De Rivier

5 – Wachten

Wachten - (c) Bard 2018
Wachten – (c) Bard 2018

De aarde in stilte bedekkend wacht de sneeuw geduldig op de zich ontvouwende toekomst. Er gebeurt eerst niet veel: dagen worden nachten die weer dagen worden. Soms maakt een langskomend dier diepe sporen in de verder ononderbroken witheid; sporen die niet lang daarna weer bedekt worden in versgevallen sneeuw. Stormen komen af en toe voorbij om te razen tegen de berghellingen. De huilende winden bewegen de dekens van sneeuw op en neer als zandduinen in de woestijn, heuvelranden neerhalend en nieuwe hellingen vormend. Maar zodra de wind weer gaat liggen, uitgeput en ontmoedigd, lijkt de sneeuw – hoewel het landschap volledige getransformeerd is – weer even onaangetast en sereen als tevoren: zacht, stil, bewegingloos.

Mag Ik een Beetje Cultuur van Je Lenen?

Ik heb de laatste tijd nogal veel boze debatten online gezien over het idee van ‘culturele toe-eigening’. Blijkbaar worden mensen die opgroeiden in een bepaalde cultuur boos als mensen van buiten die cultuur hun symbolen, voorwerpen, kleding en rituelen in het openbaar gebruiken – ze hebben daar als buitenstaanders het recht niet toe; ze zijn tenslotte geen deel van de cultuur waar ze mee te koop lopen. Maar kunnen mensen werkelijk het eigenaarschap opeisen van een cultuur?

We zijn allemaal in een bepaalde cultuur opgegroeid. Als mens is onze ‘natuurlijke’ omgeving – de omgeving waar onze evolutie ons aan heeft aangepast – de cultuur van de mensen waar we door grootgebracht en opgevoed worden. Hoewel het misschien voelt alsof we voor onze eigen cultuur geboren zijn is er nooit een genetische aanleg gevonden voor één bepaalde cultuur. Elke pasgeborene, van waar ook ter wereld, kan – als het direct geplaatst wordt in andere cultuur dan die van zijn of haar biologische ouders – opgroeien en net zo volledig integreren in die andere cultuur als de rest van de kinderen in zijn of haar gemeenschap. In andere woorden: cultuur is verkregen: aangeleerd en geabsorbeerd door de voortdurende blootstelling aan de opvattingen, aannames en gewoontes van de mensen om ons heen.

Dit betekent ook dat cultuur gedeeld is: zonder andere mensen zou er geen cultuur bestaan waar we deel van kunnen uitmaken. En cultuur is ook diffuus: hoewel er wellicht heel vroeger culturen hebben bestaan in perfecte isolatie, staat tegenwoordig zo goed als de hele mensheid met andere culturen in verbinding en worden elementen van die andere culturen doorlopend geabsorbeerd; door verhalen, regelmatig contact, onder druk van het moeten kunnen samenwerken, of meer direct door migraties en huwelijken en andere manieren waarop mensen min of meer permanent deel gaan uitmaken van een andere cultuur dan die waarin ze opgroeiden.

Mensen hebben waarschijnlijk ook altijd gereisd, en in die reizen hebben we ons moeten leren aanpassen aan zeer uiteenlopende omstandigheden. Ons vermogen om cultuur te creëren was cruciaal in dit proces: cultuur stelt ons in staat om van elkaars ervaringen te leren en versneld vaardigheden te delen, te verfijnen en te verspreiden over groepen en gemeenschappen. Met dat voortdurende reizen en handel drijven leidde het culturele leerproces ook onvermijdelijk tot een voortdurende uitwisseling van ideeën, ‘memes’, overtuigingen, gewoontes en gedragingen.

Kan je dus eigenlijk wel zeggen dat één bepaalde cultuur het eigendom is van één bepaalde groep? Of is cultuur van nature een bron van menselijk aanpassingsvermogen en gedeelde kennis, bedoeld voor en van potentiële waarde voor iedereen die oprecht geïnteresseerd is in de wijsheid die iedere cultuur te bieden heeft?

Ik zou dat graag zo zien. Maar ik begrijp ook dat de manier waarop cultuur en identiteit met elkaar verweven zijn een emotionele reactie kan oproepen in mensen.

De geschiedenis kent zat voorbeelden van volkeren die werden overwonnen en verpletterd door andere culturen. Vaak hadden de overwonnenen weinig keus: ofwel zich aanpassen aan de nieuwe overheersers en opgaan in de nieuwe cultuur, of met geweld worden uitgeroeid. Cultureel gezien is het effect vrijwel hetzelfde: pas je lang genoeg aan en er blijft op den duur niet genoeg eigen cultuur over om de overwonnenen te onderscheiden van de overwinnaars. De mensen leven voort, maar hun cultuur is overleden.

Ik denk dat de pijn en boosheid over de toe-eigening van culturele elementen door anderen in feite de pijn en boosheid is van mensen die bang zijn – terecht of niet – dat ze aan de verliezende kant staan van een cultureel assimilatieproces. We kunnen moeilijk ontkennen dat de globalisatie die West Europa in de afgelopen 600 jaar op de wereld heeft losgelaten niet bepaald in het voordeel heeft gewerkt van de meeste (zo niet alle) niet-Europese culturen die onder het juk kwamen van de koloniserende machten. Lokale culturen werden als primitief gezien en minderwaardig, en ofwel met geweld onderdrukt ofwel systematisch belachelijk gemaakt, gemarginaliseerd en ontmoedigd. Tegelijkertijd werden kunstvoorwerpen, symbolen, ideeën, mode, en zelfs gewoontes en gedragingen schaamteloos overgenomen, verdraaid en geparodieerd en vervolgens opgenomen in de overheersende cultuur alsof die het allemaal zelf had uitgevonden en geschapen. Ik kan de woede en frustratie van die onderdrukte en vertrapte volkeren volledig begrijpen: het moet zeer moeilijk zijn om niet alleen je autonomie, waardigheid en levensstandaard afgenomen te zien worden, maar dan ook nog eens te moeten toezien hoe de essentie van je culturele identiteit, je levensdoelen en diepere zingeving publiekelijk tentoongesteld worden, gekopieerd en overgenomen door mensen die niet eens proberen de diepere betekenis te begrijpen van wat ze zich zo achteloos toe-eigenen.

