De Beer

De Beer
Beer – ©Bard 2021

De beer was die ochtend uit een lange winterslaap ontwaakt. Nog zwak en wankel was hij op zoek gegaan naar voedsel. Alles was welkom. Als hongerige alleseter was hij niet kieskeurig. Toch zou hij onder normale omstandigheden een ruime boog gemaakt hebben om het dode mens dat hij niet ver van zijn schuilplaats tegenkwam. De meeste wilde dieren die dicht genoeg bij mensen leven hebben een instinctieve neiging om bij ze uit de buurt te blijven. Maar dit keer won de honger het van die diepgewortelde voorzichtigheid. Haastig schrokkend verslond de beer een groot deel van het lichaam en rende daarna snel weer terug naar de grot waar hij zich veilig voelde. Daar viel hij al snel in een onrustige slaap.


Opeens schrok hij wakker. Hij wist niet precies waarom: een geluid misschien? Hij spitste zijn oren, maar hoorde alleen zijn eigen adem. Dat verbaasde hem. Het was hem nooit eerder opgevallen dat zijn adem zo zwaar klonk, tussen snuiven en grommen in. Hij had sowieso nooit aandacht besteed aan ademhalen. Dat was iets dat vanzelf ging, net als lopen, eten, slapen… Maar nu was hij zich ineens bewust van de spieren die de lucht naar binnen zogen en naar buiten bliezen. Hij voelde de koude lucht naar binnen stromen en als warme, vochtige wolken weer naar buiten gaan. Hij zag hoe stoom zich voor zijn ogen vormde. Totaal verward vergat hij adem te halen, tot zijn lijf protesteerde en hem dwong een grote hap lucht te nemen, waarin hij zich vervolgens verslikte, zodat hij proestend en blaffend op adem moest komen.

De beer raakte steeds meer in de war. Waarnemingen en half-gevormde indrukken tuimelden over elkaar in zijn hoofd. Wat het hem meest verwarde was dat hij zich hiervan bewust was. Hij was wel eerder verbaasd geweest. Of geschrokken van een onverwacht geluid. Hij was wel vaker in situaties terecht gekomen die hem onzeker maakten, en verward genoeg om zich nerveus uit terug te trekken. Maar nog nooit eerder was hij zich van zichzelf bewust geweest. Nooit eerder strekte wat hij waarnam van de wereld zich tot die waarnemingen zelf uit. Waarnemingen, indrukken en emoties kwamen en gingen, net als het landschap waar hij doorheen bewoog. Hij had zichzelf nog nooit als het centrum daarvan gezien. Hij had was nooit op de gedachte gekomen dat er een centrum was. Hij had zichzelf nog nooit gezien.

De vanzelfsprekendheid waarmee de wereld en de beer één vloeiende dans vormden van actie, reactie en interactie viel uit elkaar. Totaal nieuwe emoties overweldigden hem. Hij voelde zich verloren, klein en machteloos, bang, alleen. Voorheen was hij altijd even groot geweest als de wereld die hij waarnam, direct en onvoorwaardelijk verbonden met alles om hem heen. Bewust van zichzelf als waarnemer was hij geen deelnemer meer maar een toeschouwer vanachter de transparante muren van zijn zintuigen. Hoe meer hij naar zichzelf keek, hoe kleiner hij zich voelde. Hij zag zichzelf krimpen tot een enkel punt van bewustzijn omringd door de oneindigheid, compleet alleen. Voor het eerst drong het tot hem door dat hij zelf dus eindig was – fysiek begrensd maar ook in tijd. Wetend dat er een vroeger was waarin hij met alles verbonden was vreesde hij dat er ook een later zou zijn waarin hij geheel zou zijn verdwenen.

De beer werd bang. Bang voor de dood. Bang voor het einde. Doodsbang.

