Verhalenland

Verhalenland

“Zonder verhalen zou de kennis sterven en als de kennis was verdwenen zou al het andere eveneens sterven.”
Karl-Erik Sveiby and Tex Skuthorpe, Treading Lightly

Verhalenland
Verhalenland – ©Paulina Noordergraaf 2018

Het land was eindeloos en oneindig rijk. Elke steen, elke heuvel, elk stroompje had een verhaal over haar oorsprong, haar levensloop en haar betekenis in het grotere geheel. Alles was met elkaar verbonden door een levend web van verhalen, liederen en rituelen. Die verhalen waren tijdloos en eeuwig: geboorte, leven en dood vonden allen plaats in die ene tijdloze ruimte van de scheppingstijd. Alles wat ooit was, is en altijd zal zijn werd daar in leven gehouden. Zo bleef het land verbonden, levend en onuitputtelijk. Zo kon het land zich voortdurend vernieuwen zonder wezenlijk te veranderen.

De mensen van dit land wisten maar al te goed hoe belangrijk de verhalen waren. Zij wisten dat elk verhaal een draadje was in het weefsel dat hen in leven hield en hun leven zin gaf. Het was een weten dat veel dieper ging dan het verstand alleen. Ze voelden het in hun ziel, hun lichaam, hun botten. Dankzij de verhalen leefden deze mensen in een wereld waarin elke plek even bekend was als hun eigen familie en vrienden. Wie de verhalen kende van een boom of een plas, kende die plek alsof ze samen waren opgegroeid, kende alle gaven die de plek te bieden had en alles wat ze nodig had om die gaven te kunnen blijven geven. Hoewel ze als nomaden rondtrokken waren deze mensen nooit onderweg, verlangend naar een bestemming. Ze waren altijd thuis. Het land was hun veilige bestemming, hoever ze ook trokken, zolang ze de verhalen kenden.

En dus zorgden de mensen van het land voor haar verhalen en daarmee voor het land. Het was hun heilige plicht elk verhaal te koesteren en ongeschonden door te geven van generatie op generatie. Soms kwamen er verhalen bij, maar er gingen nauwelijks verhalen verloren. Verhalen werden uitgewisseld tussen stammen, meer waardevol dan materiële giften. Verhalen werden eindeloos verteld, gezongen, gedanst en geschilderd. Als het land veranderde – door vulkanen, overstromingen, klimaatveranderingen – werden de verhalen uitgebreid met nieuwe elementen. Niets bleef onverteld. Niet bleef onverbonden. Zolang ieder mens deelnam aan het weven van dit weefsel was het land één, rijk en gul voor iedereen.

Tientallen millennia duurde deze tijdloze scheppingstijd. Eeuwig bewegend, eeuwig hetzelfde.


Tot de vreemdelingen verschenen in hun vreemde schepen. Vreemdelingen waren niet onbekend in het land, maar tot nu toe waren het altijd bezoekers geweest: mensen die kwamen om handel te drijven en verhalen uit te wisselen, om vervolgens weer te verdwijnen. Of mensen die kwamen, de verhalen leerden en zich voegden naar het land tot ze geen vreemdelingen meer waren. Deze vreemdelingen waren anders. Zij kwamen niet om te bezoeken maar om te veroveren. Zij kwamen niet om deel te nemen aan wat het land te bieden had maar om het land aan zich te onderwerpen. Ongevraagd kwamen ze aan. Zonder te vragen bleven ze en zeiden dat het land nu van hen was.

De vreemdelingen zagen niet de verbondenheid tussen het land en haar bewoners. Ze zagen het land niet en haar diep gewortelde geschiedenis. Ze zagen alleen grond en grondstoffen. Ruimte die ze konden innemen. Rijkdommen die ze konden vergaren. Ze zagen een zielloze uitgestrektheid die ze konden vullen met hun eigen bedenksels.

Ze zagen amper de oorspronkelijke bewoners en al helemaal niet hun verhalen, liederen en symbolen. Integendeel, waar de wijze mannen en vrouwen van het land soms probeerden de vreemdelingen deelgenoot te maken van de basisverhalen, waarmee kinderen en bezoekers altijd geacht werden te beginnen, werden de ouden uitgelachen. De vreemdelingen vonden de verhalen kinderachtig en primitief. Sprookjes voor onontwikkelde mensen. Bijgeloof en verzinsels. Hoe sneller deze onzin uit het land verdween hoe beter, vonden ze.