I begrijp dat volkomen. En ik zal de laatste zijn die mensen zulke boosheid en frustratie wil aandoen. Ik heb het grote geluk om geboren te zijn aan de bevoorrechte kant van de menselijke scheidslijnen – als Europeaan, blank, opgeleid en (relatief) rijk. En ik erken dat veel van mijn privileges geschapen zijn door middel van de moedwillige en systematische vernietiging en diefstal van de welvaart van andere volkeren door de voorgaande generaties van de samenleving waar ik, van geboorte, deel van ben. Dus wil ik daar niet nog een schep bovenop gooien door te gaan graven in het culturele erfgoed van andere volkeren alleen om schaamteloos te nemen wat ik zelf interessant of nutting vind. Dat lijkt me tamelijk respectloos en dus verkeerd.

Maar ik ben tevens al een leven lang op zoek naar wijsheid en verlichting. Ik weet dat er fundamentele wijsheid gevonden kan worden in de vele culturen van deze wereld: diepe, levens-veranderende, door de eeuwen heen bewezen wijsheid in vele verschijningen. En ik wil zo graag over deze wijsheid leren, het proberen te begrijpen en haar diepgang doorvorsen, en van deze wijsheid leren hoe ik een beter mens kan worden. Dat is alles waar ik om vraag. Of is dat ook ongepast?

Ik heb een suggestie die misschien kan helpen het perspectief te veranderen van mensen die geneigd zijn de essentie van hun culturele erfgoed te beschermen tegen buitenstaanders. Misschien is het mogelijk om de eigen innerlijke beleving van een cultuur – hoe het voelt om het te leven, te gebruiken, de regels te volgen en bij te dragen aan het voortbestaan ervan – te scheiden van hoe buitenstaanders het zien en beleven. Misschien is het mogelijk om te zien dat het delen van een cultuur met anderen niet betekent dat je die cultuur zelf kwijtraakt of van waarde ontdoet. Zelfs als die anderen jouw cultuur volledig verkeerd begrijpen en op onbedoelde wijze toepassen vermindert dat niet de wijsheid van jouw cultuur en haar waarde voor jou en jouw gemeenschap. Dat kan nooit worden weggenomen. Die innerlijke beleving is onlosmakelijk verbonden met wie je bent. Dat is jouw geboorterecht.

En is nog een groter en meer hoopgevend perspectief. Er zijn ook voorbeelden in de geschiedenis van veroverende culturen die zoveel absorbeerden van de culturen die ze veroverden dat ze nauwelijks nog dezelfde cultuur leken te zijn als voor hun overwinningen. De Mongolen werden Chinees in China, Muslim in Persie en ontegenzeggelijk Indisch in India. Zolang er genoeg mensen zijn die hun culturele tradities voortzetten en hun culture wijsheid doorgeven kan het culture assimilatieproces beide kanten opgaan en resulteren in een geheel nieuwe cultuur die door de oorspronkelijke veroveraars amper zou worden herkend.

We zijn net terug van een studiereis door Egypte om de millennia oude ruïnes te bekijken die daar overal te vinden zijn. Daar vond ik twee mooie voorbeelden van veroveraars die bijna volledig opgingen in de cultuur die ze veroverden. De Nubiërs ten Zuiden van Egypte namen de macht over maar ook zoveel van de Egyptische gewoontes, religie en tradities dat ze bijna nog Egyptischer werden dan de Egyptenaren die ze veroverden. En de Ptolemy dynastie, de afstammelingen van een van de generaals van Alexander de grote, met als laatste Farao de nog steeds wereldberoemde Cleopatra, zagen zichzelf dan wel als Grieks maar ook zij namen zoveel antiek-Egyptische overtuigingen, geloofssystemen en tradities over dat voor ons moderne bezoekers het vrijwel onmogelijk is om hun Griekse identiteit waar te nemen; voor ons zien ze er veel meer uit als Egyptenaren dan als Grieken.

Hoe Grieks is deze Egyptische tempel?
Hoe Grieks is deze Egyptische tempel?

Dus voor je je vastbijt in het idee dat jouw culturele erfgoed van jou is, en alleen van jou, en uit de handen gehouden moeten worden van diegenen die het zich willen toe-eigenen zonder daar recht toe te hebben, denk eerst hieraan: misschien verminder je de waarde van jezelf en je eigen cultuur niet door haar wijsheid te delen met buitenstaanders, maar vermeerder je haar juist door haar te verspreiden en haar invloed te vergroten. Misschien, door elementen van wat jouw voorouders door de eeuwen heen geleerd hebben het vaak oppervlakkige en kortzichtige gedachtengoed van je onderdrukkers te laten infiltreren, verander je daarmee die onderdrukkers, langzaam, onmerkbaar maar onstuitbaar, tot ze een geheel ander volk geworden zijn. Misschien kan dit je wraak zijn jegens diegenen die jouw volk zo meedogenloos veroverden en zo wreed onderdrukten: dat hun eigen nakomelingen, hun achter-achterkleinkinderen, totaal anders worden dan hun voorouders, tot ze niet eens meer met hen vergeleken willen worden. Zou dat niet de ultieme overwinning zijn? Zij die dachten jouw cultuur met bruut geweld te kunnen overwinnen en vernietigen worden in plaats daarvan overwonnen en uitgewist door jouw geduldige en voortdurende verrijking van hun cultuur met de wijsheid die zij zo schromelijk tekort kwamen, totdat zij – en niet jij – niet veel meer zijn dan een kleine en betreurenswaardige voetnoot in de toekomstige wereldgeschiedenis.