Dit was niet het soort angst waar hij simpelweg op zijn instincten kon vertrouwen hem uit de problemen te helpen. Het besef van de dood zat van binnen, niet van buiten. Er was geen tegenstander om aan te vallen. Er was geen plek om naar te vluchten. Er was geen manier om zich te verschuilen. Totale paniek overviel hem. Zonder te kijken waarheen, zonder acht te slaan op zijn omgeving, begon de beer te rennen.


Hij rende door tot hij van uitputting neerviel. Zwaar hijgend lag hij een tijdje met gesloten ogen te wachten, overtuigd dat de dood hem zou overvallen en doen verdwijnen in het niets.


Het geluid van wind over water drong tot hem door. Voorzichtig opende hij zijn ogen. Hij zag dat hij op een strandje lag aan de rand van een klein meer omringd door hoge bomen. Het zand was bijna puur wit. Het water van het meer was zo helder dat het alleen te zien was door de schaduwen van de golven die door de wind werden voortbewogen. De lucht was stralend blauw.

Wat hij zag deed hem een beetje tot rust komen. Hij had nog nooit bewust naar een landschap gekeken. Deze vredige schoonheid riep een nieuwe emotie in hem op. Hij voelde zich veilig hier en in harmonie met zijn omgeving. Hij zou bijna de doodsangst kunnen vergeten die hem hiernaar toe gedreven had.

“Dat zou mooi zijn,” sprak een stem “als een beetje natuurschoon genoeg zou zijn om jouw problemen op te lossen. Helaas, zo makkelijk gaat dat niet.”

De beer kwam haastig overeind. Zijn eerste neiging was om weg te rennen, of op zijn achterpoten te gaan staan om zich zo groot en dreigend mogelijk te maken. Maar de verbazing over de onverwachte stem, en het feit dat hij had begrepen wat er gezegd was, wonnen het van zijn instincten. Verbouwereerd zakte hij door zijn achterpoten en keek naar waar die stem vandaan kwam.

Voor hem stond een mensenvrouw, klein, met lang donker haar. In haar hand hield ze een lange stok. Hoewel hij haar met een enkele klap van zijn voorpoot zou kunnen doden wist de beer instinctief dat zij veel machtiger was dan ze eruit zag.

“Ja” sprak ze, “ga er maar eens goed voor zitten. Je hebt jezelf aardig in de nesten gewerkt.” De beer wist niet wat hem meer verbaasde: het feit dit mensenvrouwtje hem aansprak of dat hij alles begreep wat ze tegen hem zei. Hij had wel eerder mensen geluiden horen maken, maar het was nooit anders geweest dan het gezang van de vogels of het geknor van de wilde varkens. Maar nu drong elk woord tot hem door en veroorzaakte een vloed van gedachten en vragen.

“?????” gromde hij tegen haar.

“Probeer maar niet te spreken,” antwoordde zij, “daar is jouw bek niet geschikt voor. Het zou ook niet goed voor je zijn. Je zit al genoeg in de problemen, als je nu ook nog in woorden gaat denken wordt het alleen maar erger.”

“??!!??!!????!?!?!” gromde hij terug, enigszins gefrustreerd dat wat hij wilde communiceren zulke vreemde geluiden opleverde, in plaats van de vragen die hij in zijn hoofd had.

“Weet je nog wanneer dit allemaal begonnen is?” vroeg de vrouw. De beer gromde terug dat hij wakker was geworden met dit vreemde gevoel. “Dat begrijp ik. De verwarring begon bij het ontwaken. Dus moet er iets gebeurd zijn voor je bent gaan slapen. Zoiets ingrijpends gebeurd niet uit zichzelf. Denk eens heel goed na. Kan je je iets herinneren van de momenten voor je die laatste keer ging slapen?”

De beer dacht na, wat hem niet makkelijk afging omdat hij dit nooit eerder bewust geprobeerd had. Hij was gaan slapen, dat wist hij nog. Hij was nogal snel naar zijn schuilplaats gerend, dat herinnerde hij zich nu ook. Hij had daarvoor iets gegeten … iets dat hij normaal niet zou aanraken … !!! Ineens zag hij het beeld voor zich van het dode mens en proefde hij de vreemde smaak van mensenvlees in zijn bek. Hij had een mens gegeten!