Zelf brachten ze wel verhalen mee, maar die waren levenloos en ontdaan van context. Oude verhalen uit een land dat ze zelf nooit bezocht hadden. Verhalen die ze angstvallig gevangen hielden, opgetekend in doodzwarte inkt op dode bladeren, samengebonden en in leer geketend. Dit waren geen levende verhalen, verbonden met het web van het land, maar dode fossielen, niet in staat om zich met het web te verbinden en erin op te gaan.

De vreemdelingen namen het land over met een achteloze wreedheid die het land niet eerder had meegemaakt. Ze verboden het vertellen van de verhalen, het zingen van de liederen, het dansen van de ceremonies. Ze verboden zelfs de taal waarin de mensen spraken en zongen.

Met elk woord dat verdween verdween er een draadje uit het web van verhalen. Met elk draadje dat brak, verzwakte het web. Het land begon in fragmenten uit elkaar te vallen. De bewoners raakten verdwaald in hun eigen land. Zelfs de plekken waar hun voorouders honderden generaties geleefd hadden voelden niet meer als thuis, omdat de verbindende verhalen ontbraken. Het land verloor haar betekenis en verborg haar geheimen. Van een levenslang familielid dat gul haar overvloed deelde veranderde het land in een wildernis met meer gevaren dan voedsel. Steeds minder mensen konden het land zien en zich welkom voelen.

De vreemdelingen merkten nauwelijks hoe het land verbrokkelde en het leven verdween. Zij zagen niet hoezeer het land en haar bewoners leden. Zonder contact met de scheppingstijd waarin alles verbonden was, merkten ze het verval niet op, of schreven het toe aan tegenslag, weersverandering, natuurgeweld. Jarenlange droogtes werden gevolgd door enorme overstromingen. Ingevoerde dieren en planten werden plagen die het natuurlijke evenwicht volledig verstoorden. Steeds grotere delen van het land veranderden in zinloze leegtes. Steeds meer land werd woestenij. Dor en dood.

De vreemdelingen trokken zich terug in hun steden waar ze in hun onnatuurlijke huizen konden doen alsof de teloorgang van het land hen niet kon deren. Ze bouwden muren om zich heen om het verval niet te hoeven aanschouwen. Ze vertelden zichzelf dat ze alle problemen konden oplossen met nieuwe technologie. Ze wisten zeker dat ze natuur konden bedwingen en het land naar hun hand zouden kunnen zetten. Al wat nodig was was nog meer energie, nog meer machines, nog meer geweld.

En zo gingen de vreemdelingen ten onder. In de laatste stad keken de laatste overlevenden naar een betekenisloos land, zonder leven, zonder mededogen. Het land was woest en ledig. Er was geen thuis waar ze zich veilig voelden. Er was geen verleden waar ze deel van waren. Er was geen toekomst om naar uit te kijken. Er was zelfs geen verteller om deze teloorgang nog zin te geven. Er was alleen de leegte van een kil en zinloos universum waarin voor mens geen plaats meer was.


Het land bleef achter als een onbeschreven blad, zonder bergen of dalen, zonder rivieren of meren, zonder leven. En het wachtte tot iemand haar terug zou vinden. Tot er weer echte bewoners zouden komen die het land met hun verhalen en liederen tot leven zou brengen. Die met hun ceremonies en schilderijen het landschap zouden vormen en vullen met betekenis en waarde.

Het land wachtte …

©Bard 2021

Drakendoder

Draak en Fenix
Draak en Fenix – ©Bard 2016

Hij verscheen in het dorp laat in de avond, wanneer fatsoenlijke mensen allang in bed lagen. Alleen de herbergier zag de vreemdeling voorbij rijden terwijl hij bezig was het enige gasthuis in de wijde omgeving af te sluiten voor de nacht. “Daar is er zowaar een,” dacht de herbergier, “ik had niet gedacht dat ik dat nog eens zou meemaken.” Haastig haalde hij de sleutel uit het slot. Hij trok uit gewoonte nog eenmaal aan de deur om zeker te weten dat die goed dicht zat. Toen verdween hij snel in het duister van de steeg naast de herberg, voor de vreemdeling hem zou zien.