De Rivier

4 – Vallen

Falling - (c) Bard 2017
Vallen – (c) Bard 2017

Waar de bergen hoog genoeg zijn koelen de wolken af tot onder het vriespunt. Minuscule kristallen vormen zich als het vloeibare water veranderd in delicate zesvoudige juwelen van ijs. Alsof ze zelf onder de indruk is van deze prachtige transformatie stopt de wind haar jacht omhoog en verliest alle vaart. Zacht en speels dansend begint de versgevormde sneeuw te vallen. Aarzelend eerst, een paar vlokjes tegelijk, maar al snel aangroeiend tot schimmige sluiers van vallend stof en veren, begint de sneeuw de grond te bedekken tot deze compleet onder een dikke witte stille deken verborgen is.

De Rivier

3 – Stijgen

Stijgen - (c) Bard 2017
Stijgen – (c) Bard 2017

Wanneer de wolken de kust bereiken worden ze door stormachtige winden meer en meer naar de kust gedreven, waar ze samengedrukt worden tegen de bergketens die over de oceaan gewaakt hebben sinds dit continent voor het eerst boven water verscheen. Na eerst nog weerstand geboden te hebben geven de wolken uiteindelijk toe aan de constant stuwende wind en stijgen op tegen de bergen. Terwijl ze stijgen daalt hun temperatuur waardoor de nevel steeds dikker wordt. Van microscopische druppeltjes verandert het water in kleine regendruppels, minder gas-achtig, meer vloeibaar, maar nog steeds drijvend op de volhardende winden die ze tegen de berghellingen opjaagt.

De Rivier

2 – Samenkomen

Samenkomen (c)Bard 2017
Samenkomen (c)Bard 2017

De waterdamp stijgt snel op naar de hemel waar het zich voegt bij miljarden andere waterdruppels die dezelfde reis ondernemen. De druppels blijven echter gescheiden – anders dan in de eenheid van het zeewater – maar vormen een nieuw soort samenzijn: verweven en complexe, constant in beweging zijnde, bijna ontastbare, voortdurend veranderende wolken. Beginnend als dunne sluiers, nauwelijks zichtbaar tegen het diep blauw van de lucht, groeien ze gestaag in omvang en dichtheid, tot ze groot en solide genoeg zijn om hun donkere schaduw over het water te werpen. Als spookschepen hoog boven de oceaan zeilend worden de wolken door de wind voortgestuwd in de richting van het vasteland.

De Rivier

1 – Scheiden

De Zon komt op over de oceaan - (c)Bard 2017
De Zon komt op over de oceaan – (c)Bard 2017

Een helder blauwe lucht boven een eindeloze oceaan, badend in het meedogenloze licht van de hete gele Zon. Als het water opwarmt stijgt het naar de oppervlakte, waar het nog meer warmte ontvangt. Er is macht in deel uitmaken van een oceaan, comfort en een gevoel van eenheid en thuiszijn. En toch, aan het oppervlak, direct blootgesteld aan het verblindende licht van de Zon, verliest het donkere kalme oceaanwater iets van haar aantrekkingskracht en lijkt de hemel, minstens zo uitgestrekt, maar gevuld met licht en lichtheid, te lokken met de belofte van nieuwe ervaringen van een sneller en gevarieerder karakter: het vooruitzicht van een nieuw bestaan. En dus neemt een deel van het water afscheid van de ondeelbaarheid van de oceaan en wordt damp, en laat zich opheffen in de gescheidenheid van minuscule druppels zijn in een oneindige hemel.

Ik Worstel Met Mijn Culturele Erfgoed

Het lijkt een onvermijdelijke waarheid dat wij gedefinieerd worden door waar we vandaan komen: ons land, onze stad, onze religie, onze opvoeding, onze cultuur… Zoveel krachten vormen en beperken ons, kneden en bewerken ons, verfijnen en versterken ons, dat ik me soms afvraag of er iemand is die kan zeggen dat ze werkelijk zichzelf zijn: echt hun eigen individuele zelf, in plaats van een mengelmoes van alles dat ons met de paplepel werd ingegeven vanaf het moment dat we geboren werden. Misschien is wat we ons ‘zelf’ noemen niet meer dan het zichtbare bijproduct van gedachten, overtuigingen, en gedragingen die drijven op het koor van stemmen uit ons verleden – niet iets dat we kunnen claimen als ons eigen, maar iets dat ons claimt voor zichzelf en haar gevoel van identiteit. “Je bent wat wij van je gemaakt hebben” lijken de stemmen uit het verleden te zeggen, “je kan je culturele erfgoed niet ontsnappen.”

En daarin schuilt voor mij een dilemma, een worsteling die steeds meer naar de voorgrond treedt naarmate ik me geroepen voel om mijn eigen stem te vinden; een stem die authentiek voelt; een stem waar ik trouw aan kan zijn omdat het voelt als de stem die ik zou kiezen als ik vanaf het begin mijn eigen identiteit had kunnen scheppen. Ik zoek al jaren naar die ene ware stem van binnen door systematisch alle invloeden te isoleren die ik met zekerheid kon aanwijzen als komend van buiten mijzelf, die te bestuderen, en te besluiten welk deel van die invloeden ik me toe aangetrokken voelde, of juist geen deel meer van wilde zijn. Mijn hoop is altijd geweest dat door het verwijderen van alles waar ik me bezwaard door voelde, alles dat niet volledig juist en passend voelde, ik uiteindelijk die delen zou overhouden die mij compleet juist en eigen voelden: mijn eigen ware en authentieke stem.