“Juist,” sprak de vrouw, “daar was ik al bang voor. Je at een mens die nog maar net was overleden of nog net niet helemaal dood was. Daardoor is een deel van het menselijk bewustzijn bij jou terechtgekomen. Je bent als soort altijd verstandig genoeg geweest om deze vorm van bewustzijn uit de weg te gaan. Dat jullie liever geen mensen eten is niet omdat jullie bang voor ze zijn maar omdat jullie instinctief aanvoelen dat er iets vreemds aan mensen is. Iets waar ze allemaal aan lijden. Door aan je honger toe te geven heb jij jezelf besmet met datzelfde lijden – de vreselijke last van het zelfbewustzijn.”

“!!!???!!” gromde de beer hoopvol.

“Nee. Dit gaat niet vanzelf weer over. Als je die drempel eenmaal over bent kan je niet zomaar terug naar je oude bewustzijn. Zelfbewustzijn houdt zichzelf in stand. Elke waarneming van je eigen gedachten versterkt het gevoel dat die gedachten zijn wie jij werkelijk bent. En hoe meer je je met je gedachten vereenzelvigd, hoe moeilijker het wordt om die identificering los te laten. Als we er niets aan doen ga je nog denken dat als je gedachten ophouden jij ophoudt te bestaan. En dan ga je datgene beschermen wat je het meeste leed berokkend.”

“???????!!!” gromde de beer, bang, boos en verdrietig tegelijk.

“Ik zal je helpen” zei de vrouw, “maar het zal niet eenvoudig zijn. Je zult mij moeten vertrouwen en gehoorzaam alles doen wat ik je opdraag. Geen vragen, geen twijfel. Denk je dat je dat kan?”

“!!!!!!!!!” gromde de beer, allang blij dat de vrouw leek te weten hoe ze hem kon helpen. Hij nam zich voor precies te doen wat ze hem opdroeg. Hij wilde zo snel mogelijk weer die beer van vroeger zijn waar hij, terugkijkend, zo gelukkig mee was, al was hij zich daar toen niet van bewust.

En zo begon zijn leertijd onder leiding van de vrouw.


Het was allemaal niet zo makkelijk als hij gehoopt had. Hij verwachtte dat ze hem een simpele truc zou leren om die vreselijke stroom van bewustzijn en gedachten tot stilstand te brengen. Het moest toch mogelijk zijn om deze maalstroom net zo abrupt te doen stoppen als ze begonnen was? In plaats daarvan vertelde ze hem dat hij zich vooral niet moest verzetten tegen zijn eigen bewustzijn. Hoe meer hij bewust zou proberen zijn gedachten te stoppen, hoe meer hij verstrikt zou raken in de paradox van het bewust proberen zich nergens meer bewust van te zijn.

“Je moet je laten meedrijven met de stroom,” vertelde de vrouw hem. “Je kan alleen aan deze stroom ontsnappen door er helemaal aan toe te geven. In die overgave zit de overwinning.”

Hij begreep niet echt wat ze hem vertelde. Winnen door je over te geven? Zo werkte de natuur toch niet? Hij had vaak genoeg om territorium moeten vechten. Degene die zich overgaf had duidelijk verloren en moest vaak rennen voor z’n leven. Dat kon je toch geen overwinning noemen?

“Een afgedwongen overwinning is geen echte overwinning,” sprak de vrouw, zijn gedachten lezend. “Dat is slechts een tijdelijke verplaatsing van het evenwicht. Hoe meer je het evenwicht met macht probeert te verstoren, hoe sterker het uiteindelijk zal terugslaan om de balans weer te herstellen. Nee, jij moet leren jouw evenwicht te vinden door de balans te dienen, niet door het te verstoren.”

Het zal wel, dacht de beer, die er nu nog minder van begreep maar niets beters wist dan zich over te geven aan wat komen zou.

