Ik maak me al een tijdje zorgen over het redden van de wereld. Die moet absoluut gered worden, maar mijn pogingen daartoe hebben niet veel effect gehad. Tenminste, als ik het dagelijkse nieuws lees.
Maar toen gebeurde er iets dat mijn perspectief veranderde.
We verhuisden naar een nieuwe plek, omringd door een bosperceel. Het bos had aandacht nodig. Sommige bomen zijn aan het sterven, andere delen worden overgenomen door een agressieve, invasieve soort, we hebben meer diversiteit nodig, we hebben wat paden nodig om het terrein toegankelijker te maken… Het voelde als opnieuw een groot project: het bos redden. Uiteindelijk kwam het er natuurlijk op neer dat we gewoon iets kleins moesten kiezen en daar moesten beginnen. We plantten wat jonge bomen, we verwijderden wat van de invasieve bomen, we begonnen een pad vrij te maken. Stapje voor stapje. En nu, iets meer dan een jaar later, beginnen we de vruchten van onze arbeid te zien. Op heel kleine manieren begint het bos er beter, levendiger en meer in balans uit te zien.
Geen van de veranderingen die we hebben doorgevoerd, zijn echt groot. En de meeste verbeteringen die we zien, zijn gewoon de natuur die haar eigen gang gaat. Maar de kleine dingen die we doen, hebben net genoeg impact om de natuur daarbij te helpen.
Dus nu kijk ik steeds meer naar de kleine verschillen die ik dagelijks kan maken, erop vertrouwend dat de grote dingen zichzelf zullen oplossen. Ik geef dingen een klein duwtje in plaats van ze te veranderen; ik ondersteun dingen in plaats van ze te forceren; ik moedig dingen aan in plaats van te proberen ze te dwingen.
Ik weet nog steeds niet of ik de wereld red, maar ik red er zeker mijzelf mee en krijg er een gezonde combinatie van nederigheid, vervulling en gemoedsrust bij cadeau.
Verwacht dus niet dat ik grote, wereldveranderende resultaten zal boeken. Maar als je iets kleins, positiefs en de moeite waards wilt doen zal ik je graag ondersteunen. Op welke kleine manier dan ook.
Een tijdje geleden vertelde ik dat ik het gevoel had dat mijn land mij terugwon. Een onderdeel van dat proces was het opnieuw verbinden met de natuur. Het gevoel in contact te zijn met en verwelkomd te worden door mijn herontdekte natuurlijke omgeving gaf mij een gevoel van thuiskomen dat ik niet had verwacht te vinden.
Maar er zit meer achter dit proces. Dat zijn de verhalen die verborgen liggen in het land waarmee ik opnieuw verbinding maak.
Tientallen jaren woonde ik in Australië. Een van de opmerkingen die mijn Europese familieleden en vrienden tijdens hun bezoek vaak maakten, was dat Australië een grote natuurlijke schoonheid heeft, maar weinig geschiedenis. Ze zien het als een jong land, zonder monumentale gebouwen, historische steden of ruïnes van vroegere beschavingen. Op het eerste gezicht hebben ze het niet helemaal mis. Vergeleken met andere continenten is het bewijs van langdurige menselijke bezetting van het land veel minder zichtbaar. De feitelijke menselijke geschiedenis van Australië gaat echter veel dieper dan de meeste monumenten en archeologische vindplaatsen die toeristen elders in de wereld bezoeken.
Hoe diep die geschiedenis gaat, wordt pas duidelijk als je de mondelinge geschiedenis, kunst, muziek en dansen ontdekt die door de inheemse bevolking van Australië worden uitgevoerd. Ze vertellen verhalen die tienduizenden jaren oud zijn. Hun kunst bevat kennis en inzichten die al honderden generaties worden doorgegeven. En interessant genoeg zijn de meeste van die oude verhalen, liederen en kunstwerken, in plaats van verbonden te zijn met door de mens gemaakte monumenten, nauw verbonden met het land zelf. Ieder natuurlijk kenmerk heeft zijn eigen verhaal, zo lijkt het, en is door dat verhaal verbonden met vele andere plekken op het continent. Voor een inheemse Australiër is wandelen door Country nooit zomaar een wandeling van plaats A naar B; het is tegelijkertijd een wandeling door de geschiedenis van hun volk, een herbezoek van oriëntatiepunten die zij zien als hun voorouders, en een reactivering van alle kennis en geleerdheid van de generaties die eraan voorafgingen. Elke stap die ze zetten zorgt ervoor dat ze zich veilig verankeren in Country en hen in niet mis te verstane bewoordingen vertelt dat dit is waar ze thuishoren.
Ik kwam terug naar Nederland met het idee dat ik veel zichtbare geschiedenis zou aantreffen, maar weinig van het niet-tastbare verhaal. Het bleek dat ik ongelijk had.
Zeker, de zichtbare dingen zijn gemakkelijker te vinden. Het staat tenslotte in alle reisgidsen. Maar het land hier zit ook vol verhalen, als je weet waar je ze moet zoeken. Ze liggen gewoon veel dieper begraven dan in Australië, waar nog steeds mensen actief zijn om ze in leven te houden.
Er is een klein meertje vlakbij ons huis. Het is door de mens gemaakt. Niet omdat mensen een meer wilden hebben, maar omdat ze de turf aan het afgraven waren die ze nodig hadden als brandstof om hun huizen te verwarmen. Het landschap is bezaaid met kleine meren en waterwegen, die spreken van mensen die de grond verbrandden omdat er niet genoeg bomen in de buurt waren om te oogsten als brandhout.
Sommige meren zijn bijna perfect rond, waardoor ze een nog kunstmatiger uiterlijk krijgen. Maar die meren, pingo’s genoemd, zijn juist een natuurlijk fenomeen, veroorzaakt door ijs en smeltwater tijdens de ijstijden die het hele land hier bedekten. Alles bij elkaar spreekt het land over de langzame krachten van erosie en de veel snellere krachten van ontginning, waardoor zowel een zeer uniek landschap ontstaat als wordt herschapen.
Er zijn hier ook enkele oude monumenten, uit de tijd dat de mensen hier jager-verzamelaars waren. Enorme rotsblokken werden gegroepeerd en afgedekt met nog grotere om grafheuvels te vormen die we “Hunebedden” noemen, wat letterlijk “bedden van reuzen” betekent. Ze werden gebouwd lang voordat de latere boeren van dit land uit het oosten arriveerden en werden opgenomen in lokale legendes over de reuzen die in de oudheid door het land zwierven. Sommige van die legendes werden sprookjes, andere werden opgenomen in de lokale overlevering, en sommige werden religieuze verhalen over heiligen en demonen die tussen de gigantische stenen vochten.
Het is nog steeds mogelijk, met wat onderzoek en veel geduld, om een tapijt van half vergeten, half verkeerd herinnerde verhaallijnen samen te stellen die ooit de manier waren waarop onze voorouders hier betekenis gaven aan het landschap om hen heen. Dit doen, denk ik, is een andere manier waarop ik dit land mij terug laat winnen en mij op laat nemen in haar weefsel. Hoe vaker ik de eeuwenoude verhalen tegenkom, hoe gemakkelijker het voor mij wordt om mij niet vreemd, afgescheiden en vervreemd te voelen, maar deel uitmakend van alles om mij heen. Hoe meer ik die oude verhalen opnieuw vertel en reconstrueer terwijl ik het land verken, hoe meer ik het gevoel krijg dat ik een deelnemer en verzorger word, en niet alleen maar een nieuwsgierige toerist op doorreis.
Ik vraag me vaak af waarom de mensheid de neiging heeft om nukkige koningen en kinderachtige tirannen te kiezen en te volgen; waardoor die niet alleen aan de macht kunnen komen, maar ook in staat worden gesteld weerzinwekkende misdaden tegen de menselijkheid te begaan en hele beschavingen te vernietigen, niet zelden ook die van henzelf.
Je zou denken dat de neiging om slechte heersers te kiezen na verloop van tijd wel uit onze genen zou verdwijnen. Welk evolutionair voordeel kan er schuilen in deze hang naar leiders die meer schade dan goed aanrichten? Toch vallen we keer op keer voor dezelfde types.
Waarom? Welke mechanismen spelen er waardoor deze types niet alleen aan de macht komen, maar hun macht tot belachelijke hoogten kunnen laten stijgen, terwijl hun kinderachtige en destructieve gedrag toch duidelijk zichtbaar is voor elke kritische volwassene?
Omdat dit patroon zo vaak voorkomt in alle beschavingen, vermoed ik dat het diep in ons DNA gecodeerd moet zijn. Ik kan alleen maar speculeren – omdat we niet echt weten hoe ons DNA ons gedrag codeert – dat nukkige koningen en kinderachtige tirannen afhankelijk zijn van een verkeerde inschakeling van verder gezonde en noodzakelijke instincten.
Mensen hebben bijvoorbeeld diepgewortelde ouderlijke instincten, die ons ertoe aanzetten hulpeloze baby’s te beschermen en te verzorgen. Misschien wekken infantiele tirannen datzelfde instinct op, op een overdreven en disfunctionele manier, zoals te grote en onnatuurlijk felgekleurde eieren een fanatieke broedimpuls bij vogels veroorzaken. Dit zou ervoor kunnen zorgen dat we een openlijk kinderachtige en onverantwoordelijke leider willen beschermen en zelfs koesteren.
Een ander patroon dat ik verdenk is ons instinctieve verlangen naar de bovenmenselijke ouder die we verloren toen we opgroeiden en onze ouders ontmaskerd werden als net zo onmachtig en onvolmaakt als iedereen. Er schuilt iets diep troostend in de overtuiging dat onze ouders alwetend en almachtig zijn. Het stelt ons in staat het onschuldige kind te zijn, machteloos maar veilig onder de bescherming van wezens die superieur aan ons zijn.
Misschien verlangen we er allemaal nog steeds naar om dat kind te zijn, vol ontzag buigend voor de wil van onze bovenmenselijke ouders. Dat zou kunnen verklaren waarom we ons aangetrokken voelen tot individuen die openlijk en uitdagend wetten, regels en sociale conventies overtreden. Het zou onverantwoordelijke, opschepperige en arrogante leiders op een vreemde manier aantrekkelijk maken voor het innerlijke kind dat we in onze vroege kinderjaren verloren. Het zou ook verklaren waarom koningen en tirannen door de eeuwen heen altijd zijn afgeschilderd als groter dan levensgroot, dicht bij God of Goden, en in het bezit van magische en mystieke krachten.
David Graeber en Marshall Shalins betogen in hun boek ‘On Kings’ dat we niet willen dat onze koningen en heersers de wet gehoorzamen, maar erboven staan. Een koning die constitutioneel beperkt is, mist die bovenmenselijke, zelfs bovennatuurlijke aantrekkingskracht die een heerser die aan niets en niemand verantwoording aflegt, lijkt te hebben. Als ik zie waar tirannen historisch gezien mee wegkwamen, en dat vaak nog steeds doen, zou dat kunnen komen doordat hun volgelingen behoefte hebben aan iemand die werkelijk boven alle menselijke wetten staat. Dat zou een echo kunnen zijn van wat het machteloze kind in zijn ouders zag voordat ze uit de gratie vielen.