Maar is dat wel mogelijk? Zijn de voorkeuren die mij leiden in het kiezen van wat ‘waar’ voelt net zo goed een product van al die stemmen uit het verleden als de stemmen waar ik uit probeer te kiezen. Kan ik mijn keuzes wel als mijn eigen keuzes beschouwen?

En waarom zou ik me daar druk over maken?

Wat is er mis met het loslaten van dat ongrijpbare ‘ware’ zelf waar ik naar zoek en gewoon de zelf accepteren die is me is meegegeven? Wat is er mis met een product zijn van mijn verleden, mijn opvoeding, mijn cultuur, en mijn geschiedenis? Waarom zou ik niet gewoon tevreden zijn met de verzamelde wijsheid en ervaring van alle generaties die voor mij kwamen; de ontelbare mannen en vrouwen die leefden, worstelden, en stierven zodat ik op een dag geboren kon worden en zijn wie ik nu ben? Ben ik niet ondankbaar en zelfzuchtig door het anders te willen?

Dat is mogelijk. Misschien zit er waarde in het gewoon accepteren van de wijsheid van het verleden en het collectieve geheugen van mijn voorouders en de cultuur waarin ik ben opgegroeid. Misschien kan ik beter mijn obsessie met een individu zijn loslaten, mijn ego accepteren voor wat het is, en meegaan met de stroom van mijn sociale omgeving.

Maar … en daarin zit voor mij de worsteling … mijn culturele erfgoed is een mengelmoes van grote daden en vreselijke misdaden, helden en schurken, wijzen en dwazen, verdiensten en kwaadaardigheid, hebzucht en gulheid, engelen en demonen, alles dooreen geweven tot een ingewikkeld tapijt van tegenstellingen, onverenigbare aannames en twijfelachtige zekerheden die ik zie als ik naar ‘mijn’ cultuur kijk.

Symbool van grootsheid en genialiteit, of van wreedheid en onderdrukking? Of misschien van allebei?
Symbool van grootsheid en genialiteit, of van wreedheid en onderdrukking? Of misschien van allebei?

Wordt ik dan geacht gedachtenloos alles van dit erfgoed te accepteren? Moet ik de vreselijk daden van de schurken uit onze geschiedenis toejuichen en ze helden noemen omdat dat is hoe ze gezien werden door geschiedschrijvers uit vroeger tijden? Moet ik onvoorwaardelijk trots zijn op mij land’s vroegere prestaties en verzamelde welvaart, ook als ik weet dat deze prestaties ongekend en amper voorstelbaar leed hebben veroorzaakt aan miljoenen arme zielen die de pech hadden aan de verkeerde kant van de geschiedenis geboren te worden? Wordt ik geacht mijn cultuur’s zelfingenomenheid en zelfverheerlijking over te nemen, ook als een snelle blik op de feiten laat zien dat er evenveel fout is als goed aan onze waarden en gebruiken, evenveel gestolen en toegeëigend als werkelijk zelf voortgebracht door onze eigen voorouders?

Ik denk het niet.

Ik denk dat het volmaakt redelijk is dat een individu kijkt naar zijn of haar cultuur en geschiedenis, dat mengsel van goed en slecht kritisch onderzoekt, en dan persoonlijke keuzes maakt over wat te behouden en waar afstand van te nemen. Dat zou niet alleen moeten worden toegestaan, het zou actief moeten worden aangemoedigd, zodat onze cultuur kan leren zichzelf te verbeteren door de bewuste keuzes die haar leden maken geleid door hun geweten.

Maar zo werkt het niet helemaal. Toch?

In werkelijkheid worden leden van een cultuur (of dat een team is, een bedrijf, gebied, land, etnische groep, of zelfs een werelddeel), zodra ze openlijk kanttekeningen durven te plaatsen bij de historische daden en impliciet aangenomen superioriteit van die cultuur, onvermijdelijk geconfronteerd met felle tegenstand van hun mede cultuurgenoten. Simpelweg door niet blindelings alles te accepteren wat hun cultuur bevat, lijkt het, plaatsen zij zichzelf zo niet geheel buiten dan toch zeker aan de buitenrand van die cultuur. En vanaf die rand is het maar een kleine stap om geheel te worden uitgestoten en verbannen. Blijkbaar hebben wij – als soort – zoveel behoefte aan een collectieve identiteit waar we ons deel van kunnen voelen dat zelfs de simpele daad van vragen stellen over iets dat met die identiteit te maken heeft al aanvoelt als een aanval op ons leven. Om onze collectieve identiteit te beschermen moet de twijfelaar tot buitenstaander gemaakt worden, en vervolgens verontmenselijkt, tot “de ander” gemaakt, gekleineerd, en duidelijk gemaakt worden dat ze het niet verdienen deel te zijn van de culturele identiteit die ons sterk, veilig en bijzonder doet voelen.

Ik denk dat ik die instinctieve reactie die dit felle defensieve gedrag aanstuurt wel begrijp. En ik wil ook mensen niet onnodig tegen me in het harnas jagen of er de oorzaak van zijn dat ze zich minder veilig en minder bijzonder voelen. En ik wil ook oprecht de goede dingen die mijn culturele erfgoed te bieden heeft bewonderen; de heroïsche daden uit het verleden erkennen, de offers die onze voorouders brachten, de overwinningen, en de pure wilskracht en vastberadenheid om te overleven en de floreren. Ik wil leren van en leunen op de wijze en heilige mannen en vrouwen die hun cultuur boven het puur materiële en dagelijkse uittilden en ons wetenschap, filosofie, spiritualiteit en moraliteit brachten.

Maar het schijnt dat men de zegeningen van zijn verleden niet kan ontvangen zonder ook haar smetten aan te nemen. Als ik moet geloven wat er in de culturele debatten om me heen beweerd wordt, kan je – cultureel gezien – niet selecteren en kiezen. Je bent met ons of tegen ons. Elke poging tot onderscheidingsvermogen, tot het stellen van vragen, tot het wijzen op de duistere kanten van onze cultuur maakt automatisch ons lidmaatschap van die cultuur ongeldig. Door mijn pogingen selectief te zijn heb ik blijkbaar het recht verloren op een plaats binnen in die cirkel.

