dat nooit gelukt. Het bleef een toneelstuk. Weliswaar zo goed ingestudeerd dat hij zelf regelmatig bijna kon vergeten dat het slechts een rol was die hij speelde. Maar dan gebeurde er iets, een ontmoeting, een opmerking, een passage in een boek of een onverwacht vergezicht tijdens een wandeling of autorit; telkens was er iets dat hem weer tot besef bracht van de onechtheid van wie hij trachtte te zijn.

En nu ging het echt niet langer. Hij kon in zichzelf niet langer de kracht vinden het masker weer op te zetten, zijn plaats terug te vinden in het script en netjes op tijd de volgende handelingen in het stuk op te voeren. Hij geloofde er niet meer in.

Hij nam niet eens de moeite om iets in te pakken of mee te nemen. Gewoon zoals hij zich die ochtend had aangekleed, in zijn t-shirt en spijkerbroek, liep hij zijn huis uit, wetend dat hij er nooit meer terug zou komen.

Hij liep eerst naar het einde van de straat. Op de hoek aangekomen draaide hij zich om en zag zijn huis als een miniatuurtje aan de horizon staan. Hij kreeg een idee: met één oog dichtgeknepen strekte hij zijn hand uit in de richting van het huis. Uiterst voorzichtig pakte hij het gebouwtje tussen duim en wijsvinger vast en begon te trekken. Na wat heen en weer wrikken en wiebelen, als een tandarts die een weerbarstige kies moest trekken, wist hij het huis los te krijgen van zijn funderingen. Hij schudde nog wat aarde en zand van de bodem af en stak het kleinood in zijn zak. Tevreden liep hij de straat uit – nu zou hij nooit zonder huis zitten, waar hij ook terecht kwam.

©Bard 2020

Het Sociale Weefsel

Het sociale weefsel is een magisch weefsel
Geweven uit onze verplichtingen
Uit schulden gemaakt en gunsten verleend
In het algemeen belang

Geweven uit onze hoop en dromen
De verwachting van een betere toekomst
Herinneringen aan een gouden verleden
En de verhalen die we samen delen

Het sociale weefsel is een kwetsbaar weefsel
Dat kan verzwakken en kan scheuren
Door eigenbelang en hebzucht
Door achterbaksheid en verraad

Ontrafeld en uitelkaar gescheurd
Door geweld en machtsmisbruik
Door verdeeldheid en haat
En de politiek van de angst

Het sociale weefsel is een kostbaar weefsel
Dat ons behoedt met haar beschutting
Ons de kans geeft te kiezen tussen
mededogen en onverschilligheid

Zonder dit doek om ons te kleden
Zouden wij naakt staan in de wereld
In een ijzig donker Universum
Elk van ons alleen

Bard – 2019

Het Maken van een Parelsnoer – Stap 7

Goed voorbereid en goed geplanned zijn we nu klaar om te beginnen aan de volgende etappe van onze reis. We moeten er niet van uit gaan dat alles precies zo gaat als we geplanned hebben; dat doet het leven meestal niet. We moeten daarom regelmatig onze vooruitgang controleren met behulp van de ZIVs die we hiervoor hebben opgesteld. Dit geeft ons de kans dingen bij te stellen terwijl we onderweg zijn. Op koers blijven en tegelijkertijd reageren op de wereld die om ons heen beweegt en verandert is een balanceerkunst. En net als het bewandelen van het slappe koord vereist ook dit aanzienlijke vaardigheid. Een vaardigheid die we alleen kunnen aanleren door daadwerkelijk dat koord op te gaan. Om er dan weer af te vallen. Diverse keren in het begin, dan steeds minder naarmate we er beter in worden. Zolang we dat vallen niet als falen zien is elke val gewoon deel van het leerproces. We trekken onze kleren recht, halen een paar keer diep adem, en gaan weer terug het koord op om het opnieuw te proberen.