De paradoxale combinatie van deze twee instincten – de drang om onze kinderen te beschermen en te koesteren, veroorzaakt door volwassenen die zich gedragen als te grote peuters en de behoefte aan bovenmenselijke ouderfiguren, veroorzaakt door meedogenloze individuen die openlijk wetten en regels aan hun laars lappen – zou de fanatieke toewijding en verdediging gecombineerd met onvoorwaardelijke gehoorzaamheid kunnen verklaren waarmee destructieve tirannen en zich misdragende koningen zo vaak omringd worden.
Als mijn vermoedens waar zijn, loopt de mensheid voortdurend het risico om door een paar van onze diepste instincten te worden misleid om diep gebrekkige, psychopathische en destructieve individuen te bewonderen, mogelijk te maken en te gehoorzamen. Niet omdat we er bewust voor kiezen, maar omdat onze instincten ons daartoe aanzetten.
Wat kunnen we eraan doen? Zijn we gedoemd om voor eeuwig te vallen voor infantiele bazen en belachelijke heersers?
Ik hoop het niet. Ik geloof dat we meer zijn dan onze instincten. Ik geloof dat we ons zelfbewustzijn en zelfbeheersing kunnen trainen om te herkennen en bij te sturen wanneer onze instincten ons bedriegen en tegen ons worden gebruikt. Ik geloof ook dat we onze cultuur – de gedeelde aannames, gedragingen en verhalen die onze samenleving bovenop onze instincten legt – vorm kunnen geven om ons tegen dergelijk misbruik en bedrog te beschermen. Het betekent wel dat we onze cultuur niet kunnen laten dicteren door degenen die misbruik willen maken van dergelijke manipulatie. We moeten er collectief voor kiezen onszelf te wapenen tegen het misbruik van onze kwetsbare instincten, zodat we minder geneigd zijn blindelings achter heersers aan te rennen die ons op een dwaalspoor brengen.
Enige tijd geleden schreef ik over de aardige mensen en onaardige systemen die ik tegenkwam toen onze auto midden op een redelijk drukke provinciale weg nogal dramatisch pech kreeg. Vriendelijke onbekenden brachten mijn vrouw en mij veilig thuis; onvriendelijke systemen maakten het ons erg moeilijk om onze mobiliteit terug te krijgen. Het was uitsluitend aan de vriendelijkheid en klantgerichtheid van de garagehouder te danken dat we maar een paar dagen zonder auto hebben gezeten.
Voor mij is dit echter niet het einde van dit incident, maar eerder het begin van een leertraject. Ik probeer altijd te leren van de verstoringen en omwentelingen in mijn leven. Mede om erachter te komen wat ik in de toekomst anders kan doen om te voorkomen dat dezelfde dingen opnieuw gebeuren. Maar ook omdat retrospectief leren zulke incidenten een betekenis geeft die verder gaat dan alleen vervelend, pijnlijk of erger. Het helpt mij om dingen in perspectief te zetten.
Dus toen ik vandaag met de monteur sprak die aan mijn auto had gewerkt, was het eerste wat ik vroeg of ik iets anders had kunnen doen, hetzij om te voorkomen dat de auto defect zou raken, hetzij om veilig van de weg te komen als dat toch gebeurde. Hij verzekerde mij dat ik niets verkeerd had gedaan. Toen hij de auto meenam voor een proefrit nadat hij de boordcomputer had gereset en wat diagnoses had uitgevoerd, vertoonde de auto precies hetzelfde defect, waardoor hij midden op een rotonde strandde. Hij moest door zijn collega’s worden gered temidden van boos toeterende auto’s bestuurd door verwoed gebarende chauffeurs. Het was voor hem wel duidelijk dat de auto de schuld had, niet de bestuurder.
Dus toen werd de vraag: wat zorgt er precies voor dat de auto op deze manier opspeelt? Waarom gebeurt dit? Welk onderdeel is schuldig?
Interessant genoeg legde de monteur uit dat geen van de onderdelen als zodanig defect was; ze deden allemaal wat ze moesten doen en presteerden volgens hun ontwerpspecificaties. Toen ze echter werden samengevoegd, slaagden een aantal componenten er onder zeer specifieke omstandigheden in om een gecombineerde piek in de elektriciteitsproductie te creëren. Die piek activeerde het veiligheidssysteem van de boordcomputer en schakelde alles uit om te voorkomen dat de elektronica kapot zou gaan. Met andere woorden: nominaal correct functionerende onderdelen kunnen, zonder dat een van deze onderdelen defect raakt, een plotselinge ineenstorting van de functionaliteit van het hele systeem veroorzaken; waardoor het in ons geval tot een dramatische noodstop halverwege de reis kwam.
Om een lang verhaal kort te maken (de monteur en ik praatten een aantal uren terwijl we wachtten op de huurauto): wat er mis was met de auto had minder te maken met de onderdelen dan met de manier waarop ze samen functioneerden. Wanneer meer dan een paar onderdelen hun randcondities naderden, kon het resultaat het gecombineerde systeem over de rand duwen.
Wat leert dat ons?
Ten eerste: geen van de onderdelen was kapot. Ze deden allemaal wat ervan verwacht werd. Geen schuld dus. Ten tweede: het systeem als geheel was ontworpen met voldoende fail-saves om grote schade te voorkomen. Dus ook daar geen schuld.
Fail-safe is echter niet hetzelfde als veilig falen. Ik denk dat er veel ruimte is voor verbetering in de manier waarop de auto stopt met functioneren. Door bijvoorbeeld de vergrendelingen van het stuur- en remsysteem handmatig op te kunnen heffen, zou de bestuurder de auto op zijn minst van de weg kunnen duwen zodra deze tot stilstand was gekomen. Misschien had het systeem geleidelijker en eleganter uit kunnen gaan, waardoor de bestuurder meer tijd had om een veilige plek te bereiken om de auto te stoppen. En ik denk dat de waarschuwingssignalen op het dashboard dringend een meer op de bestuurder gericht herontwerp nodig hebbben. De meeste waarschuwingen waren misschien nuttig voor een monteur die probeert vast te stellen wat er mis gaat, maar dat hielp mij niet te begrijpen wat er aan de hand was en hoe ik daar het beste op kon reageren. Een klein voorbeeld: “remsysteem inspecteren” is geen nuttige instructie als je 80 km per uur rijdt en de auto plotseling uit zichzelf begint te remmen.
Ten tweede: toleranties en redundanties kunnen er op papier als verspilling uitzien, maar kunnen een systeem dat onder druk staat, maken of breken. De monteur en ik vermoeden dat sommige onderdelen ondergedimensioneerd waren om kosten te besparen. Hoewel ze technisch gezien binnen de specificaties lagen, hadden ze niet de extra ‘speelruimte’ om verschillende randgevallen op een elegante manier af te handelen.
Tenslotte: complexe systemen, vooral wanneer ze nauw geïntegreerd zijn en vol afhankelijkheden, worden bronnen van onvoorspelbare uitzonderingen. De boordcomputer van onze auto zit vol met op regels gebaseerde software die hem vertelt hoe hij moet reageren op alle bekende uitzonderingen. Maar op regels gebaseerde systemen zijn hulpeloos in het licht van onvoorspelbare gevallen waarin de grenzen worden overschreden op een manier waar geen regels voor zijn. Het zou de verantwoordelijkheid van de ontwerpers moeten zijn om a) de afhankelijkheden tussen componenten te verminderen; b) meer toleranties en redundanties in te bouwen om het vermogen van het systeem om fouten die zich voordoen te herstellen (of elegant uit te gaan) te verbeteren; en c) een interface te bieden die op de bestuurder gericht is, en niet op de auto, om de bestuurder te helpen de auto veilig uit de gevarenzone te krijgen wanneer de systemen falen.
Ik geef de ontwerpers, de fabrikant of de monteurs niet de schuld van wat er is gebeurd. Schuld leert ons niets nuttigs. Maar ik hoop wel dat iemand hier wat van leert en die lessen toepast om een beter resultaat te krijgen dan waar wij onlangs mee geconfronteerd werden.
Een paar weken lang hadden we een huurauto in bruikleen in afwachting van de reparatie van onze leaseauto. De huurauto werd geregeld door de dealer en niet, zoals ik had verwacht, door de leasemaatschappij.
Verschillende mensen reageerden op mijn verhaal over de onwil van de leasemaatschappij om ons mobiel te houden nadat onze auto defect was. Een veel voorkomende aanname was dat een leasecontract een DAAS-overeenkomst (Driving as a Service) is. De auto zou er niet toe moeten doen, wat er wel toe zou moeten doen is dat we mobiel zouden blijven.
Dat was eerlijk gezegd ook mijn uitgangspunt toen ik het leasecontract tekende. Om precies te zijn: toen ik de huurovereenkomst tekende, wat een verkorte versie was van het volledige contract. Het volledige contract stond op de website van de leasemaatschappij. Ik herinner me dat ik die destijds wel heb doorgebladerd, maar niet de tijd nam om het hele stuk te lezen, omdat het vele pagina’s lang was en geschreven in het soort kleine lettertjes waar je ogen van tranen en je hoofd pijn van doet.
Het blijkt dat mijn begrip van de overeenkomst die ik met de leasemaatschappij heb gesloten niet helemaal overeenkomt met hun begrip van wat we hebben afgesproken. Het basiscontract is niet veel meer dan een financieringsdeal, met wat extra diensten rondom onderhoud, verzekeringen en een financieel aantrekkelijke manier om na een paar jaar over te stappen naar een nieuwe auto. Terwijl de website en de informele communicatie van de leasemaatschappij vol staan met beloftes rond ‘zorgeloos rijden’, ‘wel de lusten, niet de lasten’, ‘de zekerheid dat alles goed geregeld is’, etc. is het eigenlijke contract overduidelijk zorgvuldig opgebouwd rondom heel wat voorwaarden, uitzonderingen en kanttekeningen die deze beloften ondermijnen. Als ik de tijd en moeite had genomen om het volledige contract te bestuderen voordat ik de overeenkomst tekende, had ik misschien om een andere overeenkomst gevraagd, of was ik naar een andere leasemaatschappij gegaan.
Waar we dus mee zitten is een mismatch tussen mijn begrip van de afspraken en dat van de leasemaatschappij. Wiens schuld is dat? De mijne of die van hen?
Juridisch gezien ligt de schuld natuurlijk bij mij. Hoewel het niet was opgenomen in het papierwerk dat de leasemaatschappij mij stuurde, was het volledige contract met alle clausules en bijlagen online beschikbaar. Ik had dat moeten bestuderen voordat ik de overeenkomst tekende.