Ik ben ook een mens. Ik wil net zo goed trots zijn op alle krachten die me gevormd hebben en me gebracht hebben waar ik nu ben. Ik will ook dankbaarheid en respect tonen jegens de ontelbare generaties die leefden, leden, en stierven zodat ik mijn moment onder de zon kan beleven. Maar ik kan dat niet onvoorwaardelijk en ik kan niet stomweg de duisternis die er ook is negeren. En dus worstel ik met mijn culturele erfgoed: er deel van willen zijn, ervan leren en voordeel van hebben, maar blijkbaar door die cultuur zelf gedoemd te zijn er buiten te staan omdat ik het lef heb er kritische kanttekeningen bij te plaatsen.

Maar als er een ding is dat ik zeker weet is dat ik nooit zal stoppen met vragen stellen.

Het Trauma van Zelf-Bewustzijn

Wij zijn als mensen nogal trots op ons zelf-bewustzijn: op ons vermogen onze eigen gedachten en acties gade te slaan alsof we er van buitenaf naar kijken; op de wijze waarop wij die waarnemingen in taal en abstracte concepten kunnen uitdrukken die we vervolgens kunnen manipuleren, verwoorden, en delen. Wij beschouwen dit als typisch menselijke vaardigheden, en een van de dingen die ons anders maakt dan andere diersoorten. Maar maakt het feit dat ons soort zelf-bewustzijn uniek is het ook automatisch iets dat goed voor ons is?

Hoe zou het geweest zijn om te leven als een net niet menselijke hominide? Nog niet in staat om te spreken; om complexe abstracte gedachten en ideeën met soortgenoten te delen; om de band met elkaar te versterken door verhalen te vertellen en te luisteren naar de verhalen van anderen; om ver voorbij de nabije toekomst te kunnen plannen en zich dingen voor te stellen die niet bestaan maar zo echt lijken dat je ze in afbeeldingen tot leven kan laten komen op wanden, vloeren en plafonds van grotten en heilige plaatsen?

Er moet een periode zijn geweest waarin onze voorouders de eerste aarzelende versies van de eigenschappen ontwikkelden die we nu als fundamenteel menselijk beschouwen, maar nog niet ver genoeg ontwikkeld om de stap te maken van zeer slim dier naar beginnend mens. Er moet een ontluikend bewustzijn in die vroege hersenen geweest zijn dat zich uitstrekte voorbij het nabije naar het verre: ver in tijd, in plaats, in abstractie, in werkelijkheid. Een moment waarop een individu niet slechts iets waarnam buiten haarzelf en erop reageerde, maar haarzelf kon observeren tijdens het waarnemen, en zich bewust werd van haarzelf als de waarneemster, naast en buiten datgene wat er werd waargenomen.

Stel je die overgang voor: het ene moment is slechts één wereld, waargenomen door maar niet apart van de waarnemer, de werkelijkheid ervaren als een verlengde van een zelf dat daar binnenin beweegt maar er niet buiten staat; het volgende moment splitst de werkelijkheid zich in tweeën, in de waarnemer en wat wordt waargenomen, en zijn er ineens twee dingen in de wereld, gerelateerd maar niet hetzelfde, onafscheidelijk verbonden maar niet een eenheid. Dat moment waarop de eerste van onze verre voorouders zich afgescheiden voelde van de werkelijkheid waar ze even daarvoor nog een deel van was moet een angstwekkend en eenzaam moment geweest zijn. Niet alleen vond ze zichzelf afgescheiden, ze moet ook niemand anders gehad hebben, aangezien ze de eerste was die die grens overschreed, om haar ervaringen mee te delen; en niemand die haar kon troosten en zeggen dat het allemaal goed zou komen.

Ik vraag me af of die eerste momenten van zelf-bewustzijn kwamen en gingen als de eerste aarzelende vlammetjes in een beginnende bosbrand – kleine vonkjes van bewustwording, maar kort en vluchtig, bijna direct weer weggedrukt in het onderbewuste – of dat het zelf-bewustzijn, toen die deur eenmaal openging, binnen kwam stromen als een vloedgolf tijdens een overstroming nadat de dijk het begaf onder de druk van het stijgende water. Maar hoe langzaam of snel het ook verscheen, zelf-bewustzijn werd uiteindelijk een vaste eigenschap van onze vroege voorouders en werd daarmee de bron van onze grootste prestaties, maar ook van ons diepste lijden.

Zelf-bewustzijn creëert afscheiding, en afscheiding creëert angst en verlangen. Het doet een angst ontstaan voor een wereld die apart is van onszelf en niet vertrouwd kan worden zich niet tegen ons te zullen keren. Angst dat een wereld die separaat van ons is ons wellicht niet nodig heeft, en zelfstandig voort kan gaan, een toekomst tegemoet waar wij geen deel van zijn. Omdat die wereld niet één is met ons kan, en zal, zij ons op een dag vernietigen. Tegelijkertijd creëert ons zelf-bewustzijn een verlangen on onze wil op te leggen aan die wereld die niet onszelf is. Verlangen om te scheppen, vorm te geven en te vernietigen, om onszelf te laten zien dat we macht hebben over de afgescheiden werkelijkheid, over dat ‘iets’ dat zich buiten ons bevindt. Het mag dan niet onszelf zijn, maar we kunnen het wel buigen naar onze verlangens.