“Prima!” zei de vrouw, “Dat is wat ik bedoel. Geef je over en je zal zien dat je krijgt waar je naar zoekt.”


De maanden die volgden waren de moeilijkste die de beer ooit had meegemaakt.

De vrouw gaf hem vreemde en onmogelijke lijkende opdrachten. Ze liet hem bijvoorbeeld over het strand lopen en naar het zand kijken. Maar dan mocht hij alleen de zwarte zandkorrels zien. Al het andere moest hij negeren. Ieder keer als zijn oog per ongeluk op iets anders viel, een gekleurd steentje, een schelpje, of een kruipend insect, gaf ze hem een venijnige tik op zijn snuit met haar staf. “Laat je niet afleiden,” zei ze dan, “blijf je aandacht de baas.” De eerste keren had hij verontwaardigd, zelfs boos, gereageerd op die klappen. Hij had naar haar gegromd, zijn tanden laten zien, en één keer was hij zelfs overeind gekomen, klaar om haar een mep terug te verkopen. Ze was daar totaal niet van de onder indruk. “Boosheid is afleiding.” zei ze. “Wie boos is verzet zich tegen de stroom en en veroorzaakt alleen maar turbulentie, geen vooruitgang.” Ze benadrukte haar woorden met opnieuw een scherpe tik op z’n neus. “Opnieuw.” zei ze. “Alleen de zwarte korrels. De rest is niet van belang.” Hij wist niets beters te doen dan terugzakken op alle vier de poten en zich weer te concentreren op de zwarte korrels zand tussen de ontelbare afleidingen die hem van zijn taak probeerden af te houden.

Op andere dagen liet ze hem aan het water zitten met de opdracht álles waar te nemen wat zijn zintuigen maar konden registreren. Bewegingen, geluiden, geuren, aanrakingen, … hij moest proberen zich van alles bewust te zijn zonder aan één specifieke waarneming voorrang te geven of ergens bij stil te staan. Ook dit bleek in het begin een ware kwelling voor hem. Als er iets jeukte wilde hij krabben, maar zodra hij een beweging maakte was er weer zo’n tik op z’n neus. “Alleen registreren,” zei ze dan, “en laten gaan. Vooral niet blijven hangen. Geen permanentie verlenen aan al het vluchtige om je heen.” Hij wist niet precies wat dat betekende maar wel dat er aan haar staf niet viel te ontkomen. Dus ging hij maar weer zitten en probeerde zich bewust te zijn van alles om hem heen zonder ergens echt aandacht aan te besteden.

Ook waren er dagen dat hij zich van haar moest concentreren op het een of andere kleine diertje. Dat kon een vogel zijn, een insect, een vis, een eekhoorn, … elk dier dat regelmatig in de omgeving van het water te observeren was kwam wel een keer aan de beurt. Zijn opdracht was zo’n diertje heel bewust te bestuderen en zich er zo op te concentreren dat hij kon zich kon gaan invoelen in de belevingswereld van dat dier. “Wordt die vogel,” zei ze dan, “en beleef de wereld door zijn ogen. Zie wat hij ziet, voel wat hij voelt, tot elke vleugelslag jouw vleugelslag is, en elke noot die hij zingt uit jouw keel lijkt te komen.”

Dit laatste was misschien wel de moeilijkste van alle opdrachten. Hij had nog nooit bewust gekeken naar andere wezens. Hij had gejaagd op kleine prooien, of om grotere beren of groepen wolven heen getrokken om conflicten te vermijden. Maar dat ging nooit om hen, altijd alleen maar om zijn eigen gevoelens van dat moment. Honger, angst of nieuwsgierigheid deden hem andere dieren opmerken, maar nooit had hij zelfs maar een neiging gehad zich in hun belevingswereld te verplaatsen. Hoe kon hij ook? Hij was zich niet eens bewust van zichzelf. Zijn per ongeluk verkregen zelfbewustzijn had alles drastisch veranderd. Ineens was alles verdeeld in hemzelf en al het andere – hij en de wereld. Andere dieren waren buiten hem en daardoor niet met hem verbonden. Hoe hard hij ook probeerde zich in die andere dieren te verplaatsen, in het begin leek het bewustzijn van die scheiding tussen hemzelf en de wereld buiten hemzelf een ondoordringbare barrière. Hij kon de dieren wel waarnemen, maar hij kon zich niet in hen verplaatsen. Hij probeerde zich voor te stellen hoe dat zou voelen maar voelde het niet echt.