Ethisch gezien is het antwoord misschien niet zo eenvoudig. De leasemaatschappij maakte bijvoorbeeld niet bepaald reclame voor het feit dat er achter het eenvoudige overeenkomstformulier dat ik tekende een lang en ingewikkeld contract zat. Er werd alleen naar verwezen in een voetnoot, gedrukt in superkleine lettertjes, onderaan de (grotendeels lege) pagina, verstopt onder hun logo en enkele irrelevante bedrijfsinformatie. Bijna alsof ze probeerden mij ervan te weerhouden het te lezen. En het contract zelf vereiste nauwkeurige lezing en kennis van het Nederlands op hoger onderwijsniveau om volledig te kunnen begrijpen wat erin stond. Sommige zeer slimme advocaten moeten enorm veel plezier beleefd hebben aan het vinden van creatieve manieren om ons essentiële diensten te ontzeggen terwijl ze deze schijnbaar wel beschikbaar stellen.
Ik ben van mening dat een klantgericht bedrijf, een bedrijf dat echt geeft om het welzijn en de tevredenheid van zijn klanten, zich verantwoordelijk moet voelen om ervoor te zorgen dat zijn klanten de afspraken begrijpen waarvoor ze tekenen, vooral als die afspraken complex zijn en makkelijk kunnen leiden tot verkeerde aannames en misverstanden. In dergelijke gevallen zouden morele overwegingen hun zorgplicht moeten bepalen, en niet het gebruik van juridische argumenten die ze een excuus geven om zich niets van de klant aan te trekken.
Ik was van plan een wat langer vervolg te schrijven op een eerder bericht over aardige vreemde mensen, en enkele voorbeelden toe te voegen van mensen die wat extras deden om ervoor te zorgen dat mijn vrouw en ik veilig thuiskwamen na onze beproevingen veroorzaakt door het plotselinge overlijden van onze auto.
Helaas waren de dagen na die avond gevuld met de tegenovergestelde ervaring: onvriendelijke systemen die praktisch waren ontworpen om ons leven zo moeilijk mogelijk te maken.
Ik zat gevangen tussen vijf of zes verschillende partijen, allemaal bedoeld om ons te helpen de ongelukkige situatie op te lossen waarin we ons bevonden: thuis in een landelijk gebied, ver van het openbaar vervoer, zonder auto voor een periode die dagen of zelfs weken zou kunnen duren. De oplossing lijkt eenvoudig genoeg: als we voor de duur van de reparatie een vervangende auto zouden kunnen krijgen, zou er geen echt probleem zijn. Maar zes partijen, met minstens een dozijn systemen om mee te werken, veranderden dit al snel in een Kafka-esk-labyrint met alleen maar doodlopende wegen.
De leasemaatschappij wees erop dat de auto nog onder de garantie valt, dus is het de verantwoordelijkheid van de leverancier om ons alternatief vervoer te bieden. De leverancier heeft ons doorverwezen naar de dealer die de reparatie uitvoert. De dealer probeerde ons te helpen, maar ontdekte dat zijn systeem hem niet toestaat een auto voor ons te boeken, omdat ik niet als eigenaar van de auto sta geregistreerd, maar de leasemaatschappij wel. De leasemaatschappij vertelt mij vervolgens dat ze onze verzekering kunnen activeren en via hen een claim kunnen indienen. Maar de verzekeraar zegt dat hun systeem pas actie kan ondernemen als er een officiële schadeclaim is ingediend. Ik zou dat graag doen, maar kreeg te horen dat de reparerende dealer de enige was die dat kon doen – nadat hij de reparatie had uitgevoerd. Pas dan kon een vervangende auto worden aangevraagd, maar dat zou dan uiteraard niet meer nodig zijn, omdat de auto dan gerepareerd zou zijn en klaar om aan ons te worden ingeleverd.
Toen de dag om was had ik gesprekken gehad met de leasemaatschappij, de leverancier, de dealer, het sleepwagenbedrijf, de verzekeraar en een autoverhuurbedrijf… en telkens liep ik vast op soortgelijke systemische kwesties. Het resultaat was dat er die dag nog niets definitief besloten was. Met zoveel onaardige systemen die obstakels op ons pad wierpen, kon het dagen duren voordat we een oplossing hebben.
Ik was er zeker van dat het uiteindelijk vanzelf wel goed zou komen. Maar wat opvalt is het verschil tussen de vriendelijke vreemdelingen die bereid zijn de regels te omzeilen om ons te helpen en ons veilig thuis te brengen, en de onvriendelijke systemen die de boel in de war brengen. Ik kan alleen maar aannemen dat hun onvriendelijkheid niet opzettelijk is. Ik heb ook geen klachten over de operators met wie ik heb gesproken. Die deden allemaal hun uiterste best om een oplossing te vinden. Maar elk systeem is ontworpen om een klein deel van een veel grotere puzzel op te lossen, zonder echt inzicht in de totale complexiteit. Gebouwd rond aannames, en op die aannames gebaseerde regels, die een nog kleiner deel van de puzzel bestrijken: het deel waarin alles volgens plan verloopt. Wat het toch maar zelden doet.
Een tijdje geleden, op de terugweg van ons boodschappenrondje, begon onze auto op te spelen. Het automatische remsysteem begon op willekeurige momenten te remmen, wat eng genoeg was, voordat er allerlei waarschuwingslampjes op het dashboard verschenen, gevolgd door een waarschuwing in vetgedrukte letters op een felrode achtergrond die me vertelde dat de auto een noodstop zou maken. Niet precies wetend hoeveel tijd ik nog had voor we definitief tot stilstand zouden komen ging ik verwoed op zoek naar een veilige plek om de auto van de weg te krijgen.
We waren bijna in veiligheid. De auto stond half op de berm van de weg, waarbij slechts een stukje van de achterkant nog uitstak toen de auto onder mijn handen stierf en daarbij de remmen en het stuur blokkeerde. Het had nog erger kunnen zijn, in ieder geval was het grootste deel van de auto van de weg af, maar het stuk dat uitstak, op een 1,5-baans weg, in een bocht geflankeerd door bomen, was gevaarlijk genoeg om ons ongerust te maken. Wat ik ook probeerde, het lukte me niet om de motor opnieuw te starten, noch kon ik de remmen en het stuurmechanisme ontgrendelen.
Binnen enkele minuten stopte er een busje achter ons, de chauffeur stapte uit en vroeg of hij kon helpen. We probeerden de auto verder in de berm te duwen, maar die gaf geen krimp, dus verontschuldigde de man zich uitgebreid voordat hij verder reed. De volgende persoon die hulp bood was een plaatselijke boer die te horen kreeg dat iemand een auto aan de rand van zijn aardappelveld had geparkeerd. Hij was ook erg vriendelijk en stelde enkele nummers voor die we konden bellen voor deskundige hulp.
Dus hebben we de wegenwacht gebeld en gewacht, in de hoop dat niemand ons van achteren zou aanrijden of een frontale botsing zou veroorzaken door om onze auto heen te sturen zonder te controleren of er tegenliggers aankwamen. Eerlijk gezegd waren er enkele bijna-ongevallen, maar gelukkig geen echte crashes.
Ongeveer een uur later kwam de ANWB-meneer langs. Hij stelde zichzelf voor en besteedde vervolgens bijna een uur aan allerlei soorten diagnoses om ons ter ziele gegane voertuig te reanimeren. Het mocht niet baten. We moesten een sleepwagen bellen en kregen te horen dat het nog minstens een uur zou duren voordat er een zou arriveren.
Tot onze verbazing besloot de ANWB-man bij ons te blijven wachten. Hij had de zwaailichten van zijn truck aangezet en een reeks pylonnen om onze auto gezet om ervoor te zorgen dat er geen auto’s tegen ons aan zouden botsen. Vervolgens hadden we toen een zeer boeiend gesprek over zijn werk, mijn werk, de toestand van de wereld, zelfs de politiek en een beetje religie, allemaal in een zeer vriendschappelijke sfeer, bijna alsof we oude vrienden waren die aan het bijpraten waren onder het genot van een (denkbeeldig) biertje. Toen de sleepwagen eindelijk arriveerde, werd met hulp van de ANWB-man onze volledig dode auto succesvol op de sleepwagen geladen.
Hij hoefde dit niet te doen. Hij had al uren geleden kunnen inpakken en verdergaan. Het was pure vriendelijkheid en behulpzaamheid waardoor hij aan onze zijde bleef en daar zal ik altijd dankbaar voor zijn.
De chaffeur van de sleepwagen was ook behulpzamer dan hij strikt genomen hoefde te zijn. In plaats van ons af te zetten bij de garage waar onze auto moest worden afgeleverd – waarvandaan we dan een taxi hadden moeten nemen om thuis te komen – reed hij een stuk om om bij ons op de hoek van de zandweg naar ons huis te kunnen afzetten. Daarvandaan was het een paar minuten lopen, dus dat scheelde enorm. Op de afbeelding zie je hoe ik onze boodschappen wegdraag in een kruiwagen die we net gekocht hebben, niet wetende dat deze al zo snel van pas zou komen :-).
De soldaat wist precies wat zijn missie was en hoe belangrijk. “Zolang er ook maar één van die schoften over is kan er geen vrede zijn”, was hem verteld. En vrede was wat hij het liefste wilde, na jarenlang een oorlog gevoerd te hebben die niemand had gewild maar niet had kunnen voorkomen.
Dus ploeterde hij voort door regen en sneeuw, door puin en modder, door platgebombardeerde steden en met loopgraven gevulde velden. Nergens was er leven te zien; er waren geen vogels, geen dieren, geen insecten. De bomen en velden waren zwartgeblakerd en uiteen gereten door explosies. Zelfs de ratten hadden het niet overleefd.
Toen hij het uitgebrande karkas van een huis passeerde zag hij binnen iets bewegen. Op zijn hoede, zijn geweer in de aanslag, stapte hij door de deuropening naar binnen en zag de vijand naar hem kijken. “Wat een monster”, dacht hij, “onder de modder en opgedroogd bloed, zijn uniform vol scheuren en gaten. Kijk naar dat smerige haar, zijn ongewassen gezicht en handen. Zie die verwrongen grijns op dat gezicht, de waanzin in die gemene ogen. Je zou bijna nog medelijden met hem krijgen.”
Maar de soldaat wist wat zijn missie was en aarzelde geen moment. Hij verbrijzelde de manshoge spiegel voor hem met de achterkant van zijn geweer en activeerde een granaat, die hij tegen zijn borst aandrukte. Het huis en de soldaat desintegreerden in een enorme explosie van licht en geluid.
Na een tijdje kwamen het puin en het stof tot rust op de grond en was alles weer stil.
De oude vrouw zat in haar stoel naast het raam dat uitkeek over de parkeerplaats en het verwaarloosde beetje groen dat alleen de website van het tehuis durfde te beschrijven als “een weelderig park”. Haar kamer was klein: net groot genoeg voor een bed, een nachtkastje, een klein koffietafeltje en twee oude stoelen.
Als er iemand op bezoek zou komen zou ze zich schamen om ze binnen te laten. Het tapijt was versleten, het behang bladderde van de muren, de gordijnen waren vergeeld en ongewassen. Maar er zou niemand op bezoek komen. De weinige mensen die ooit om haar hadden gegeven waren allang dood.