Stap 7: Het Waarmaken

Als we ons pad volgen moeten we beducht blijven voor obstakels en kansen die we onderweg tegenkomen. Er is ook wel wat waars aan het oude cliché dat elk obstakel tevens een nieuwe kans is. Op z’n minst is elke tegenslag of uitdaging een kans om er iets van te leren. We komen vooral vaak weerstand, tegenslag en obstakels tegen aan het begin van een nieuwe reis. Vooral als die reis ons nogal ver voert van hoe we ons in het verleden presenteerden. Hoe meer we afwijken van wat de wereld van ons verwacht of gewend is, hoe meer die wereld ons zal proberen tegen te houden. En ons terug te duwen naar waar het comfortabel is – voor de wereld. Laten we dit onthouden als we weerstand tegenkomen en het zien als een teken dat we in de goede richting bewegen. Het is meestal een teken dat we ons aan het ontdoen zijn van de ankers die ons hiervoor op onze plaats hielden.

Maar we moeten ook ons onderscheidingsvermogen blijven gebruiken. Niet alle weerstand en tegenslagen zijn persé tekenen van vooruitgang. Soms lopen we op tegen echte, onvoorziene obstakels. Wellicht komen we moeilijkheden tegen die we onderschat hebben of helemaal niet zagen aankomen. Soms kunnen we ook zijn gaan afdwalen van ons ideale pad. Als onze bewuste geest did niet opmerkt kan het zijn dat ons onderbewuste op deze manier ons een boodschap probeert te sturen. Wellicht probeert het ons te vertellen dat we beter moeten opletten en weer terug op het pad moeten komen. De enige manier om er achter te komen wat er feitelijk aan de hand is is om de situatie met emotionele afstandelijkheid te onderzoeken. Wat zijn de bron en de aard van de weerstand waar we op stuiten? Wat is onze eigen bijdrage aan deze weerstand? Hoe groot is het probleem waar het ons voor plaatst? Wat zegt onze intuïtie over deze situatie?

We kunnen ook onze ZIVs gebruiken om in te schatten hoe serieus de problemen zijn die zich aan ons presenteren. Hoeveel en welk deel van onze gewenste vooruitgang wordt hierdoor tegengehouden of vertraagd? Is het een essentieel onderdeel van ons verhaal of is het iets dat we kunnen uitstellen of omzeilen?


Ik was al een tijdje aan het onderhandelen met een overheidsklant. Toen, zoals in Australië wel vaker gebeurt, veranderde ineens het politieke landschap. Dat veroorzaakte golven van verandering door alle cirkels van de overheid. Departementshoofden werden vervangen. Hele departementen werden samengevoegd, gesplitst of zelfs helemaal opgeheven. Beslissingen werden opgeschort en initiatieven werden uitgesteld of afgeblazen omdat de budgetten bevroren waren. Het leek erop dat wat een vliegende start van mijn bestaan als onafhankelijk adviseur hadden moeten zijn hier in de kiem gesmoord werd.

Nadat ik eerst even mijn hart had gelucht bij een paar vrienden (ik ben ook maar een mens) deed ik een bewuste oefening van afstandelijke observatie. Hoe belangrijk was deze tegenslag in mijn huidige reis om een schrijver en publiek spreker te worden? Het werk was interessant en het inkomen altijd welkom. Maar het contract was niet bepaald essentieel in het waarmaken van mijn ambities. Misschien was dit uitstel juist een verkapte zegen.

Het werken met grote overheidsklanten kan erg veeleisend en tijdrovend zijn. Het wordt vaak snel ingewikkeld. Veel tijd gaat vaak verloren aan de formele en organisatorische aspecten van het werk, naast het eigenlijke werk zelf. Wat begint als een part-time opdracht kan al snel een volledige baan worden.

Na enige introspectie, meditatie en overleg met mijn partner werd het me duidelijk. De uitgestelde onderhandelingen waren niet kostbare tijd verloren, maar kostbare tijd gewonnen. Het gaf me tijd om te schrijven en tevens een duidelijker, sterker verhaal te ontwikkelen on de wereld te laten zien. Dat betere verhaal zou me ook een betere uitgangspositie geven om later de onderhandelingen mee te hervatten. Het zou me helpen om de opdracht nog meer in de richting van mijn kernvaardigheden te sturen en beter aan te sluiten op de onderwerpen waar ik bekend om wil zijn. Het zou me ook tijd geven om me ervan te verzekeren dat de klant serieus was in hun wens om de veranderingen door te voeren die ze mij vroegen te faciliteren.