Zolang we vast blijven zitten in de dualiteit van ons/niet-ons waar het zelf-bewustzijn ons in verstrikt heeft zullen we slaaf blijven van die constante strijd tussen angst en verlangen. Aan de ene kant zetten we onszelf gedurfde, ambitieuze doelen – uitdagingen die we zelf bepalen, en waarvan verwachten geluk te vinden als het ons lukt die doelen te bereiken; aan de andere kant vrezen we voortdurend dat we vroeger of later zullen falen. We weten, diep van binnen, dat er geen permanente overwinningen zijn, en dat de externe wereld waar we ons van hebben afgescheiden door ons zelf-bewustzijn op een dag terug zal komen om ons op te eisen, om ons te absorberen, en alle sporen uit te wissen dat wij er ooit geweest zijn. Geen van onze glorieuze prestaties zal ons ooit dat definitieve geluk brengen waar we zo naar smachten. Omdat we weten dat we de werkelijkheid niet voor altijd kunnen weg-presteren.

Evolutie moet zelf-bewustzijn hebben aangemoedigd omdat het een fysiek zwakke en kwetsbare diersoort in staat heeft gesteld de wereld over te nemen en te domineren op een manier die geen enkel andere gewervelde diersoort voor elkaar heeft gekregen. Misschien stelde zelf-bewustzijn ons in staat sneller te leren, en flexibeler te zijn in tijden van verandering. Misschien was het de combinatie van zelf-bewustzijn en taal, die ons niet alleen individueel beter liet leren, maar ons ook in staat stelde wat we leerden uit te vergroten tot ver voorbij de eigen stam en over vele generaties. Maar evolutionair succes betekent niet automatisch dat het goed voor ons is, als individuen. Ons DNA geeft niets om onze pijnen. Als het aan ons DNA lag zouden we gewoon doorgaan met lijden, zolang dat ons DNA maar helpt om meer en meer kopieën van zichzelf te maken.

Dus is het wellicht tijd om onszelf een nieuw doel te stellen: om ons te richten op een prestatie die alle andere prestaties zal overtreffen. Misschien is het tijd om datzelfde zelf-bewustzijn dat ons zoveel strijd en lijden brengt te gebruiken om ons boven de door haar veroorzaakte scheiding te tillen. Misschien is dat wel wat verlichting is: de eerste tekenen dat sommigen van ons een bewustzijn ervaren dat verder gaat dan wat wij gewoonlijk ervaren, een bewustzijn dat zich verheft boven de dualiteit die ons zelf-bewustzijn gecreëerd heeft.

Zelf-bewustzijn gebruiken om aan de duisternis die het zelf veroorzaakt te ontsnappen
Zelf-bewustzijn gebruiken om aan de duisternis die het zelf veroorzaakt te ontsnappen

Misschien zullen onze verre nazaten terugkijken en zich afvragen hoe het geweest moet zijn om een van de eerste individuen te zijn die zo’n ervaring meemaakte. Misschien zullen zij het moeilijk vinden om te begrijpen hoe het voelde om vast te zitten in een pre-verlichting staat van bewustzijn maar toch korte momenten te ervaren van een bewustzijn dat daaraan voorbij gaat.

Laten we het hopen.

De Illusie van Vooruitgang

Wij mensen hebben geen precieze kijk op hoe het verleden werkelijk was en evenmin kunnen wij erg ver voorbij onze eigen tijd de toekomst voorzien. Wanneer wij beweren dat we vooruitgang boeken, aan welk verleden meten wij die vooruitgang dan, en welke toekomst creëeren wij met de verbeteringen die we denken aan te moeten brengen?

Het is moeilijk met enige zekerheid iets over de menselijke geschiedenis van meer dan een paar generaties geleden te zeggen. Mensen hebben altijd gebruik gemaakt van vormen van mondelinge overlevering – zoals ballades, verhalen, mythes, en gedichten – om hun geschiedenis door te geven. Helaas zijn die vormen niet statisch, maar veranderen mee met de veranderingen in de mensen die deze vormen in leven houden. Met het veranderen van onze culturen veranderen ook onze ideeën over onze geschiedenis en veel van de oorspronkelijke inhoud raakt ondergesneeuwd onder lagen van her-interpretatie, vermengd met verhalen geleend van andere culturen waarmee we in aanraking komen, of zelfs compleet vergeten omdat latere generaties de relevantie van de oude verhalen voor hun moderne leven zijn kwijtgeraakt. Met de uitvinding van het schrift werd er weliswaar meer van het originele materiaal vastgelegd en in de oorspronkelijke vorm bewaard, maar dat stopte niet het hervertellen en aanpassen van het culturele verhaal. Dat ging hooguit wat langzamer, en door het schrift kon dat verhaal zich nog verder en dieper verspreiden, maar onze collectieve herinneringen aan ons diepere verleden zijn hierdoor nauwelijks verbeterd. En hoe sneller onze culturen veranderen, hoe sneller onze ware geschiedenis aan ons bewustzijn ontsnapt.

Vanuit een verleden dat we ons niet meer kunnen herinneren....
Vanuit een verleden dat we ons niet meer kunnen herinneren….

En dat is jammer.

Door dit voortdurende hervertellen van onze geschiedenis hebben we maar zeer beperkt toegang tot hoe het was om te leven in de tijden die achter ons liggen. We vervangen voortdurend ons werkelijke verleden met een verzonnen versie ervan: een fictieve versie die meer mythisch dan feitelijk is, meer symbolisch dan historisch, meer fantasie dan herinnering. Deze geleidelijke vervanging van onze ware geschiedenis met een fictieve her-interpretatie veroorzaakt een vreemd soort collectieve kortzichtigheid: we verbeelden zowel ons verleden als onze toekomst in versimpelde termen en drastisch verkortte tijdsspannes. Wanneer we dan onze vooruitgang meten, doen we dat tegen een gereduceerd en grotendeels verzonnen verleden, en projecteren het vooruit naar een korte, lineaire toekomst. Wat we daardoor niet zien zijn de geleidelijke, diepe veranderingen die onze huidige situatie tot stand brachten en evenmin zien we hoe korte-termijn, directe acties en oplossingen die situatie op de lange termijn veel slechter zouden kunnen maken, zelfs als het erop lijkt dat we in het hier en nu iets verbeteren . Vanwege ons beperkt bewustzijn van hoe het verleden werkelijk was kunnen we onszelf wijsmaken dat we vooruitgang boeken waar we in werkelijkheid wellicht amper aan het herstellen zijn van de schade die onze vorige ‘vooruitgang’ onze wereld heeft aangedaan, en misschien nog ver achter liggen ten opzichte van de positieve kwaliteiten die het leven in vroegere tijden mooi en zinvol maakten. Maar we kunnen ook de vergissing maken te verlangen naar een verzonnen eenvoudiger en gelukkiger verleden en door ons aan die illusie vast te klampen ware vooruitgang onmogelijk maken, of door een nooit bestaan verleden te proberen te herstellen het ontstaan van een mooiere toekomst belemmeren.