Als de vreemdeling hem al gezien had liet hij daar niets van merken. Hij reed zonder op of om te kijken de dorpsstraat uit en sloeg bij de splitsing doelbewust af in de richting van het bos en de bergen die het dorp aan een kant flankeerden. Bij een open plek aangekomen stapte hij af en – bijgelicht door de koplamp van zijn motorfiets – zette hij snel en geroutineerd een klein tentje op. Hij schoof zijn bagage de tent in, kroop er achteraan en trok de rits naar beneden.

———

Niemand weet precies hoe zoiets werkt, maar toen het dorp ’s ochtendsvroeg tot leven kwam leek het er veel op of iedereen het nieuws al gehoord had. Een snel aangroeiende groep mensen verzamelde zich op het dorpsplein, wachtend op wat ongetwijfeld komen zou. Hier en daar wisselden mensen nog wat informatie en speculaties uit, maar het wachten was op de burgemeester. Hoewel iedereen eigenlijk wel wist wat er moest gebeuren was het een ongeschreven wet dat het de taak van de burgemeester was het plan in detail uit te leggen en het sein tot actie te geven. Zo was het altijd gegaan en zou zouden ze het altijd blijven doen.

———

De vreemdeling pakte zijn tentje weer netjes op en bond het achterop zijn motorfiets. Hij keek naar de bergen in de verte. Heel even dacht hij een rookpluim te zien maar zeker wist hij het niet. Het zou ook een flard van ochtendmist geweest kunnen zijn, oplossend in de snel warmer wordende zon. Toch voelde hij zich optimistisch. Na al die jaren wist hij zeker dat hij dit keer gevonden had waar hij al zo lang naar op zoek was. Dit keer zou hij slagen. Hierna zou nooit iemand hem meer durven uitlachen om zijn ambitieuze dromen.

Hij stapte op zijn motor en reed de weg op richting de bergen. Die weg werd gaandeweg steiler en lastiger te berijden, vol haarspeldbochten en smalle bruggetjes over diepe kloven. Het werd ook voelbaar kouder, een teken dat hij snel aan het klimmen was. Hoewel de zon straalde aan een staalblauwe hemel vormde zich uit zijn mond kleine wolkjes damp bij het uitademen.

Hij reed onverstoorbaar voort.

Na een bijzonder scherpe bocht en een laatste steile klim opende het bos zich voor hem en hij kwam uit op een open plek, omringd door steile rotswanden. Recht voor hem zag hij de donkere opening van een grot. Hij had zijn bestemming gevonden. Nu zou hij laten zien waar hij toe in staat was.

———

Hij stapte van zijn motor en leunde de machine tegen een groot rotsblok aan. Uit de zadeltassen begon hij zijn materiaal te halen:

  • “Een schild tot stralend ijs geslepen”: de ronde spiegel uit zijn badkamer waaraan hij een leren riem geschroefd had om zijn arm door te steken;
  • “Een helm met fiere pluim en zwaar vizier”: een oude ijshockey helm met daarop de plumeau van zijn grootmoeder en als vizier een lasbril uit de werkplaats van zijn vader;
  • “Een lans met priemende punt en sterke greep”: een stevige bezemsteel met aan één kant een vlijmscherp stanleymes en aan de andere kant het handvat van een mountain bike, goed vastgezet met superlijm.

Het was misschien niet precies wat de schrijver van het boek bedoeld had, maar hij vond dat hij toch aardig in de buurt kwam. Wellicht minder fraai, maar zeker zo effectief. En het belangrijkste was hijzelf natuurlijk; vastberaden, onverschrokken en met het zuivere geweten van iemand die weet dat hij de wereld van een groot kwaad zal gaan verlossen. Hij twijfelde nergens aan: niet aan zijn missie, niet aan zijn bekwaamheid, en niet aan zijn moed om te doen wat nodig was.

In volledige wapenrusting liep hij in de richting van de grot.