Alles bij elkaar bleek het uitstel veroorzaakt door een verandering in de overheid een uitstekende aanleiding tot reflectie en onderzoek. Het gaf me de kans om mijn eigen onzekerheden, zorgen en angsten onder ogen te zien. Het dwong me te herzien waar ik mijn energie en aandacht op moest richten om mijn verhaal waar te maken zoals ik voor ogen had. En het hielp me om mijn focus te hervinden en met hernieuwde energie dit boek af te maken. En dat was tenslotte de hoogste prioriteit op mijn lijst.


Obstakels en weerstand kunnen dus helpen om scherp te blijven en de nodige koerscorrecties aan te brengen. Maar wat gebeurt er als we alle obstakels overwinnen? Als we erin slagen de weerstand die we tegenkomen achter ons te laten? Als onze ZIVs ons vertellen dat we perfect of schema liggen, betekent dat dan dat we onze levensdoelen aan het behalen zijn? Betekent dat altijd dat we rechtstreeks op weg zijn naar ons volmaakte levensverhaal?

Niet persé. Er is nog een valkuil waar we in terecht kunnen komen als alles bijna te goed gaat om waar te zijn. Dat is het gevaar van de gelokaliseerde optimalisatie.

Stel je je een groepje onderzoekers voor op zoek naar de hoogste berg in een bepaald gebied. Hun opdracht is om door te gaan tot ze niet hoger kunnen komen. Als ze het hele terrein kunnen overzien is dit niet zo moeilijk. Ze kunnen een weg uitstippelen naar de hoogste top en vervolgens zo direct mogelijk daarheen gaan. Met beperkte zichtbaarheid – zoals mist of duisternis – wordt de situatie een stuk moeilijker. Als ze maar een paar meter vooruit kunnen kijken is het enige teken dat ze vooruitgang boeken dat ze omhoog gaan in plaats van omlaag. Dat kan er echter toe leiden dat ze de eerste de beste heuvel beklimmen die ze tegenkomen en vervolgens vast komen te zitten. Iedere verdere stap brengt ze lager, niet hoger. Hoe kunnen ze te weten komen, zonder uitzicht op de volgende top, of ze nog verder moeten zoeken en zo ja in welke richting?

Ja, dat is hoog, maar is er nog iets hogers? - ©Bard 2017
Ja, dat is hoog, maar is er nog iets hogers? – ©Bard 2017

Als de dingen te voorspoedig gaan op onze reis is er het risico dat wij ook vast komen te zitten op een plaatselijke heuvel. Dat is gedeeltelijk een probleem met de zichtbaarheid. Het is moeilijk om de toekomst te zien en de volgende heuvel ligt misschien buiten ons huidige gezichtsveld. Maar er is ook het risico van comfort en onzekerheid.

Een top beklommen hebben geeft ons een gevoel van iets gepresteerd te hebben. Onze ZIVs geven aan dat we een doel bereikt hebben. We zijn zichtbaar beter af. We zijn dichter bij ons eindpunt. Dat gevoel van prestatie geeft ons een gevoel van comfort, van tevredenheid. Het voelt goed om op koers te liggen.

Maar vanuit dat comfortabele gevoel houdt elke vervolgstap een risico in. We konden weleens achteruit gaan of de verkeerde kant op. Waarom zouden we dat risico nemen? Waarom zouden we dit comfortabele gevoel opgeven voor de onzekerheid van een nieuwe ontdekkingsreis?

En zelfs als we de contouren van een nog hogere berg in de verte kunnen ontwaren kan onzekerheid ons tegenhouden. We zijn toch OK waar we nu zijn? Die andere berg kan dan hoger zijn maar het zal niet eenvoudig zijn om daar te komen. Voordat we die nieuwe prestatie kunnen halen moeten we eerst een deel van wat we al bereikt hebben opgeven. We zijn er wellicht ook niet zeker van of we wel de vaardigheden in huis hebben om die volgende berg aan te kunnen. Waarom zouden het risico nemen al het goede dat we bereikt hebben kwijt te raken voor een doel dat we misschien niet eens kunnen bereiken?

Deze combinatie van comfort en onzekerheid kan ons klem zetten. Ik zeg niet dat er iets verkeerd is aan het vinden van een gelokaliseerd optimum en daar blijven zitten. Dat is een persoonlijke beslissing die iedereen voor zichzelf moet nemen. Ik zal de laatste zijn om mensen het plezier te ontnemen van een mooie plaatselijke top te beklimmen en daar te genieten van het uitzicht. Maar als we ons toewijden aan een leven van ontdekking en ontwikkeling moeten we onszelf van tijd tot tijd nieuwe uitdagingen geven. We moeten de moed hebben om verder te kijken dan dat mooie uitzicht en onderzoeken wat nog niet ervaren en niet leren door hier te blijven steken.