... naar een toekomst die we niet aan zagen komen.
… naar een toekomst die we niet aan zagen komen.

Als we zeker willen zijn dat verbeteringen en oplossingen voor de problemen van vandaag werkelijk vooruitgang betekenen, en niet een voor de hand liggend instant lapmiddel dat de oorzaak zal zijn van nieuwe toekomstige kwalen, moeten we leren het onderscheid te maken tussen werkelijke vooruitgang en tijdelijke opluchting. We moeten vooruitgang leren zien in het perspectief van lange termijn consequenties, en verbeteringen als iets dat alleen gemeten kan worden over langere tijdspannes. We moeten ons verre verleden herontdekken, en daarmee de lessen die we daaruit kunnen leren. We moeten ophouden het verleden te over-simplificeren: ofwel als een aards paradijs dat we zijn kwijtgeraakt door te vervallen in duisternis, geweld, en lijden, en dat alleen maar erger zou worden zonder de macht van wetten, gezag, religie, normen en principes; of als een rauwe, primitieve strijd voor het bestaan waar we ons pas recentelijk aan ontworsteld hebben door de macht van de verlichting, ratio, wetenschap, en technologie. We moeten onder ogen zien dat het verleden hoogstwaarschijnlijk nooit zo eenvoudig en rechtlijnig was, maar veel meer een complexe mengeling van geluk en wanhoop, lijden en zaligheid, vooruitgang en verval, orde en chaos, oorlog en vrede, alles tegelijk en voortgedreven op stromingen en tijdspannes die veel langer en ingewikkelder zijn dan onze eenvoudige verhalen kunnen weergeven.

Laat ons daarom leren zowel ons verre verleden te hervinden als onze verre toekomst te overwegen, beiden tegelijk. Laat ons proberen vooruitgang te meten niet simpelweg als een verbetering ten opzichte van onze huidige problemen, maar als een poging om het beste uit ons verleden samen te brengen met het beste voor onze toekomst. Misschien, als we kunnen leren uit de dwang van ons plaatselijke korte moment te stappen, kunnen we de tijd leren zien als een lange, ononderbroken stroom vanuit het verleden naar de toekomst, even vol met waardevolle ervaringen en kennis als ze vol is met nog onvervuld maar reëel potentieel. Misschien ontdekken we dan hoe we toekomst en verleden bij elkaar kunnen brengen, er een deel van kunnen worden, ermee te dansen, in plaats van ze constant te scheiden en in stukken en brokken te snijden, in onze verwoede pogingen de wereld te dwingen te voldoen aan onze onvolledige en gebrekkige ficties.

Het ‘Profiteurs’ Probleem

Als het onderwerp van hulp bieden aan de minder fortuinlijken en minder bedeelden ter sprake komt is er vrijwel altijd wel iemand die het ‘profiteurs’ probleem ter tafel brengt: dat er mensen zijn die misbruik maken van zulke hulp en er onverdiend van profiteren, ten koste van diegenen die de hulp aanbieden. Ik wil niet ontkennen dat zulke mensen bestaan en dat zij een belemmering vormen voor mensen die oprecht hulp willen bieden aan mensen die dat nodig hebben. Maar is dat werkelijk een reden om zulke hulp dan maar helemaal niet aan te bieden? En misschien is het nog belangrijker om een moment stil te staan bij de vraag of de mensen die misbruik maken van de hulp van mensen die het beter hebben dan zij de enige ‘profiteurs’ zijn in deze vergelijking, en of we ons wel zorgen maken over de juiste profiteurs.

Ik geloof dat de meeste mensen goed willen zijn en goed willen doen. En dat de meeste mensen hulp willen bieden aan mensen in nood. Er is voldoende bewijs dat het helpen van anderen meer is dan alleen een cultureel gebod – een aangeleerd gedrag – maar een veel dieper, haast instinctief gedrag, genetisch in ons geprogrammeerd omdat het goed is voor het overleven van de mens als soort. Toch zien we om ons heen veel mensen in nood, velen die geen hulp krijgen, en veel welgestelden die hun welvaart niet echt vrijelijk delen met anderen. Waarom?

Een van de verklaringen die vaak gegeven wordt is dat het helpen van anderen gegarandeerd leidt tot misbruikt worden. Of de hulp nu komt van individuen of van een collectief (zoals de staat), zo gaat deze redenering, mensen zullen altijd misbruik maken van alles wat ze te makkelijk gegeven wordt, en er onterecht van profiteren, ten koste van de de gulle gevers. Dit wordt ook wel het ‘profiteurs’ probleem genoemd, en gebruikt om te beargumenteren dat we niet zomaar hulp kunnen bieden aan mensen in minder fortuinlijke omstandigheden.