Bij de ingang aangekomen stopte hij even om zijn uitrusting voor een laatste keer te inspecteren. Hij kon zich geen materiaalfouten permitteren. De schrijver was hier heel duidelijk over geweest: zijn schild en helm zouden hem net genoeg beschermen om hem precies één kans te geven toe te slaan. Als hij zou missen was hij verloren. Als er al iemand zou durven na hem de grot in te gaan om te kijken zou deze niets anders aantreffen dan een hoopje as en gesmolten glas en metaal. Dit was het echte werk.

Tevreden over de gesteldheid van zijn materiaal stapte hij het duister van de grot in.

Zijn ogen hadden even tijd nodig om aan het donker te wennen. Voor zich doemde een groep mensen op, aan hun kleding te zien inwoners van het dorp. Ze versperden zijn weg naar binnen. Vooraan stond de burgemeester, te herkennen aan haar vergulde ambtsketen en de iets betere kwaliteit van haar kleding.

“Wat denk jij hier eigenlijk te komen doen?” vroeg de burgemeester op de licht ironische toon van iemand die meer geïnteresseerd is in het theatrale effect van zijn vraag dan het antwoord daarop. De menigte knikte en mompelde: dat zouden zij ook wel eens willen weten.

Dit was totaal niet wat hij had verwacht. Begrepen deze dorpelingen dan niet dat hij hen van hun onderdrukker kwam verlossen? Dat hij hier was om een einde te maken aan eeuwen van angst en ellende?

“Ik ben hier om de draak te doden,” zei hij. Hij zette zijn helm af om beter verstaanbaar te zijn en vervolgde: “De draak die hier sinds mensenheugenis rondwaart om goud en juwelen van de mensen te stelen. Het monster dat met vlammende adem een ieder verdelgd die zich durft te verzetten. Het roofdier dat jaarlijks een schone maagd opeist om haar bij volle maan te verslinden.” Hij werd er zelf enthousiast van toen hij dit zo zei, maar het had niet echt veel effect op de houding van de dorpelingen. “Ik kom jullie bevrijden. Ik ben jullie redder. Ik ben hier om de laatste draak ter wereld definitief te verslaan.”

“Daar waren we al bang voor,” zei de burgemeester. “Dat was wel duidelijk toen de herbergier ons meldde dat hij je gisteravond door het dorp zag rijden. Het is weer een tijd geleden dat we hier een drakendoder op bezoek hadden, maar je herkent ze meteen. Of ze nu te voet zijn, te paard of per motorfiets, je pikt ze er zo tussenuit.” Ze pauzeerde even, terwijl de dorpelingen bevestigend knikten: ja, ze wisten allang hoe laat het was.

“En als ik jou nou eens zeg dat wij helemaal niet willen dat je onze draak verslaat?” sprak de burgemeester. “Wat als ik jou vertel dat wij met z’n allen extra vroeg zijn opgestaan om juist te voorkomen dat deze draak gedood wordt. Wat zeg je daarvan?” Dat laatste klonk meer als een dreigement dan als een vraag. De burgemeester kruiste haar armen over elkaar en keek hem strak aan. De menigte achter haar schuifelde in stilte een paar stappen in zijn richting.

Hij begreep er nu helemaal niets meer van. “Waarom willen jullie mij tegenhouden?” vroeg hij. “Willen jullie dan niet van dat alles-verwoestende monster af? Willen jullie niet vrij zijn van terreur en onderdrukking?”

“Ja. Dat willen wij zeker.” sprak de burgemeester. “En juist daarom mag niemand aan onze draak komen. Onze draak – de laatste draak ter wereld – is juist de laatste kans die wij nog hebben – die de mensheid nog heeft – om de totale verwoesting te voorkomen. Deze draak die jij zo graag om zeep wil helpen heeft haar eeuwenlange leven toegewijd aan het verzamelen en beschermen van de levenskrachten die onze aarde nodig heeft om het leven te blijven voeden. Dit ‘monster’ is de laatste beschermer van Gaia, de laatste behoeder van ons ecosysteem. En die zullen wij ten koste van alles beschermen.”

“Maar … maar dat geroofde goud en die verzamelde schatten dan?” stamelde hij. “Dat vuur en verderf? Die geofferde maagden? Is dat dan allemaal niet waar? Hebben alle legendes en alle boeken het dan helemaal verkeerd? Of zegt u dit uit angst voor de draak? Moet u dit zeggen om niet zelf geroosterd en opgegeten te worden?” Hij greep zijn lans nog wat steviger vast. “Als dat zo is hoeft u niet meer bang te zijn. Ik weet wat me te doen staat.”