Obstakels en tegenslag kunnen geweldige kansen bieden voor overdenking, onderzoek en leren. Tijden van prestaties en voorspoed kunnen ons afleiden van groei en verdere ontwikkeling. De kunst van het voortzetten van onze reis ligt in het vinden van een onthecht perspectief. Voorspoed en tegenslag zijn beiden slechts voorbijgaande fases waar we ons niet door moeten laten tegenhouden. We nemen ze waar, ontvangen de lessen die ze ons te bieden hebben en gaan dan verder. Er is altijd meer te onderzoeken en meer te leren. Er is altijd een nieuw verhaal te ontdekken, net voorbij de horizon.

Het Maken van een Parelsnoer – Stap 6

Het verschil tussen ‘wishful thinking’ en kiezen voor een nieuwe richting voor onze toekomst ligt in het hebben van een actieplan. Dit betekent niet dat we alles moeten weten over wat er moet gebeuren. In een complexe wereld en constant verschijnende en veranderende toekomst kunnen we nooit echt alles zeker weten. Het beste waar we op kunnen hopen is genoeg duidelijkheid te hebben over onze richting en genoeg inzicht in onze huidige situatie om te weten welke stappen we als eerste moeten nemen. Elke reis begint met een eerste stap, en dan de volgende, en de volgende. Die paar stappen is wat we moeten weten waar te maken, met het vertrouwen dat de daaropvolgende stappen ons duidelijk worden naarmate we ons verder wagen op onze reis

Stap 6: Het maken van een actieplan

Er zijn minstens zoveel plannings-methodes en hulpmiddelen als er boeken zijn geschreven over het onderwerp. Iedereen moet zich vooral vrij voelen om de gereedschappen te gebruiken waar ze zich prettig bij voelen. Toch zijn er een aantal punten waar ik even bij stil wil staan, omdat ze met name van belang zijn voor het plannen van een persoonlijke reis.

Doelen

De eerste stap in het planningsproces is er zeker van te zijn dat we onze doelen duidelijk genoeg voor ogen hebben. Dat klinkt misschien vanzelfsprekend, maar het vereist wel enige introspectie. Totdat we ze werkelijk in concrete termen omschreven hebben zijn onze doelen vaak vrij vaag en ongenuanceerd. Concrete termen gaan over de zichtbare, tastbare en ontastbare verschillen die we verwachten te zien als we onze eindbestemming bereiken. De doelen waar we het hier over hebben gaan over onze persoonlijke ontwikkeling. Helder voor ogen hebben wat we eigenlijk willen bereiken met de doelen die we ons stellen is belangrijk om onze motivatie en inspiratie vast te houden gedurende onze reis.


Ik heb het bedrijfsleven verlaten om boeken te schrijven en mezelf te ontwikkelen als publieke spreker en facilitator rondom de onderwerpen die ik belangrijk vindt. Ik moet daarbij genoeg inkomen genereren om een redelijke levensstandaard te kunnen onderhouden. Ik wil mijn werklast goed verdelen zodat er een goede balans is tussen de tijd die ik in het openbaar optreed en de tijd die ik nodig heb om nieuwe inhoud te ontwikkelen. Mijn werk is bedoeld om mensen te motiveren en inspireren positieve veranderingen in hun eigen leven aan te brengen, dus ik moet genoeg mensen bereiken om het gevoel te hebben dat mijn werk iets betekent in deze wereld. Tevens realiseer ik me dat dit slechts een volgende fase is in mijn doorlopende reis van zelf-verwezenlijking en dus wil ik wel het gevoel blijven houden dat ik aan het onderzoeken, leren en groeien ben in alles wat ik doe.