Profiteurs zijn niet te vermijden, wordt er beweerd, en zouden profiteren van de zuurverdiende welvaart van andere mensen, zonder zelf iets bij te dragen of ervoor terug te geven. Het is vanwege deze profiteurs dat we niet van hardwerkende mensen kunnen verwachten dat ze hun welvaart zomaar met iedereen zouden delen: dat zou oneerlijk zijn. In plaats daarvan moeten we zeer voorzichtig zijn met hulp verlenen, en er voor zorgen dat de ontvangers duidelijk voelen dat ze op geen enkele wijze recht hebben op die hulp, zich schuldig zouden moeten voelen dat ze het nodig hebben, en op die manier actief worden ontmoedigd om erom te vragen.

Het droeve feit is dat deze redenering geen onderscheid maakt tussen mensen die gewoon hulp nodig hebben; die in moeilijkheden zitten zonder daar iets aan te kunnen doen; die eenvoudigweg aan het kortste eind trokken in de loterij van het noodlot; en de – naar mijn idee – minderheid die liever misbruikt maakt van de naïviteit en goedheid van andere mensen dan zelfs maar halfslachtig te proberen zelf iets van hun leven te maken. En dus wordt er geen hulp gegeven, vanwege een generalisatie die zwaar onrecht doet aan een grote groep mensen.

Maar er ligt nog een andere aanname onder het profiteurs probleem en de manier waarop het gebruikt wordt om hulp aan minder bedeelden te ontmoedigen. En dat is de aanname dat het altijd de zwakkeren zijn die proberen te profiteren van de sterkeren, de armen van de rijken, de zieken van de gezonden. Het is tenslotte toch zo dat de zwakkeren nodig hebben wat de sterkeren in ruime mate voorhanden hebben, dus zijn de zwakkeren de enige die voordeel kunnen ontlenen aan deze fundamentele ongelijkheid.

Dat is een gevaarlijke aanname, en een denkfout.

Gevaarlijk omdat het hulpbehoevenden niet alleen afschildert als zwak maar ook nog als afgunstig. Ze zijn niet alleen behoeftig, ze zijn ook hebberig – en begeren zaken die ze niet verdiend hebben. Een denkfout omdat in werkelijkheid de richting van het misbruik net zo makkelijk de andere kant op kan zijn. Het is makkelijker voor de rijken om de armen te benadelen dan andersom; makkelijker voor de gezonden om te profiteren van de zieken; en makkelijker voor de machtigen om de machtelozen te onderdrukken en zwak te houden.

Er zijn minstens evenveel, zo niet meer – omdat het makkelijker is – profiteurs onder de beter bedeelden dan onder degenen die behoeftig zijn. Mensen die misbruik maken van de tegenspoed van anderen; slavenhouders die zich verrijken aan het lijden van mensen die hun vrijheid niet kunnen verdedigen; industriëlen die de werkende massa’s dwingen om akelige, lange uren te zwoegen in gevaarlijke, lichtloze fabrieken, omdat die mensen geen andere bron van inkomsten hebben; farmaceutische bedrijven die enorme winsten onttrekken aan mensen die wanhopig zoeken naar genezing; banken die profiteren van mensen die zijn getroffen door natuurrampen of economische achteruitgang; … de lijst gaat maar door. En denk niet dat ik slechts praat over een kleine groep van kwaadwillige mensen die we zouden kunnen nawijzen en beschimpen om hun hebzucht en gierigheid. Als we een eerlijke blik op onszelf werpen, onze Westerse beschaving, onze welvaart en relatieve overmacht, hoeveel van wat we tegenwoordig beschouwen als ons geboorterecht en het product van het harde werk en de gewiekstheid van onze voorouders was in werkelijkheid gestolen, onder dreiging van geweld of erger, van mensen die zich niet konden verdedigen?

En daarom zijn hier mijn drie redenen om het profiteurs probleem te verwerpen als een reden om hulp aan mensen die het nodig hebben te beperken of te stoppen:

  1. Psychologisch, wanneer je de angst voor tekorten en gebrek aan macht kan overwinnen, is er meer geluk te vinden in geven dan in ontvangen of vergaren. Door je aan je eigen weelde vast te klampen misgun je jezelf een kans om dat geluk te ervaren;
  2. Onder de mensen die hulp zoeken heeft de meerderheid echt hulp nodig, en is slechts de minderheid een pure profiteur. De meeste mensen vinden het helemaal niet prettig om om hulp te vragen, en zullen lang aarzelen om daartoe over te gaan, tenzij ze voelen dat ze geen andere keuze hebben. Door zonder onderscheid iedereen die om hulp vraagt af te doen als een profiteur doe je vrijwel iedereen onrecht aan, niet alleen door niet te helpen, maar door hun geestelijk lijden nog te verergeren met de last van zich hulpeloos en ongewenst voelen;
  3. Als je deel bent van de rijke bovenlaag in onze samenleving, ben je waarschijnlijk zelf een profiteur, en maakt op oneerlijke wijze misbruik van vele mensen in de rest van de wereld; mensen die worden uitgebuit en onderdrukt om jou te voorzien van de weelde en luxe waarmee jij je zo makkelijk omringt. Je doet dat waarschijnlijk niet eens met opzet, en bent wellicht in principe tegen zulke praktijken, maar omdat onze maatschappij op deze praktijken gebaseerd is en jij deel bent van haar systemen, heb je er wel degelijk profijt van, en dus ben je impliciet medeplichtig. Dus is het minste dat je doen kan meer van dat profijt te delen met meer mensen in nood. Daarmee help je dit oneerlijke voordeel te verminderen en ten minste een deel van de pijn en het lijden dat dit voordeel veroorzaakt te verzachten.
Sharing can be messy, but it's much more fun.
Sharing can be messy, but it’s much more fun.

1

En dat, beste lezers, is mijn afscheidsmotto voor dit jaar: durf om mensen te geven en aan mensen te geven. Daar wordt de hele wereld beter van.

  1. (Image by Kathy on Flickr – published under the Creative Commons Attribution-Share Alike 2.0 Generic license)