De burgemeester lachte, samen met de verzamelde dorpelingen. “Wij zijn absoluut niet bang voor onze draak. Integendeel. We zijn alleen bang haar kwijt te raken aan een stuntelende ‘held’ zoals jij.”

Hij aarzelde. De mensen tegenover hem zagen er allesbehalve bang uit. Hij liet zijn lans weer zakken.

“Kom.” zei de burgemeester, en stapte naar voren. “Leg je wapen en schild neer en kom mee naar buiten. Dan zal ik je alles precies uitleggen.” Hij was nieuwsgierig genoeg om hieraan gehoor te geven. Hij legde zijn wapenuitrusting netjes bij de ingang en liep met de burgemeester mee naar de open plek. Daar had iemand een stoel neergezet waar de burgemeester op plaats nam terwijl de menigte zich in een kring op de grond nestelde, met hem in het midden tegenover haar.

———

“Sinds mensenheugenis,” begon de burgemeester, “heeft de mensheid in de grond gezocht naar de schatten van moeder aarde. Mineralen, edelstenen, metalen … alles wat ons maar van waarde leek dolven we op om voor onszelf te gebruiken. Nooit vroegen we ons af waarom deze schatten zich in de grond bevonden. We zagen alleen de schoonheid, de macht en de rijkdom van wat we uit de bodem rukte en eisten het op voor onszelf.”

“Zolang er nog relatief weinig mensen waren was dit ook niet zo heel erg. Een paar muggen mogen lastig zijn maar we overleven het prima zonder het beetje bloed dat ze stelen. Ook onze aarde kan een paar kilo goud en edelstenen hier en daar best missen. Maar toen de mensheid begon te groeien en zich steeds verder over de aarde ging verspreiden dreigde het evenwicht zoek te raken. Al die schatten die wij zo gedachtenloos uit de grond haalden waren deel van het ecologische web dat wij nu Gaia noemen. Neem er te veel van weg, en de balans raakt zoek.”

“Daarom kwamen de draken in actie. Deze wezens waren nooit onze vijanden. Ze werden hiertoe gedwongen door onze hebzucht en niet aflatende plundering van onze aarde. Zij maakten het hun taak om zoveel mogelijk van de geroofde schatten terug te halen en te verzamelen op afgelegen plaatsen. Daar bewaakten zij deze buit eeuwenlang, zodat het weer terug kon zinken in de aarde waar het thuishoorde. Zolang er niemand in de buurt kwam bemoeide de draken zich niet met de mens. Alleen als er iemand kwam om de schatten op te eisen kwam een draak in actie. Niet alleen om de rover te doden maar ook om alle sporen uit te wissen om een volgende rover het nog moeilijker te maken. Daar was het drakenvuur voor. Daar vielen soms menselijke slachtoffers bij, maar dat was nooit de opzet van de draken. Zij deden wat noodzakelijk was. Niets meer en niets minder.”

“Toen onze draak, vele generaties geleden, onze bergen koos om haar schatten veilig te stellen hebben ook onze voorouders eerst geprobeerd haar te doden.” vervolgde de burgemeester. “Vele helden zijn daaraan ten onder gegaan. Maar ook de draak leed hieronder. Zij schept geen vreugde in vernietiging, sterker nog, ieder gevecht verzwakte haar en maakte het moeilijker voor haar om haar werkelijke taak – het verzamelen van kostbaarheden om terug te geven aan de aarde – uit te voeren. Als onze voorouders niet tot inkeer waren gekomen zouden ze er uiteindelijk in geslaagd zijn ook onze draak te verjagen, of zoveel te verzwakken dat ze haar zelfs zouden hebben kunnen doden. Dat zou vreselijk geweest zijn.” Het gezicht van de burgemeester liet duidelijk zien hoe vreselijk. Ook de mensen in de kring knikte somber mee – dat zou onvoorstelbaar erg geweest zijn.