Om dit meer concreet te maken heb ik mijn doelen als volgt samengevat:

  1. 2-4 openbare spreekbeurten per maand gedurende 6 maanden per jaar, zodat de andere 6 maanden vrij blijven voor andere activiteiten, inclusief schrijven;
  2. Genoeg inkomen uit mijn openbare optredens om me in staat te stellen zeer kieskeurig te zijn in het aannemen van werk dat ik relevant, de moeite waard en leuk vind om te doen;
  3. Voortdurende verbetering van mijn presenteer-vaardigheden, zodat ik meer voldoening en effect heb maar minder energie verbruik;
  4. Een groeiende invloed zodat meer mensen geïnspireerd raken door de inhoud van wat ik presenteer om positieve actie te ondernemen;
  5. Een dieper begrip en inzicht in de onderwerpen waar ik me mee bezig houd;
  6. Een doorlopend gevoel van persoonlijke groei en vooruitgang op mijn persoonlijke reis van zelf-onderzoek en zelf-verwezenlijking.


Zichtbare Indicators van Vooruitgang

Doelen worden gidsen als we ze kunnen omzetten in waarneembare verschillen, zodat we kunnen zien dat we in de juiste richting gaan. Ze zijn vaak niet echt objectief ‘meetbaar’ – ontastbare doelen zijn dat bijna nooit. Maar, voorzover mogelijk, moeten we ze toch proberen te beschrijven op een manier die ons helpt te zien wanneer we ze bereiken of wanneer ze ons ontglippen. We moeten de verschillen die we verwachten te bereiken zo helder voor ogen hebben dat we onszelf en onze omgeving regelmatig kunnen scannen voor tekenen dat we de gewenste verschillen aan het creëren zijn.

Omdat we een reis aan het plannen zijn, geen plotselinge sprong naar onze eindbestemming, moeten we een manier bedenken om ‘vooruitgang’ in kaart te kunnen brengen. Naast tekenen dat we onze doelen bereikt hebben moeten we ook tekenen bedenken die ons vertellen dat we onze doelen benaderen. We kunnen zulke tekenen ‘Zichtbare Indicators van Vooruitgang’ (ZIVs) noemen. Als we ze goed formuleren zijn ZIVs uitstekende gereedschappen om ons te helpen door te zetten, zelfs als onze einddoelen nog ver in de toekomst liggen en moeilijk bereikbaar lijken.

We kunnen de volgende vragen gebruiken on ZIVs toe te voegen aan onze doelen:

  1. Als dit doel bereikt is, wat is het verschil dat we dan kunnen zien? Wat verandert er eigenlijk als we hierin slagen?
  2. Als dit doel benaderen, hoe zien we dan dat we dichter bij komen? Wat verandert er wanneer ik op het juiste pad ben en de juiste kant opga?
  3. Als we van het doel afraken, hoe zien we dan dat we niet langer op de juiste koers liggen? Wat verandert als we de verkeerde kant opgaan?

Met gebruikmaking van deze drie vragen kwam tot de volgende ZIVs voor een paar van mijn doelen:

  1. Openbare optredens:
    1. bereikt: genoeg boekingen voor het hele komende jaar
    2. benaderend: a groeiende pijplijn van prospects, uitnodigingen en verzoeken om informatie en voorstellen
    3. verder verwijderd rakend: geen reacties op mijn pogingen om belangstelling te genereren
  2. Inkomen:
    1. bereikt: al onze vaste uitgaven zijn gedekt, met daarbij geld om te sparen, geld voor onverwachte uitgaven en voor uitstapjes en vakanties
    2. benaderend: a groeiende pijplijn van mogelijke klanten, voorstellen en een paar betalende klanten
    3. verder verwijderd rakend: niets in de pijplijn en geen uitzicht op inkomen voor de komende 6 maanden
  3. Verbeteren van mijn presentatie-vaardigheden:
    1. bereikt: ik krijg meer energie uit het geven van presentaties dan ik erin steek
    2. benaderend: ik voel me vaker opgeladen dan leeggelopen na een presentatie
    3. verder verwijderd rakend: ik voel me bijna altijd meer uitgeput dan opgeladen na een presentatie

Op dit moment kan ik naar eerlijkheid zeggen dat ik doel 1 heel langzaam aan het benaderen ben, doel 2 nog niet dichterbij zie komen (ik heb er ook nog niet zo hard aan gewerkt), en dat ik voor doel 3 nog een paar presentaties meer moet geven om er iets met zekerheid over te kunnen zeggen, al waren de paar die ik tot nu toe gegeven heb veelbelovend.