Haar kinderen konden evengoed dood zijn. Toen die hadden ontdekt dat haar geheugen achteruit ging en ze een beetje slecht ter been werd hadden ze geen moment geaarzeld. Ze hadden haar uit het huis gehaald waar ze haar hele leven gewoond had en verscheept naar een ‘betaalbaar’ verzorgingstehuis, ver genoeg uit de buurt om ze een excuus te geven haar niet te komen bezoeken. Niemand had haar meer nodig. Ze hadden haar opgeborgen om vergeten te worden; om langzaam weg te kwijnen en te sterven als de vergeten potplanten verspreid over het parkeerterrein buiten.
De oude vrouw zuchtte en staarde in de leegte. Hoe was ze toch hier terecht gekomen? Niet het tehuis, maar haar hele situatie: alleen, afgedankt, vergeten. Wat was er met haar gebeurd dat een heel leven zo makkelijk kon worden samengevat in een verhaal van vier zinnen:
Ze werd geboren. Ze leefde. En ze stierf.
Einde.
Eerste Beweging
Zo zit ze daar nog een hele tijd, bewegingloos, in gedachten verzonken.
Geleidelijk begint er zich echter een idee te vormen in haar geest. Wat als haar hele miserabele situatie gewoon een vergissing was? Een verkeerde afslag die ze ergens in haar verleden had genomen? Dat zou zoveel verklaren. Het gevoel dat dit niet het leven was dat voor haar bedoeld was. Dat ze een acteur was die bij vergissing het verkeerde script had gekregen. Dat haar echte leven zich ergens daarbuiten afspeelde, net buiten bereik? Dat de beelden van een beter, meer vervuld, meer gepassioneerd leven die ze altijd had afgedaan als kinderachtige dromen in werkelijkheid reëler waren dan het lege bestaan dat zij te verduren had gehad.
Ze besluit om het te gaan uitzoeken.
Ze recht haar rug, sluit haar ogen, en concentreert zich op de laatste keer dat ze een deel van zichzelf verloren voelde gaan.
Het Ouderlijk Huis
“Echt moeder, zo kan het niet langer,” zei haar dochter, voor de zoveelste keer, “helemaal alleen in dit huis. Wat als je valt en iets breekt? Je kan hier wel dagen liggen zonder dat iemand iets weet. Of je laat het gas aanstaan en blaast het hele huis op. Je zou kunnen verdwalen. Het is gewoon niet veilig meer voor jou om hier alleen te wonen.” Ze deed haar best om bezorgd te klinken maar het enige dat de oude vrouw opmerkte was haar dochter’s ongeduld en irritatie.
“Het is gewoon belachelijk,” viel haar zoon zijn zus bij, “hoe jij dit hele huis voor jezelf alleen houdt. Al die lege kamers: pure verspilling van ruimte en energie. Niemand komt hier ooit logeren. Je moest je schamen; de woonruimte die jij in je eentje inneemt. Denk eens aan al die daklozen. Alleen die tuin al is groot genoeg voor een heel appartementenblok. Daar zouden zo een dozijn families kunnen wonen. Puur egoïsme, dat is wat het is.”
“Je kan echt niet langer zo doorgaan,” zei haar dochter, opnieuw. “Het kost een fortuin aan onderhoud, verzekeringen, belasting, … allemaal weggegooid geld omdat jij te koppig bent om toe te geven dat je gewoon te oud bent om hier te blijven wonen. We weten niet eens of je ze alle zeven nog wel op een rijtje hebt, weet je wel, … daarboven? Je bent zo verstrooid en vergeetachtig, zo afwezig. We kunnen nauwelijks nog een fatsoenlijk gesprek met je hebben tegenwoordig. Zo kan het echt niet doorgaan. We moeten iets doen. Voor je eigen bestwil.”
De oude vrouw herinnert zich de hele conversatie. Elk pijnlijk woord voelde als een dolk in haar hart. Ze had zich willen verzetten, terugduwen, ze vertellen dat ze van dit huis hield en van de tuinen. Dat ze hier tevreden was. Maar ze kon de woorden niet vinden. Haar geest was de laatste tijd steeds trager geworden en tegen de tijd dat ze wist wat ze wilde zeggen waren haar kinderen alweer doorgegaan. Dus had ze daar maar gezeten, in stilte, haar hoofd schuddend van frustratie en pijn.
“… teken hier, en hier, …” zegt haar zoon, nogal agressief een stuk papier naar haar toeschuivend over de tafel, “dat geeft mij beslissingsbevoegdheid, zodat ik overal voor kan zorgen. Het is echt beter zo, en dat weet jij ook. Iemand moet toch de verantwoordelijkheid nemen voor jouw situatie, en jij kan dat duidelijk niet langer zelf.”
In haar gedachten ziet de oude vrouw hoe ze de pen had gepakt, zonder te willen tekenen. Ze was te moe geweest om zich nog tegen haar kinderen te verzetten. Ze hadden haar verward en vernederd doen voelen met hun constante barrage van beschuldigingen. Ze voelde zich beschaamd om haar egoïstische verlangen iets voor zichzelf te houden. Ze hadden haar in een staat van stille berusting gemanoeuvreerd vanwaar opgeven bijna een verlossing leek. Ze voelde hoe ze steeds verder wegzonk in apathie en vergetelheid. Ze zou dat papier tekenen om van al het gezeur af te zijn.
“Nee!” zegt ze, “Ik laat dit niet gebeuren!” Tot haar eigen verbazing merkt ze dat ze dit hardop heeft uitgesproken. Haar kinderen, al even verbaasd, deinzen achteruit in hun stoelen. Geschrokken kijken ze haar aan.
De oude vrouw zet door: “Ik weet wat jullie tweeën willen. Het gaat jullie niet om mij. Jullie geven niets om mij. Dat hebben jullie nooit gedaan. Het enige waar jullie op uit zijn is dit huis en wat het waard is. Voor jullie ben ik alleen maar een last, en nog een dure ook. Jullie denken dat je me weg kunnen bergen in een godvergeten bejaardentehuis hier ver vandaan. Zodat jullie mij kunnen vergeten en door kunnen gaan met jullie eigen zelfzuchtige leventjes. Maar ik laat het niet gebeuren. Ik teken dit papier niet. Ik laat me niet uit mijn huis zetten. Ik ga me niet schamen om wie ik ben. Niet voor jullie, niet voor wie dan ook. Jullie zijn het die zich zouden moeten schamen. Diep schamen.”
Met vlammende ogen kijkt ze haar kinderen aan, die ingezakt in hun stoelen zitten, te verbaasd om iets te zeggen. “Kijk nou toch. Lafaards, dat is wat jullie zijn. Gieren die azen op de ouderen en zwakkeren. Misschien is het allemaal mijn eigen schuld. Misschien heb ik jullie laten opgroeien tot wat jullie nu zijn. Als dat zo is dan spijt me dat. Maar genoeg is genoeg!”
Ze staat op en scheurt het paper dat haar zoon haar gegeven had in stukken. “Hier is je machtiging,” zeg ze, en gooit de snippers hun gezichten. “Niets dan snippers en holle woorden. Jullie krijgen geen bevoegdheid over mij. Nu niet en nooit niet. Jullie willen van me af? Nou, dat kan geregeld worden. Mijn huis uit. Nu! En ik wil jullie hier nooit meer zien. Eruit!” Ze wijst naar de deur met een opvallend vaste hand. “En probeer maar niets te bekonkelen. Ik onterf jullie voordat ik me ooit nog zo laat behandelen.”
Met stomheid geslagen staan haar zoon en dochter op en lopen naar buiten. Ze kijken niet een keer om en slaan de voordeur hard achter zich dicht. Ze hoort ze wegscheuren in die dure autos van ze.
Ze zal ze nooit meer zien.
In gedachten kijkt ze rond. Het huis is weer van haar. Ze heeft haar leven terug. Voor het eerst in haar bestaan heeft ze een crisis aangepakt en in haar voordeel omgezet. Ze heeft eindelijk het heft in eigen hand genomen. En dat voelt geweldig.
Tweede Beweging
Ze leunt achterover in haar stoel en sluit opnieuw haar ogen. Het voelt goed om in haar eigen huis te zijn, met haar eigen leven in haar eigen handen. Maar ze is nog steeds alleen in de wereld. Haar bestaan voelt nog steeds leeg en onvervuld. Ze weet dat het leven zoveel meer voor haar in petto had. Waar zou ze nog meer iets verloren hebben laten gaan wat eigenlijk voor haar bestemd was?
Het Kantoor
“Mevrouw Olwen? Loopt u even met mij mee, alstublieft?” Ze zag haar baas de gang inlopen. Ze stond op om hem te volgen naar zijn ruime hoekkantoor met uitzicht op zee.
Hij stond in de deuropening van zijn kantoor toen ze arriveerde en gebaarde haar naar binnen. In het voorbijgaan plaatste hij een hand op haar onderrug, ogenschijnlijk onschuldig genoeg maar met een subtiele hint van een wellustige kneep terwijl ze langs hem liep.
Het was zoals ze gevreesd had. De lamellen waren dicht, het licht gereduceerd tot schemerduister. Geen goed teken. Ze had de geruchten gehoord maar geweigerd het te geloven. Nu was ze bang dat die dus toch klopten. Ze hoorde hem de deur achter zich sluiten en de sleutel in het slot omdraaien. Ze zat gevangen!
Hij liep op haar af met een akelige grijns op zijn gezicht. “Ik heb de hele ochtend aan je gedacht,” zei hij, “ik kon je maar niet uit mijn hoofd zetten.” Hij greep haar bij haar middel en trok haar naar zich toe. “Kom hier en geef me een zoen. Ik weet dat jij het ook wil.”
Ze wist hoe het verder zou gaan en ze haatte het. Maar hoeveel keuze had ze eigenlijk? Ze kon niet zonder deze baan. Als alleenstaande moeder met twee schoolgaande kinderen had ze elke cent nodig. Beter maar gewoon verduren en hopen dat het snel voorbij was. Ze bood geen tegenstand toen hij haar nog strakker vastpakte. Toen zijn gezicht vlak bij het hare was rook ze de whiskey op zijn adem. Hij had duidelijk al een paar glaasjes genomen om in de ‘stemming’ te komen. Het was walgelijk.
Met haar ogen dicht rilt ze bij de herinneringen aan dat moment. Ze had hem nog een paar jaar zijn gang laten gaan, altijd bang voor wat hij haar aan kon doen als ze zou weigeren. Hij had haar van begin af aan laten weten dat hij haar niet alleen zou ontslaan, maar haar carrière voorgoed zou ruïneren. Niemand zou haar ooit nog ergens aannemen. Daar kon ze zeker van zijn. Hij had dat soort invloed, verzekerde hij haar. Ze was te bang geweest om zich te verzetten en hij deed wat hij wilde met haar, keer op keer, tot hij haar verving door een jongere vrouw die hij tot gehoorzaamheid kon dwingen. Ze had haar baan mogen houden, in ruil voor haar zwijgen. Dat duurde niet heel lang. Het bedrijf werd onverwachts verkocht en zij werd de laan uit gestuurd, zoals vrijwel iedereen. Haar zwijgen was voor niets geweest. Ze had jaren verspild, terwijl haar voormalige baas nog machtiger werd en nog rijker. Tot zijn vrouw eindelijk genoeg van hem had, een echtscheiding aanvroeg, en hun hele vuile was voor goed geld aan de pers aanbood, compleet met alle details.