“Gelukkig was er een jonge vrouw – mijn bet-bet-overgrootmoeder – die als jong meisje er al van overtuigd was dat er iets anders aan de hand was dan wat de mensen over de draak bleven herhalen. Ze sloop op een dag ongezien het dorp uit en klom naar deze grot om de draak met eigen ogen te zien. En zo ontdekte zij de waarheid. Toen ze gevonden werd, een paar dagen later, zat zij voor de grot op haar ‘redders’ te wachten. En net zoals wij nu jou hebben tegengehouden, hield zij hen tegen. Zij wist hen ervan te overtuigen dat in deze strijd niet de draak maar de mensheid het monster was. Dat de draak niets anders wilde dan het evenwicht in stand houden.”

“En zo is ons dorp nu geheel toegewijd aan het beschermen van onze draak. Wij bewaren haar geheim door ons zoveel mogelijk aan de blik van de wereld te onttrekken. Toevallige passanten zien in ons slechts een rustiek, achtergebleven bergdorp, zonder bijzonderheden – iets om snel doorheen te rijden en te vergeten. Hier gebeurd niets opvallends, niets uitzonderlijks. Wij zijn niet pittoresk genoeg om toeristen te trekken en te afgelegen voor de ontwikkelaars. En als er al eens iemand zoals jij langskomt – iemand die ons geheim toch ontdekt heeft en ofwel de schatten wil komen roven of de held wil uithangen – dan zorgen wij dat hij wordt tegengehouden zonder de rust van onze draak te verstoren.”

“Om de eerste drakenbeschermster te eren kiezen wij ieder jaar een jonge, nog kinderloze vrouw tot drakenwaakster. Zij bezoekt de draak een paar keer per jaar en brengt haar voedsel en de bescheiden opbrengst aan goud en juwelen die wij als dorpelingen ieder jaar bij elkaar sparen uit het inkomen dat we verdienen met het verkopen van groente, fruit en handwerk producten aan de stad in het dal. Dat is die ‘maagd’ die ‘geofferd’ wordt – als je je dat soms afvroeg. Het is een offer waar iedere jonge vrouw in het dorp maar al te graag voor uitgekozen wordt.”

———

Na deze woorden zweeg de burgemeester even en keek hem aan.

“En nu moeten we dus beslissen wat er met jou moet gebeuren. We kunnen je niet zomaar terug laten gaan naar waar naar je vandaan komt. We moeten ons geheim bewaren, koste wat kost. Ik hoop dat je dat begrijpt.”

Hij dacht na. Hij was overtuigd geraakt door haar verhaal en door de duidelijke affectie waarmee ze sprak over ‘onze draak’ en de jonge vrouw die haar ware aard ontdekt had. Hij wilde graag geloven dat haar versie klopte en de boeken en verhalen die hij kende alles bij het verkeerde eind hadden. Het beantwoordde ook een vraag die hij al die tijd al had: wat wilden die draken eigenlijk met al die schatten die ze verzamelden? Het had hem altijd al verbaasd dat zo’n machtig wezen als een draak niets beters te doen had dan eeuwenlang bovenop een berg van goud te liggen. Dat had toch geen zin? Het verhaal van de burgemeester daarentegen klonk eigenlijk bijzonder logisch.

Maar wat betekende dat voor hem? Zijn droom om als held de geschiedenis in te gaan was in rook opgegaan. Teruggaan naar huis wilde hij niet – ze zouden hem nog harder uitlachen en bespotten als hij met lege handen terug zou komen. Thuis geloofde vrijwel niemand meer in draken – goede of slechte – dus proberen uit te leggen wat hij hier meemaakte zou totaal geen zin hebben.

“Ik denk dat ik het begrijp.” zei hij tenslotte. “Ik zat helemaal fout. Ik wilde een held zijn maar beging bijna de grootste fout uit mijn leven. Ik denk dat ik heel wat heb goed te maken. Zeg maar wat ik moet doen. Terug naar huis wil ik sowieso niet. Daar heb ik niets te zoeken.”

———

De burgemeester was zichtbaar opgelucht toen ze dit hoorde.

“Ik dacht al dat jij zo slecht nog niet was,” zei ze. “Vol foute ideeën, dat wel, maar ook vol goede bedoelingen. Wat overigens vaak heel verkeerd uitpakt.”