Acties kiezen

Met onze doelen en ZIVs bepaald hebben we nu een leidraad die ons kan helpen onze toekomstige acties doelbewuster te kiezen. We moeten wellicht een aantal nieuwe vaardigheden leren en oefenen, sommige handelingen vaker doen en anderen juist verminderen of helemaal stopzetten. Op die manier vormen de keuzes die we nu maken de fundamenten van de toekomst die we willen creëren.

Bij het kiezen van onze acties is het bepalen wat we NIET gaan doen misschien wel het moeilijkst. We leven in een drukke wereld. Er zijn altijd meer dingen te doen dan we kunnen hopen af te maken. Veel van die bezigheid komt voort uit de verwachtingen die andere mensen van ons hebben. Onze banen, familie, sociale cirkels, ze proberen allemaal beslag te leggen op onze tijd en aandacht. Daarbovenop is er een constante overvloed van media (sociale en a-sociale) die constant proberen onze aandacht te vangen.

Hier zullen we voldoende discipline moeten hebben om onnodige afleidingen te vermijden en rigoureus het aantal dingen dat we in een bepaalde tijd proberen te doen verminderen. We moeten het verschil begrijpen tussen dringend en belangrijk. We moeten onderscheid maken tussen wat gevraagd wordt en wat nodig is. We moeten kiezen tussen wat er van ons verwacht wordt en wat nuttig voor ons is. En dan moeten we de discipline hebben om ons aan die keuzes te houden.


De voornaamste activiteit waar ik veel gedisciplineerder in moest worden is in het schrijven. Ik heb het publiceren van een aantal boeken gekozen om mijn reputatie te versterken als autoriteit in de gebieden waar ik bekend voor wil zijn. Boeken schrijven is moeilijk en tijdrovend. Er is ook het probleem van de inspiratie en de juiste stemming die je moet hebben om te schrijven. In het verleden stelde ik het schrijven dan ook vaak uit. Ik verzamelde eindeloze hoeveelheden ‘ondersteunend bewijs’ – waarvan ik het meeste nooit gebruikte. Ik bleef boeken van anderen lezen voor ‘inspiratie’. En vaak bleef ik uren naar een leeg scherm staren wachtend totdat de juiste zin of het gouden idee me zouden invallen.

Om dit uitstelgedrag te overwinnen stelde ik mezelf dagelijkse doelen: ik zou minimaal twee pagina per dag schrijven. Ik zorgde er ook voor dat ik iedere dag een paar uur vrijhield puur voor het schrijven. En dan ging ik er goed voor zitten, zette alle bronnen van afleiding uit en ging stug aan het schrijven. Wat dit deed werken was mijn bewuste beslissing om gewoon te blijven schrijven. In plaats van te proberen perfecte zinnen te construeren en prachtig uitgewerkte passages typte ik vaak gewoon wat me op dat moment voor de geest kwam. Of ik stelde me voor dat ik met iemand in gesprek was en iets probeerde aan ze uit te leggen. En dan schreef ik zo letterlijk mogelijk dat gesprek neer.

De tijd makend om te zitten schrijven - ©Bard 2018
De tijd makend om te zitten schrijven – ©Bard 2018

In het begin was dit veel moeilijker dan het misschien klinkt. Ik moest me echt concentreren om mijn innerlijke critici te negeren – die zeurende stemmetjes in mijn hoofd die maar bleven roepen dat wat ik schreef niet goed genoeg was – en stug te blijven doorschrijven. Het doel was om mijn gedachten op papier te krijgen. Het afwerken en bijschaven tot samenhangende teksten en kunstige stukjes taal zou later wel komen. Zelfs als ik vond dat ik niet veel zinnigs te zeggen had bleef ik gewoon doortypen.

Wat deze gedisciplineerde en koppige manier van schrijven me geleerd heeft is dat de kunst van het schrijven werkelijk de kunst van het schrappen is. Veel van wat ik heb uitgetypt heeft het niet overleefd en is niet terug te vinden in enig boek of blog die ik geschikt vond voor publicatie. De waarheid is dat om dingen te kunnen schrappen je ze eerst moet hebben opgeschreven. Ik heb ontdekt dat het veel makkelijker is om een rammelend en slecht geschreven opgeblazen stuk tekst terug te brengen tot iets elegants, dan te proberen iedere zin direct de eerster keer perfect te krijgen.