De herinnering aan de vernedering en frustraties van die jaren doen tranen van boosheid in haar ogen komen. Ze had het nooit moeten laten gebeuren. Ze zal het niet laten gebeuren!
Als hij zijn tong in haar mond duwt bijt ze erop – hard. Met een schreeuw trekt hij zich terug, met het bloed langs zijn kin druipend. “Godverdomme, trut!” Schreeuwt hij, “wat doe je? Kutwijf, ik zit onder het bloed.” Terwijl hij onhandig een zakdoek uit zijn broekzak peutert om het bloed te stelpen recht ze haar rug en kijkt hem aan. “Ik ben niet van jou, jij verachtelijke kleine man. Ik ben geen stuk speelgoed waar je mee kan doen wat je wilt om dan weer weg te gooien. Ik walg van jou!” Hij kijkt haar aan, eerst verbaasd, dan met stijgende woede. “Wie denk je wel dat je bent, vuile slet. Hoe durf je zo’n toon tegen mij aan te slaan? Hier ga je vreselijke spijt van krijgen.” “Ik denk het niet,” zegt ze. “Sterker nog, ik weet van niet. Jij hebt geen macht over mij. Niet meer. Ik zal je precies vertellen wat er gaat gebeuren. Ik loop zo dit kantoor uit. Voor het einde van de week ontvang ik een genereus ontslagaanbod van jou, dat ik met plezier zal aanvaarden. Naast een ruime vergoeding krijg ik een aanbevelingsbrief die persoonlijk door jou is ondertekend. Als je dat doet, hoef jij nooit meer iets van mij te horen.”
Nog steeds met zijn zakdoek tegen zijn mond aangedrukt probeert hij verontwaardigd en indrukwekkend te kijken. “En als ik dat niet doe? Wat houdt me tegen om je er nu meteen uit te laten gooien en te zorgen dat je nooit meer ergens aan het werk komt? Waarom vertel ik niet aan iedereen wat een waardeloos kutwijf je bent?” “Omdat ik alles weet van het vuile spelletje dat je aan het spelen bent. Ik weet dat je dit bedrijf wilt verkopen en iedereen de laan uit wilt sturen, terwijl je zelf een vette bonus in de wacht sleept.” Ze ziet aan zijn gezicht dat dat aankomt. Ze beseft hoeveel macht haar herinneringen haar jongere zelf verlenen en gaat verder. “Ik ken ook de namen van alle jonge vrouwen die jij geruïneerd hebt. Ik weet van het geheime fonds dat je hebt opgebouwd door de winsten van dit bedrijf af te romen. Ik weet genoeg om je volledig bankroet te laten gaan en in de gevangenis te doen belanden. En nu opzij, voordat ik van gedachten verander en direct naar de pers ga.”
Ze schrijdt naar de deur, haar baas opzij duwend in het voorbijgaan. Hij is te verbaasd om zelfs maar te protesteren als ze de deur van het slot draait, naar buiten stapt en de deur achter zich sluit.
In de gang stop ze even, haar hele lichaam trillend van de adrenaline en opwinding. Ze heeft het gedaan! Ze heeft de klootzak tegengehouden! Ze herpakt zichzelf, loopt terug naar haar bureau, raapt haar spulletjes bij elkaar en vertrekt. Ze moet moeite doen om niet hardop te lachen als ze het gebouw achter zich laat en het warme licht inloopt van de middagzon.
Derde Beweging
Ze loopt naar een bankje op een strandje in de buurt. Ze sluit haar ogen en geniet van de warmte van de zon op haar gezicht. Ze denkt na over wat er zojuist is gebeurd. Ze kan nauwelijks geloven dat ze de moed had om tegen die man op te staan. Het had alles veranderd: haar carrière, haar zelfvertrouwen, haar geloof dat er werkelijk plaats voor haar is in deze wereld.
Alhoewel…
Om eerlijk te zijn heeft ze nog steeds het gevoel dat ze moet knokken voor haar recht om te bestaan. Ze heeft altijd gevoeld dat ze voorzichtig moest zijn in het bijzijn van andere mensen; dat ze mensen moest behagen en tevreden moest houden omdat ze haar anders zouden herkennen als de indringer die ze in werkelijkheid was en haar zouden verbannen als de vergissing van de schepping die ze diep van binnen dacht te zijn.
Zou ze daar misschien ook iets aan kunnen veranderen? Ze brengt haar gedachten tot rust en gaat op zoek naar nog een moment dat haar leven had bepaald.
De Bruiloft
Ze herinnert zich nog goed hoe ze wakker was geworden op de dag die de mooiste van haar leven had moeten zijn. In plaats van geluk en blijde verwachtingen voelde ze alleen angst en hopeloosheid.
Toen Jan zijn aanzoek had gedaan, maanden geleden, had ze direct ‘ja’ gezegd. Ze hadden al meer dan een jaar verkering en ze had voortdurend de angst gehad dat hij haar moe zou worden en zou laten vallen voor iemand die zijn liefde en aandacht meer verdiende dan zij. Dus nam ze geen risico. Als ze ook maar even geaarzeld had was hij misschien beledigd geweest en van gedachten veranderd. Haar snelle ‘ja’ had er voor gezorgd dat hij er niet meer onder uit kon.
Het had toen een overwinning geleken maar nu voelde het als een veroordeling tot levenslange opsluiting. Jan was zo veranderd in de afgelopen maanden. Hij was eerst nog blij geweest dat ze hem geaccepteerd had en paradeerde haar rond in de cirkel van zijn familie en vrienden, als een jager met zijn mooiste trofee. Zonder haar erbij te betrekken was hij de bruiloft gaan regelen. Hij koos de datum, de lokatie, het programma, de gastenlijst. Het was zijn show. Het draaide allemaal om hem en zijn verovering. Ze moest dankbaar zijn dat ze überhaupt een rol daarin mocht spelen.
Hoe dichter ze bij de trouwdag kwamen, hoe minder Jan geïnteresseerd leek in haar als persoon. Ze was een figurant geworden in zijn grote pantomime; een decorstuk ter meerdere glorie van zijn schitterende personage. Haar gevoelens deden er niet toe. Haar inbreng was niet gewenst. Alleen haar schoonheid telde, en haar familiefortuin, dat uiteraard ook niet onwelkom was.
Ze probeerde zichzelf ervan te overtuigen dat Jan’s gedrag veroorzaakt werd door de druk waaronder hij stond. Hij had zo hard gewerkt iets van zichzelf te maken. Afkomstig uit een eenvoudig arbeidersgezin had hij carrière gemaakt als verkoper. Zijn snelle promoties hadden hem ervan overtuigd dat hij was voorbestemd voor grootsheid. Ze wist hoe belangrijk zijn carrière voor hem was. Ze wist dat hij ervan uitging dat hun huwelijk een signaal zou zijn aan die rijke hufters dat ze hem niet langer buiten hun exclusieve clubje konden houden. Als de bruiloft eenmaal achter de rug was, zo vertelde ze zichzelf, zou hij wel weer aandacht voor haar hebben. Dan zouden ze het gelukkige echtpaar worden dat door iedereen verwacht werd.
Maar toen, minder dan een week voor de bruiloft, had ze Jan betrapt met een andere vrouw. Ze was in een opwelling naar zijn huis gegaan, om hem te verrassen. Op zoek naar hem liep ze de slaapkamer in, waar ze werd afgesnauwd door een woedende Jan, die riep dat ze op moest rotten. Ze had de vrouw in zijn bed herkend van kantoor. Het mens probeerde niet eens zichzelf te bedekken maar zat gewoon te lachen toen Jan riep dat ze de deur achter zich dicht moest doen.
Ze was huilend het huis uit gevlucht en rende naar haar favoriete plekje aan het strand. Zittend op het bankje aan het water liet ze de volle waarheid van wat ze gezien had tot haar doordringen. Jan had haar bedrogen! Hij hield dus toch niet van haar. Al die eerdere aandacht, zijn cadeautjes en bloemen, dat was allemaal maar schijn geweest. Hij had op haar gejaagd en haar gevangen met zijn charme en onophoudelijke aandacht. En zij was ervoor gevallen, als de stomme idioot die ze was.
Ze wist ook dat hij haar niet zou laten gaan. Ze was zijn hoofdprijs, zijn trofee, zijn toegangsbewijs naar respect en wat hij aanzag voor klasse. Nog erger vond ze de wetenschap dat zij niet eens zou proberen te ontsnappen. Haar ouders zouden het niet begrijpen. Haar vriendinnen zouden denken dat ze gek was geworden. Zelfs als ze zou vertellen wat ze had gezien zou Jan het gewoon keihard ontkennen en zeggen dat ze het gedroomd had. Ze zouden hem geloven ook, met zijn charme en zijn overtuigende verkoopmanieren. Hem wel, maar haar nooit. Ze zouden allemaal Jan’s kant kiezen. Dat wist ze zeker.
Ze had zich nog nooit zo alleen op de wereld gevoeld als toen op dat bankje bij het water.
Toen ze later die avond naar huis ging stond Jan daar op haar te wachten. Hij had haar gegroet alsof er niets was gebeurd. Zij had niets durven zeggen, bang voor zijn boosheid en minachting. Dus speelden ze samen het toneelstukje verder. Als ze alleen was sloot ze zichzelf het liefst op in haar kamer met de gordijnen dicht, of zat ze uren op haar bankje op het strand. Ze wilde zich in het water storten en zich laten verdrinken maar wist dat ze zelfs daar de moed niet voor had. In het openbaar, samen met Jan, waren ze het gelukkige aanstaande echtpaar. Ze babbelden met vrienden over de bruiloft, de details die nog geregeld moesten worden, en hoe geweldig het allemaal zou zijn. Huilend van binnen, dwong ze zichzelf te lachen om Jan’s grapjes en opschepperige verhalen, zich ondertussen meegesleurd voelend door een kolkende rivier in de richting van een koude en donkere afgrond waaraan ze nooit meer zou ontsnappen.
En nu was dan het dan de dag dat ze die definitieve sprong in het duister zou maken.
Ze krimpt ineen bij de herinneringen aan die dag. Van binnen gevoelloos, maar lachend tegen de mensen om haar heen, had ze zichzelf klaar laten maken, als een lam voor de slacht, voor de grote ceremonie. Met haar nagels, haar, jurk, juwelen en make-up gedaan was ze het perfecte plaatje van de volmaakt bruid. Ze had zich door haar vader naar het altaar laten leiden, naar een triomfantelijk grijnzende Jan. Ze had de priester zijn litanie horen mompelen zonder er een woord van binnen te krijgen. Tot hij toe was aan de geloftes.