Ze dacht even na.

“Het zou voor iedereen het makkelijkste zijn als je bij ons in het dorp zou komen wonen. We vinden wel iets nuttig voor je om te doen – sterke jonge mannen kunnen we altijd gebruiken. Je moet je natuurlijk wel aan onze regels houden en je mag nooit, maar dan ook nooit met iemand buiten het dorp over deze dag praten. Onze draak mag nooit genoemd worden. Dat is een geheim dat je tot aan je dood zal moeten meedragen.”

Hij knikte. Hij keek naar de mensen om zich heen en probeerde zich voor te stellen dat hij een van hun zou zijn. Dat leek hem niet zo moeilijk. Zij hadden tenminste een duidelijke missie in hun leven. Zij wisten precies waar ze voor stonden.

“Ik blijf graag bij jullie.” zei hij. “Ik beloof plechtig dat ik jullie geheim zal bewaren. En mocht het ooit nodig zijn zal ik jullie – onze – draak met al mijn kracht verdedigen. Maar ik heb wel één verzoek. Ik heb nog nooit een echte draak gezien. Zou ik, alstublieft, één keer jullie draak mogen zien voor ik me bij jullie aansluit? Dat zou mijn leven compleet maken.”

De burgemeester stond op.

“Ik ben blij dat we je hebben kunnen overtuigen en dat zonder geweld te hoeven gebruiken. Ik ben blij dat je je bij ons aan wilt sluiten. Dat geldt, denk ik, voor iedereen hier.” Ze keek om zich heen naar de glimlachende en ja-knikkende mensen. “Of onze draak zich aan jou wil vertonen weet ik niet. Dat zal onze drakenwaakster aan haar moeten vragen. Verwacht niet te veel. Draken zijn van nature zeer schuwe wezens.”

Ze sprak even met een jonge vrouw die bij de ingang van de grot was achtergebleven. Die knikte en verdween vervolgens door een vrijwel onzichtbare spleet in de rotswand die hij al die tijd voor een veeg aarde had aangezien.

“Je dacht tot niet dat onze draak zomaar in de eerste beste grot zou liggen?” zei de burgemeester, die zijn verbaasde blik gezien had. “De werkelijke ingang is zeer goed gecamoufleerd. Zelfs als je hier aangekomen was voor wij je hadden kunnen stoppen zou je eerst een lege grot gevonden hebben. Een van ons houdt daar de wacht dus die zou voldoende tijd gehad hebben om versterking te halen voordat jij zelfs maar door zou hebben waar de echte ingang verborgen is.”

Hij moest daar zelf om lachen. Die grot was ook wel net iets te voor de hand liggend, dat moest hij toegeven.

———

De jonge vrouw kwam weer tevoorschijn.

“Het is goed.” zei ze “De draak wil zich wel vertonen. Maak ruim baan, zodat ze niemand per ongeluk vertrapt.”

De mensen bewogen zich naar de verste rand van open plek, en trokken hem mee naar een veilige plaats met goed zicht op wat er zou gaan komen.

———

De verborgen opening in de rotswand begon te stralen en opeens was de open plek gevuld met helder zonlicht. Zo helder dat hij nauwelijks kon blijven kijken. Toch hield hij stand en meende een vorm in het licht te zien. Een lange staart, vleugels, een langgerekt lijf, gracieuze nek en een hoofd met opengesperde kaken. Hij meende even stralende ogen te zien, nog helderder dan het verblindende zonlicht dat het wezen omhulde. Toen gloeide er tussen de draketanden een nog feller diep-rood licht op. Een hete vlam schoot vooruit en raakte de rots waartegen zijn motorfiets nog steeds geleund stond. Die vatte niet eens vlam, maar smolt onmiddellijk tot een kleine plas vloeibaar metaal, zo intens was de hitte. De vlam verdween even snel als ze gekomen was. En ook de draak verdween. In één soepele beweging schoot ze terug door de opening in de rotswand en met haar doofde het licht.

———

Even leek het nacht na zoveel helderheid.

Toen begon hij te lachen, uitbundig en triomfantelijk te lachen. Hij had eindelijk zijn draak gevonden. Hij had zijn bestemming bereikt.

Vanaf nu zou alles anders zijn.