Het heeft me ook geleerd dat het proces schrijven zelf een proces van onderzoeken en ontdekken is. Het is een andere manier van het vasthouden en structureren van mijn gedachten. Het verandert de manier waarop ik over dingen nadenk. Het brengt diepte en samenhang in ideeën. Het helpt me om losstaande ideeën met elkaar te verbinden. Het brengt gaten in mijn denken aan het licht. Veel van wat ik nu als mijn beste ideeën beschouw vormden zich pas tijdens het teruglezen en uitpluizen van teksten die dagen of weken eerder geschreven had.


Prioriteiten stellen

Kiezen wat te doen en niet te doen werkt alleen goed als we duidelijke prioriteiten kunnen stellen. De wereld heeft een onuitputtelijke honger naar onze arbeid en aandacht, terwijl wij maar een beperkte hoeveelheid van beiden te geven hebben. Wij moeten ervoor zorgen zoveel mogelijk aandacht te schenken aan de activiteiten die ons verhaal bevorderen. Als we dat niet doen wordt onze reis gekannibaliseerd en verzwakt.

In de praktijk betekent strike prioriteiten stellen het volgende:

  • Heb nooit meer dan drie prioriteiten. Punt. Als we meer dan drie prioriteiten hebben zijn het geen prioriteiten maar is het slechts een lijst.
  • Naast datgene wat we willen doen (onze prioriteiten) zullen er altijd dingen zijn die we moeten doen (onze socio-economische verplichtingen). We moeten die verplichtingen inplannen op een manier die onze prioriteiten intakt laat. Wanneer we onze verplichtingen nakomen moeten we streven naar het acceptabele minimum niveau van energie en kwaliteit. We willen op die zaken niet over-presteren en kostbare energie, tijd en denkkracht verspillen. De vuistregel is hier: het moet precies goed genoeg gedaan worden om ermee weg te komen. Alles daarboven kost ons meer dan het zou moeten.
  • Laat ook tijd vrij voor het onverwachte. Er kan zich iets dringends voordoen dat niet kan wachten. Een kans kan zich aandienen die we niet voorbij willen laten gaan. En als er geen beslag gelegd wordt op die gereserveerde vrije tijd kunnen we het gebruiken om te ontspannen en wat sociale momenten door te brengen met onze vrienden en geliefden. Of helemaal niets doen. We moeten ook af en toe dat drukke hoofd kunnen uitzetten en gewoon uit het raam staren of een doelloos ommetje maken buitenshuis. Naast datgene doen wat belangrijk voor ons is, is het nietsdoen (in al zijn vormen) een van de meest belangrijke dingen die we kunnen doen.

Dit zijn op het moment mijn dagelijkse prioriteiten:

  1. Schrijven
  2. Netwerken
  3. Lezen en denken

Op mijn lijst met verplichte zaken heb ik staan:

  1. Tijd doorbrengen met mijn partner (misschien niet echt een verplichting, maar wel iets waar ik bewust tijd voor moet maken)
  2. Onderhoud aan huis en tuin
  3. Administratie
  4. Familie en vrienden

De dingen die ik zoveel mogelijk vermijd zijn:

  1. Sociale media, behalve om te netwerken en mijn professionele reputatie te versterken
  2. Lange zinloze gesprekken over helemaal niets
  3. Werk aannemen dat me niet inspireert

Ten slotte heb ik voor mijn vrijgehouden tijd een aantal ontspannende, helende en rustgevende activiteiten:

  1. Meditatie
  2. Wandelen
  3. Muziek maken
  4. Romans lezen (geen studieboeken)
  5. Een documentaire kijken
  6. Een 20-minuten ‘power nap’ doen

Ik slaag er niet altijd in om precies deze verdeling van mijn tijd en aandacht aan te houden, maar over het algemeen heeft dit lijstje me veel goed gedaan. Het feit dat dit boek er nu is – tegelijkertijd geschreven met nog een ander boek en diverse blogs – bewijst voor mij dat dit de juiste prioriteiten, verplichtingen, vermijdingen en vrije tijds items zijn voor mij zijn op dit moment.


De tijd nemen om te plannen, doelen te bepalen, ZIVs en prioriteiten te stellen, en dan structuren opzetten die ons helpen om zoveel mogelijk ons plan te blijven volgen lijkt niet altijd de meest inspirerende wijze om onze energie te gebruiken. Maar het betaalt zich op de langere termijn wel degelijk terug. En die langere termijn is ten slotte waar het voor onze persoonlijke reis allemaal om gaat.