Jan had zijn “Ja, ik wil” reeds gezegd, dus nu is het haar beurt. Het is nu of nooit. Terwijl de priester op haar antwoord wacht neemt ze het over van haar jongere zelf. “Nee. Ik wil het niet!” zegt ze, “Ik laat me niet door hem vernederen.” Het duurt even voor de priester door heeft wat ze zegt. Dan verspreid zich een blik van verbijstering over zijn gezicht. Jan is sneller van begrip. Hij kijkt haar kwaad aan, grijpt haar hand en trekt haar naar zich toe. “Wat voor spelletje is dit? Ga je een scene schoppen? Nu? Ik dacht het niet,” fluistert hij woedend. Hij verstevigt zijn greep maar ze weet zichzelf los te trekken. “Ik dacht het wel,” zegt ze, luid, vol overtuiging. “Je hebt geen macht over mij. Jij kan mij niet claimen. Je verdient mij niet. Dat heb je nooit gedaan en dat zal je nooit doen ook.”
Ze draait zich om naar de familie en vrienden die in de kerk bijeengekomen zijn, waarvan de meesten nog maar net beginnen te bevatten wat ze zojuist gedaan heeft. “Probeer maar niet me te stoppen. Niemand van jullie. Jullie kunnen mijn leven niet bepalen. Mijn bestaan hangt niet af van jullie goedkeuring. Van nu af aan neem ik zelf het heft in handen.” Zich meer dan bewust van het dramatische effect, rukt ze de sluier en bloemen van haar hoofd en smijt ze in Jan’s gezicht. Ze schopt haar pumps uit, tilt de zoom van haar jurk op en schrijdt de kerk uit met haar hoofd hoog en trots geheven. Ze hoeft niet om te kijken om te weten hoeveel verwarring ze achter zich heeft veroorzaakt.
Ze glimlacht. Ze is ontsnapt. Het leven waarvan ze dacht dat het voorbij was ligt voor haar, wachtend om ontdekt te worden.
Vierde Beweging
Ze gaat terug naar haar bankje op het strand en kijkt uit over het water en het zonlicht dat op de golven danst. Ze voelt zich licht en bevrijd, vrij om de wereld te omarmen en met haar ritmes mee te dansen, onbelemmerd door wat anderen van haar denken.
Zo blijft ze een tijdje zitten en geniet van haar nieuw gevonden vrijheid. Als de zon onder begint te gaan en de schaduwen langer worden voelt ze echter ook een schaduw vanbinnen. Het is een duisternis die altijd daar geweest is, beseft ze, maar zelden erkent. Wanneer het zich aandiende rende ze ervoor weg. Ze vluchtte liever in de emoties van angst en onzekerheid die door de duisternis werden opgeroepen dan dat duister zelf onder ogen te zien. Ze had gehoopt dat dit haar veilig hield maar ze realiseert zich dat het voortdurend negeren van het duister de macht die het over haar heeft alleen maar sterker en dieper heeft gemaakt. Het is de oorsprong van alle ketenen en beperkingen en het laatste anker dat haar belet compleet vrij te zijn.
Ze weet wat haar te doen staat. Ze laat het naderende donker buiten het duister van binnen ontmoeten en laat zichzelf zinken in de leegte die daar op haar wacht.
De Tuin
“Mammie, mammie, kijk wat ik gevonden heb!” Ze ziet haar vijf jaar oude zelf door de tuin rennen met iets groens stevig in haar kleine vuistje geklemd.
Het was een prachtige, zomerse dag geweest. Haar moeder had haar aangekleed in haar favoriete blauwe schort met het roze lint. Ze had haar nieuwe roze laarzen aan mogen doen. En nu mocht ze spelen in de tuin achter het huis. “Niet naar het strand gaan liefje,” had haar moeder gezegd, “en kijk uit voor de wespen in de appelboom. Die kunnen boos worden als je te dichtbij komt. Dat weet je toch?” Ze had geknikt, met een serieuze blik. Ze wist alles over wespen. Ze vond ze fascinerend maar ook een beetje eng. Ze wilde niet dat ze boos op haar werden. “Mammie heeft het druk in de keuken vandaag, dus je moet jezelf vermaken. Ga nu maar, en gedraag je.” Met een klein duwtje had haar moeder haar naar buiten gestuurd en de keukendeur achter zich dichtgedaan.
Ze was volmaakt gelukkig geweest. Ze hield ervan in het weelderige groen van de tuin rond te dwalen. Ze kon uren zitten kijken naar hoe de mieren bezig waren. Ze ving lieveheersbeestjes en telde hun stippen om te weten hoe oud ze waren. Ze hield ervan de vogels te horen zingen in de bomen of ze elkaar achterna te zien jagen om de beste plekjes. En ze vond het heerlijk om van de met gras begroeide heuvel achterin de tuin te rollen. Daar werd ze zo heerlijk licht en duizelig van.
Maar bovenal hield ze van schatten zoeken. Vooral een hele bijzondere schat. Niet voor haarzelf. Ze dacht niet dat ze die nodig had. Maar voor haar moeder. Haar moeder die nogal stil en teruggetrokken was de laatste tijd. Soms, als haar moeder haar niet opmerkte, had ze haar in stilte zien huilen. Ze was zichtbaar niet blij. Toen ze haar vader op een dag het verhaal over de schat hoorde vertellen wist ze dat ze die voor haar moeder moest vinden. Om haar weer blij te maken. Om het verdriet te verjagen.
En nu had ze gevonden waar ze naar zocht. Verborgen tussen duizenden gewone klavertjes had ze eindelijk een heus klavertje-vier zien staan. Ze had het voorzichtig geplukt en de blaadjes geteld en herteld, om er zeker van te zijn dat deze echt was. Er was geen twijfel mogelijk! Dit was de schat! Het geluksklavertje. De magische plant.
Dus rende ze naar haar moeder, al roepende, haar jonge hart gevuld met vreugde en blijde verwachting.
De herinnering doet haar fysiek pijn en bijna geeft ze het op. Maar ze moet dit onder ogen zien. Dit is het moment dat zoveel in haar leven bepaald heeft. Ze zet zich schrap en laat de herinnering verder gaan.
“Mammie, mammie, Ik heb er een gevonden. Ik heb het geluksklavertje gevonden!” ze stormde de keuken binnen, in de verwachting dat haar moeder daar aan het koken zou zijn. Haar moeder was er inderdaad, maar haar vader ook. Ze zag hoe hij haar moeder hard in het gezicht sloeg. Die ontving de klap en kromp ineen, maar reageerde verder niet. Haar vader opende zijn mond om iets te zeggen maar stopte toen hij zijn dochtertje zag staan. Hij keek haar aan, zijn ogen vol met woede. “En daar is nog zo’n mislukking van je. Kijk nou toch! Vuil en verwilderd. Geen discipline, geen gratie. Ik heb altijd al gedachtndat ze niet van mij kon zijn. Hoer die je bent.” Dat laatste was tegen haar moeder, voor hij met zware stappen de keuken uit beende.
Haar moeder had daar gestaan met haar hoofd naar beneden en de tranen uit haar ogen stromend. Ze was naar haar toegerend met het klavertje-vier in haar uitgestoken hand. “Niet huilen, mammie, niet huilen. Kijk wat ik voor je gevonden heb. Dit zal alles goedmaken. Dit zal je weer blij maken.” Haar moeder had haar aangekeken. “Wat? Wat is dit? Wat heb je daar?” ze had met afschuw naar het vieze vuistje gekeken met het klavertje erin. Walging ging over in boosheid. Ze haalde uit en sloeg de kleine schat uit haar dochters hand. “Dit?” ze spuugde de woorden uit, “dit moet alles weer goed maken? Jij dom, onnozel wicht. Ik wou dat ik je nooit geboren had laten worden, dat zou alles oplossen. Kijk maar wat ik door jou geworden ben.” Haar dochtertje had het met open mond aangehoord. Ze begreep nauwelijks de woorden, maar ze voelde te meer de boosheid en verwijten in haar moeders stem. “Je wilt me blij maken? Verdwijn dan uit mijn leven, dat zou me blij maken. Verdwijn. Sterf voor mijn part.” Met die woorden was ze opnieuw in tranen uitgebarsten en de keuken uitgerend, haar dochtertje in compleet onbegrip achterlatend. Die had niet geweten wat te doen, dus rende ze terug de tuin in, verborg zich in een holle boom, en begon te huilen en te huilen, alsof ze nooit meer op zou houden.
Haar hart breekt als ze haar jongere zelf zo ziet huilen. Dit was een wond waarvan ze nooit compleet zou genezen. Het gevoel van totale verstoting, dat zij de oorzaak was van de boosheid en het verdriet van haar ouders, dat ze het niet verdiende om te leven; dat gevoel zou de onuitgesproken waarheid blijven onder haar gehele bestaan. Ze zou uiteindelijk een soort kracht van binnen vinden om op te groeien met een schijn van balans en zelfs af en toe vreugde. Maar het werd nooit de complete waarheid. Het was een zorgvuldig opgebouwde leugen waar ze nooit helemaal in kon geloven, hoe hard ze het ook probeerde.
De pijn en hopeloosheid van het kleine meisje dreigen haar te overmeesteren. Ze zou het liefste wegrennen en haar daar achterlaten, vergeten, diep begraven in het duister van haar ongewenste herinneringen. Maar ze verzet zich tegen die lafheid. Als het ze het nu niet doet, wanneer zal ze dan ooit dit moment onder ogen durven zien?
Ze gaat naar het meisje toe en gaat naast haar op de grond zitten. Ze aait haar over het haar en begint te spreken.
“Ik weet hoeveel pijn ze jou hebben gedaan. Maar je verdient dit niet. Jij bent niet de schuld van hun ellende en hun haat. Huil maar, kleintje, huil maar zoveel als je huilen moet. Maar houdt deze pijn niet allemaal bij jezelf. Jouw hartje is te jong om dat te moeten verdragen. Laat mij het van je overnemen. Ik heb al zoveel geleden in mijn leven, jouw leed kan er ook nog wel bij.”
Het meisje kijkt op naar het silhouet van haar oudere zelf, afgetekend tegen de laagstaande middagzon. “Weet je het zeker?” zegt ze, veel ouder klinkend dan haar vijf jaren. “Het is een vreselijke last om te dragen en ik draag haar al zolang voor jou.” “Dat spijt me heel erg,” antwoordt ze het meisje, “ik had dat nooit toe moeten laten. Toen ik ouder en sterker was had ik het van je over moeten nemen. In plaats daarvan heb ik je in het donker laten zitten, weggesloten met al die pijn en schuld. Ik heb het jou allemaal alleen laten dragen. Kan je het mij vergeven?” “Wat valt er te vergeven?” zegt het meisje, glimlachend door haar tranen heen. “Je bent teruggekomen voor mij. Ik had de hoop bijna opgegeven, maar nu ben je dan toch hier. Ben je klaar om het duister los te laten en mij in plaats daarvan in je hart te sluiten?” De vrouw kijkt het meisje in de ogen en ziet niets van de verwijten en beschuldigingen die ze verwacht had, alleen maar liefde en vergeving. Het is tijd om die laatste stap te maken. Ze neemt het kleine kind in haar armen, draagt haar naar het bankje aan het water en zit daar, haar in stilte omarmend, in het licht van de ondergaande zon.
De Zee
Ze vonden haar zittend op haar bankje met een glimlach op haar gezicht. De vrouwen en mannen die haar “Moeder” noemde wisten dat ze was gestorven zoals ze geleefd had: in volledige vrede, in harmonie met zichzelf en de wereld. Ze had diezelfde vrede en harmonie aan zovelen onderwezen. Ze zouden haar nooit vergeten.
Zoals ze zelf gewenst had werd ze gecremeerd en haar as verstrooid over het water waar ze zoveel van had gehouden. Toen de urn werd omgedraaid kreeg de wind vat op de as en blies het voort als een wolk die de zon een moment verduisterde. De wind bewoog de as opnieuw en ineens scheen elk deeltje as als een ster in een stille explosie van licht. Zo zweefde haar as naar beneden, vuur vermengde zich met water, tot ze verzonk in de vredige diepte onder de golven.
Naast het bankje werd een klein herinneringsbordje geplaatst:
Na een lange moeizame reis bevond hij zich aan de rand van een bos dat er donker en dreigend uitzag. Van een afstand leken de bomen zwaar en sterk, zwart afstekend tegen de grijze lucht. Hun takken waren breed en wijds en droegen bladerkronen die er gezond en vol uitzagen. Dichterbij komend zag hij echter dat de grond tussen de bomen compleet kaal was. Er groeide helemaal niets; geen struiken, geen gras, zelfs geen onkruid. Het enige dat hij zag was de kale, rotsachtige bodem, alsof de bomen geplant waren in het midden van een levenloze woestenij. Het gevoel van levenloosheid werd nog versterkt doordat er geen van de normale bosgeluiden te horen waren. Er zoemden geen insecten, er zongen geen vogels, er ritselde niets door de boomtoppen of over de grond. Bij de bomen aangekomen zag hij dat wat hij had aangezien voor bladerkronen in werkelijkheid dikke trossen waren van perfect ronde noot-achtige zaden of vruchten. Ze zaten zo dicht tegen elkaar gepakt dat ze niet bewogen of zelfs maar ritselden, zelfs als de wind de takken beroerde waaraan ze hingen.
Hij zocht naar een plek om te zitten en even uit te rusten. Hij koos een stevig uitziende boom uit die precies de goede vorm had om ruggesteun te bieden aan een vermoeide reiziger. Maar toen hij ging zitten en achterover leunde gaf de boom niet de steun die hij verwachtte. In plaats daarvan voelde hij de boomstam onder de druk van zijn rug verkruimelen en uiteenvallen en viel hij achterover het binnenste van de boom in. In het donker rondtastend ontdekte hij dat de boom van binnen helemaal hol was. Wat er van buiten uit had gezien als een sterke en stevige boom was niets anders dan een lege huls, een kartonnen versie van een boom, opgebouwd uit een dunne huid van boombast, net sterk genoeg om het geheel staande te houden.
Hij kroop het gat weer uit waar hij was ingevallen en probeerde een andere boom uit. Die was precies hetzelfde. Met een simpele duw van zijn hand brak hij door de huid van ook die boom heen om daarachter alleen maar leegte aan te treffen. Elke boom die hij probeerde gaf hetzelfde resultaat. Het hele imponerende bos bestond uit holle bomen, zo ver als hij zien kon. Het was een deprimerend gezicht. In plaats van uit te rusten zoals hij van plan was besloot hij verder te trekken. Hij wilde het liefst ver weg zijn van deze plek, zo snel als zijn voeten hem maar konden dragen.
Een paar uur later – met het bos nog amper zichtbaar tegen de horizon – bereikte hij een dorp dat er verlaten uitzag. Een paar dozijn huizen stonden in een wijde kring om een fontein heen die door een bron gevoed leek te worden. Om de een of andere reden groeide er uit elk huis dat hij zag een boom naar buiten. Diverse huizen waren uit elkaar geduwd door de uitdijende stam en takken van de boom die er vanbinnen groeide en waren niet meer dan hoopjes puin en stenen. Andere huizen waren nog min of meer intact, al waren al hun daken opgetild en versplinterd door de erdoorheen groeiende boomkruinen. Het leek hem dat het hele dorp bezig was door de bomen geabsorbeerd te worden. Nog enkele tientallen jaren langer en er zou niets meer over zijn waaraan nog was te zien dat hier een dorp had gestaan.
Hij leste zijn dorst bij de fontein en keek rond of hij ergens een teken van leven zag. Een van de gebouwen zag er minder gehavend uit dan de andere dus ging hij daar kijken of er iemand was. Het gebouw was versierd met een slecht geschilderd uithangbord met daarop de woorden “De Onzichtbare Hand” in slordige letters. Daaronder, klein geschreven met krijt stond “Gratis eten en verhalen”.
Hij ging naar binnen.
Het donkere interieur was ingericht als een typische kroeg: een paar tafeltjes met stoelen eromheen, en een enkele dikke houten plank die als toog dienst deed. De muur achter die toog was voorzien van planken waarop een paar flessen stonden, een paar vaatjes met kraantjes erin, en – minder gebruikelijk – een aantal grote glazen schalen gevuld met noten. Een vrouw waarvan hij aannam dat ze de eigenaar was stond aan de toog lusteloos met een doek over het hout te wrijven alsof ze aan het poetsen was zonder er echt in te geloven.
“Goedemiddag mijnheer” sprak de vrouw, zonder veel enthousiasme. “Wat brengt u hier in ons glorieuze dorp?” Hij aarzelde. Er was iets aan de stem van de vrouw dat hem deed huiveren. De woorden waren onschuldig genoeg maar er lag meer dan een hint van duisternis en gevaar in de manier waarop ze gesproken had. “Ik ben slechts een reiziger op zoek naar wat voedsel en een plaats om te rusten voor ik verder trek” sprak hij, voorzichtiger en formeler klinkend dan hij eigenlijk van plan was. “Ik vond dit dorp per toeval” ging hij verder, “omdat geen enkele kaart die ik ken aangeeft dat hier mensen zouden wonen. Uw aanwezigheid hier verrast me, omdat ik de indruk had dat iedereen al jaren geleden het dorp verlaten had.”
“Dat heb je niet verkeerd” bromde de vrouw. “Ik ben inderdaad de laatste mens die nog in deze verdoemde plaats woont. Buiten mij zijn er nog slechts bomen, puin en schaduwen van het verleden. Als ik vertrek zal alles wat goed en mooi was aan ons dorp voorgoed vergeten zijn. Verdwenen zonder spoor, alsof het nooit heeft bestaan.”
“Als dat het geval is,” zei hij, “en daar ziet het inderdaad naar uit, waarom bent u dan niet vertrokken, zoals iedereen? Wat houdt u hier, in deze troosteloze plaats?”
De vrouw staarde hem aan en zuchtte – een diepe en hopeloze zucht die hem opnieuw deed rillen. Hij voelde dat er hier iets heel erg fout zat. Als hij maar wist wat.
“Waarom ik niet ben vertrokken zoals de anderen?” antwoordde ze uiteindelijk. “Wie zegt dat ze vertrokken zijn? Ze verdwenen, dat is waar, maar hun schaduw bleef en wordt steeds groter en donkerder. Ik had waarschijnlijk moeten vertrekken toen het nog kon, maar laten we maar zeggen dat ik gehecht ben geraakt aan deze plek. Door de jaren heen zijn mijn wortels hier nogal diep gegroeid.” Ze grinnikte: een vreugdeloze, bittere lach dat meer weg had van een snik.
“Bovendien,” ging ze verder, “als ik hier niet was gebleven om ons verhaal te vertellen, hoe zouden mensen dan ooit te weten komen wat er van ons geworden is? We zouden voor altijd zijn vergeten. Dat mag niet gebeuren. Maar … waar zijn mijn manieren? Laat me u eerst iets te eten aanbieden.”
Ze strekte haar rug en reikte achter zich. Haar bewegingen waren nogal vreemd. Ze hield haar onderlichaam volkomen bewegingloos en verdraaide in plaat daarvan haar torso in een bijna onmogelijke hoek om de planken achter zich te bereiken. Ze pakte een van de schalen met noten die daar stonden en plaatste die op de toog voor hem. “Hier, de beste noten in de hele wereld. Van het huis. Eet smakelijk.”
Hij aarzelde. Door de jaren heen had hij geleerd dat zaken die ogenschijnlijk gratis werden aangeboden vrijwel nooit geheel kosteloos waren. Er zaten bijna altijd haken en ogen aan; de verwachting van een wederdienst; een schuld die werd opgetekend; een verplichting die stilzwijgend aangenomen werd. Maar hij had best honger en die noten zagen er aantrekkelijk uit. Ze waren volmaakt rond, volmaakt glad, en ze hadden een diepe glans waardoor het leek alsof ze licht uitstraalden. En hij wilde ook niet onbeleefd zijn. Dus deed hij een greep in de schaal en pakte een handjevol noten. Hij stopte een nootje in zijn mond en begon te kauwen.
Die noot was verrukkelijk! Door hun glans verwachtte hij een harde schaal maar in plaats daarvan smolt de buitenkant weg zodra het zijn tong raakte. Wat overbleef was een smakelijke, brosse en makkelijk te kauwen kern die zijn mond vulde met een zoete, bijna fruitige smaak en zijn neus vulde met de geur van noten die over een open vuur geroosterd werden. Dit was veruitde lekkerste noot die hij ooit geproefd had en misschien inderdaad wel de beste noot in de hele wereld. Hij liet zich gaan en propte de rest van het handje noten in een keer zijn mond in.
Hij was nog aan het kauwen maar reikte al naar de schaal voor de volgende portie. De vrouw greep echter zijn pols om hem tegen te houden. “Ho maar, vreemdeling. Niet zo gulzig. Waarom zo’n haast? Er is meer dan genoeg. Waarom doet u niet een beetje rustig aan, geniet van het moment, en neem de tijd om eerst naar mijn verhaal te luisteren, voor u uzelf ongans eet?”
Een beetje beschaamd over zijn eigen gulzigheid trok hij zijn hand terug en knikte. “Natuurlijk” zei hij, “Mijn verontschuldigingen. Ik weet niet wat me over me kwam. Ik was waarschijnlijk hongeriger dan ik dacht. Ik wilde u niet beledigen en hoop dat u het me vergeeft. Ik zal met veel plezier uw verhaal aanhoren.” Hij leunde achterover, in afwachting van wat de vrouw hem zou vertellen.
“Het begon allemaal vele jaren geleden,” begon ze, ”voor ik geboren werd, dat is zeker, al weet niemand precies wanneer.” Ze leunde voorover en rustte haar armen op de toog. Nu pas zag hij hoe gerimpeld en verdord die armen eruit zagen; ze leken meer op takken dan op menselijke ledematen. “Misschien is ze veel ouder dan ik dacht” bedacht hij, “met zulke verdord en oud uitziende armen.”
Ze ging verder: “Wat mij verteld werd toen ze vonden dat ik oud genoeg was om het te horen was dat de eerste noten hier gebracht werden door een mysterieuze vreemdeling. Op een dag arriveerde hij en begon grote zakken gevuld met noten uit te delen aan iedereen die hij tegenkwam op zijn weg door het dorp, om vervolgens te verdwijnen zonder een spoor na te laten. Niemand heeft hem ooit teruggezien maar we hebben zijn naam nog jaren daarna vervloekt.” Haar gezicht vertrok. “Zoals ik ook zeker weet dat jij hem zult vervloeken als je eenmaal weet welk leed hij hier heeft aangericht.”
Opnieuw was er die duistere, dreigende ondertoon; die hint van iets sinisters and gevaarlijks. Misschien kon hij beter opstaan en vertrekken? Maar dat zou onbeleefd zijn tegenover deze vrouw. Hij had de noten aangenomen die ze hem had voorgezet, dus het minste wat hij doen kon was haar de kans te geven haar verhaal te doen. Daarna zou hij zich zo snel mogelijk uit de voeten maken. Hij maakte zich geen zorgen meer over eventuele verplichtingen die haar voedsel met zich mee zou brengen. Hij voelde zich sterk en zeker. Wat er ook zou komen, hij zou het aan kunnen. Daar twijfelde hij niet aan.
“In het begin werden de noten ontvangen als een welkome aanvulling op het schaarse voedsel dat hier verbouwd werd. Niemand had ooit zulke heerlijke noten geproefd. En ze schenen nog gezond en voedzaam te zijn ook. Iedereen die ze at voelde zich energieker en klaar om grote daden te verrichten. Een handjevol noten gaf mensen al het gevoel dat niet onmogelijk was; dat ze alles aankonden. Het was een sterk en aantrekkelijk gevoel dat zich door het hele dorp verspreidde als vuur door een uitgedroogd bos.”
“Ook al waren de zakken die de vreemdeling had uitgedeeld groot in aantal en inhoud, genoeg om jaren van te leven, toch begrepen men dat ze op een dag geen noten meer zouden hebben als ze er alleen maar van bleven eten. Terwijl een deel van de bevolking de energie van de noten gebruikte om grotere huizen te bouwen, de straten te verbreden, en een monumentale fontein op te richten gingen anderen zuiniger met hun noten om. Ze hielden een deel apart en probeerden er nieuwe boompjes mee te kweken.”
“Al hun pogingen liepen op niets uit. Als er al boompjes uit de grond kwamen waren die ziekelijk en miezerig. De meesten gingen dood lang voordat ze noten produceerden. De paar noten van de zeldzame boompjes die het overleefden waren klein en onooglijk. Ze waren eetbaar, maar daar was alles mee gezegd. Ze hadden smaak noch kraak. Ze vulden wel maar gaven niet dat energieke gevoel en de dadendrang van de oorspronkelijke noten. Uiteindelijk moest iedereen toegeven dat het kweken van eigen noten een zinloze onderneming was.”
“Daarom besloten de dorpelingen verkenners uit te zenden om op zoek te gaan naar de vreemdeling en de bron van de noten die hij gebracht had. Na enkele weken keerden de eerste verkenners terug met geweldig nieuws: hoewel ze geen spoor van de vreemdeling hadden gevonden, hadden ze wel stukken bos gevonden die geheel bestonden uit notenbomen. Hoewel de bomen hol en broos bleken te zijn waren de noten exact hetzelfde als de noten van de vreemdeling. Minder positief aan het nieuws van de verkenners was dat geen van hen een spoor had aangetroffen van de andere dorpen en steden in de omgeving. In plaats daarvan troffen ze overal waar ze een nederzetting verwacht hadden een veld met holle notenbomen aan. Ook verkenners die later van veel verder weg terugkwamen rapporteerden hetzelfde: waar ooit mensen woonden stonden nu nog slechts holle bomen: hoog, broos en vol met noten.”
“De dorpelingen stonden niet al te lang stil bij het lot van al die andere mensen, blij als ze waren met de wetenschap dat er zoveel bronnen van energie-gevende noten in de buurt waren. Nu ze zich geen zorgen hoefden te maken over hun voorraden aten ze meer noten dan ooit tevoren. De meeste mensen gingen over op een dieet van louter noten, aangevuld met wat water uit de nieuwe fontein.”
“Het was een geweldige tijd voor het dorp en haar inwoners. Het dorp floreerde en groeide. Mensen bouwden, ontwierpen en versierden elk onderdeel van hun omgeving. Hun energie en creativiteit waren grenzeloos. Dat er geen mensen meer waren in de weide omtrek deerde hen niet: met zoveel noten in de buurt om van te leven hadden ze helemaal geen andere mensen nodig.”
“Omdat ze geen redenen meer hadden om er nog op uit te trekken kwamen de meeste mensen nauwelijks nog buiten de grenzen van het dorp. Na enige tijd kwamen ze ook amper nog hun huizen uit, op af en toe een expeditie om noten te verzamelen na. De aanvankelijke roes van activiteit die de noten hadden veroorzaakt veranderde langzaam aan in passiviteit. Afgezien van de rook die hier en daar nog uit de schoorstenen kwam zou een voorbijganger zoals u denken dat het dorp compleet was uitgestorven.”
“Het gebeurde allemaal zo geleidelijk dat de mensen vrijwel niet in de gaten hadden wat er met hun dorp en henzelf gebeurde. Als ze het al opmerkten was het al te laat om er nog iets aan te veranderen. Wat begon als een afkeer om hun huis te verlaten was verworden tot een onvermogen om dat te doen. De weinigen die zich er bewust van waren realiseerden zich dat ze helemaal niet meer bewogen en dat hun voeten wortels hadden gekregen waarmee ze aan de grond gebonden waren. Hun onderlichamen waren verhard en onbeweeglijk geworden. Ze konden nog net, met grote moeite, hun armen gebruiken om de noten te rapen die ze om zich heen verzameld hadden. Wellicht dat degenen die zich hiervan bewust waren een moment kenden van paniek, gevolgd door wanhoop; de overgrote meerderheid echter heeft waarschijnlijk niet eens gemerkt hoe hun menselijkheid verloren ging terwijl ze getransformeerd werden. Ze waren in bomen veranderd, en bomen lijken zich weinig zorgen te maken over wat ze zijn, anders dan zichzelf.”
“Nu de transformatie tot boom compleet was konden de arme wezens hun verzamelde noten niet meer oprapen en eten. Verstoken van dit energie-gevende voedsel begonnen ze hun eigen lichaam van binnenuit te verteren. Wel produceerden ze zelf grote hoeveelheden noten, misschien in een instinctieve, maar vergeefse, poging zich te voeden. Uiteindelijk zal iedereen worden wat u in het woud gezien hebt dat u aantrof voor u ons dorp vond: holle bomen, vol met noten die ze zelf niet kunnen benutten.”
De vrouw pauzeerde even en staarde in de verte. Ze bleef zo lang volledig bewegingloos staan dat hij even dacht dat ze voor zijn ogen in een boom was veranderd. Maar toen schudde zich los uit haar gedachten en richtte haar blik weer op hem.
“Ik ben de laatste persoon uit dit dorp die nog enigszins menselijk is. Mijn moeder, moge ze in vrede staan, was een van de weinige mensen die de verleiding van de noten zo lang als ze maar kon bleef weerstaan. Ze plaatste zichzelf en ons, haar kinderen, op rantsoen en bleef tot het bittere einde naar ander eten zoeken. Ze dwong zichzelf in beweging te blijven en haar huis uit te gaan. Ze was de laatste ziel die zich ooit buiten het dorp begaf, op zoek naar eten en – toen er geen andere optie meer was – voorraden noten.”
“Maar zelfs haar ijzeren vastberadenheid kon de transformatie niet stoppen. Ze wist het aanzienlijk te vertragen, waardoor wij tientallen jaren langer actief konden blijven, maar uiteindelijk raakten ook zij en haar kinderen vergroeid met de grond en verloren alle mobiliteit van lichaam en geest. Ik was een nogal ziekelijk kind, waardoor ik nooit veel eten kon verdragen. Dat moet mijn transformatie nog meer vertraagd hebben. Daarom ben ik nu, al jarenlang, de laatste ziel in dit dorp die nog een beetje mens is. Ik zou bijna zeggen dat ik de laatste ben die nog overeind staat, ware het niet dat ze allemaal nog overeind staan. Het zijn alleen geen mensen meer.”
Ze sprak die woorden uit met grote droefheid en viel weer stil.
Hij wist niet wat hij moest zeggen. Als hij het bos en de bomen die uit de huizen hier groeiden niet gezien had; als hij haar vreemde bewegingen en haar hout-achtige armen niet had gezien; als hij zelf niet die heerlijke noten had geproefd en hun energie-gevende effect gevoeld had, dan zou hij haar nooit geloofd hebben. Maar hij had dat allemaal wel, dus wat kon hij anders?
Ze keek hem weer aan met een droeve glimlach om haar mond.
“Nu kent u ons verhaal. Misschien kunt u mensen vinden om dit verhaal mee te delen zodat we niet compleet vergeten worden door de wereld. Bedankt dat u naar me wilde luisteren. Hier, neem nog een paar nootjes.”
Ze schoof de schaal weer in zijn richting. Voor hij zichzelf had kunnen tegenhouden had hij alweer een handvol noten gepakt en in zijn mond gestopt. Een deel van him wilde stoppen met kauwen en de noten uitspugen maar ze waren te heerlijk en te verleidelijk. Hij slikte ze door, terwijl een angstig vermoeden hem bekroop.
“Ja” zei ze, “ik kan zien dat het tot u door begint te dringen. Nu u van onze noten gegeten hebt is uw lot bezegeld. Het kan nog tientallen jaren duren, afhankelijk van uw innerlijke kracht en zelfbeheersing. Maar uiteindelijk zal ook u een holle boom worden, net als wij. Hoever u ook vlucht en hoelang u ook zal blijven bewegen, op een dag zullen ook uw voeten vastgroeien en u aan een plek binden – en die plek zal de laatste plek zijn die u ooit zal zien.”
Vol afgrijzen sprong hij overeind. “Maar waarom?” riep hij uit, “Waarom hebt u mij veroordeeld tot datzelfde vreselijke lot, als u er zelf zo onder geleden hebt? Waarom kon u me niet wegjagen en aan mijn lot overlaten?”
Ze schudde haar hoofd en glimlachte weer met die bedroefde glimlach van haar.
“Weet u hoe het voelt om de enige mens te zijn temidden van bomen die ooit mens waren? Ik kan leven met de kennis van wat ik aan het worden ben. Wat ik niet kan verdragen is de enige te zijn met die kennis. Dus, als er iemand langskomt kan ik niet anders dan mijn lot me ze delen. Zodat ik niet langer de enige ben.”
Hij draaide zich om en rende weg alsof zijn leven er van afhing. Hij smeet de deur open op weg naar buiten en verdween uit het zicht.
De vrouw staarde naar de deur die achter hem in het slot viel. Een enkele traan, dik en traag als het sap van een boom, vloeide omlaag uit een ooghoek. “Ik ben in ieder geval niet alleen.” fluisterde ze, “Ik ben in ieder geval niet langer meer alleen.”