En dus kreeg hij ook hiervoor regelmatig zo’n klap op z’n neus. “Niet bedenken hoe het zou zijn,” zie de vrouw, “maar beleven hoe het is. Voel mee met de ander. Doorbreek de muur van je zelfbewustzijn. Die muur bestaat alleen in jouw gedachten. Ze is er niet echt.” Dan begon hij maar weer opnieuw, intens starend naar de nerveuze handelingen van een vogeltje op zoek naar zaden in de struiken of het schijnbaar doelloze gescharrel van een torretje in het zand.


Op een dag – hij zou niet weten hoe lang hij al bij de vrouw in de leer was – was ineens alles anders. Hij liep over het strand, zich concentrerend op de zware zandkorrels. Na een tijdje, hij wist niet hoelang, merkte hij dat hij niet langer de individuele korreltjes zag maar een fragiel netwerk van zwarte patronen over en door het overwegend witte zand heen. Die patronen strekte zich overal uit, hoe ver hij ook keek. Verbaasd bleef hij staan, enigszins overdonderd door de ingewikkelde, tere schoonheid van dit weefsel van zwart zand om hem heen. Ineens was daar de vrouw, die hem ditmaal geen tik op z’n neus gaf, maar hem in z’n oor fluisterde: “Niet stoppen nu, laat jezelf opgaan in die patronen. Laat je gedachten stromen met de lijnen en figuren die je waarneemt in het zand.” Hij deed wat ze zei, en liet zijn bewustzijn deel worden van wat hij voor zich zag op het strand. Daar waar hij zijn aandacht op richtte lichtte het zwarte zand even op, alsof er puur wit licht door de donkere patronen stroomde; licht dat meedanste met de bewegingen van zijn aandacht. Hij ging zo op in dit spel van aandacht en beweging dat hij zichzelf en de tijd vergat en zich pas weer van zichzelf bewust werd toen de zon onderging en het te donker werd om nog onderscheid te maken tussen de kleuren van het zand.

Vanaf die dag ging het snel.

Niet lang daarna was hij een eekhoorn aan het bestuderen die van tak naar tak sprong toen hij merkte dat hij meebewoog met elke sprong. Meer dan dat, hij wist, zonder te weten hoe, precies naar welke tak de eekhoorn zou springen en hoe hij daar zou landen. Hij ving geluiden op die voor de eekhoorn van belang waren. Hij zag hoe de wereld er voor zo’n klein en haastig knaagdier uitzag. Even wist hij niet of hij een beer was die een eekhoorn bekeek of een eekhoorn die een beer zag.

Hij keek om zich heen. Hij was niet langer een eenzame beer in een vreemde en afstandelijke wereld. Hij was een punt van een licht in een eindeloos tapijt van lichtpatronen die zich om hem heen verspreidden in een voortdurende dans van licht en donker. Hij voelde hoe er overal dieren waren die net als hij punten van bewustzijn waren in datzelfde netwerk van licht. Hij was een druppel in een oceaan van leven en die hele oceaan tegelijk. Er was geen onderscheid meer, alleen verbondenheid.

De beer besefte dat hij terug was op het punt waar hij ooit begonnen was. Hij was weer een deel van de totaliteit van de wereld die hij waarnam. Met het verschil dat hij zich nu bewust was van zowel zichzelf als van die totaliteit. Hij zat niet langer gevangen in de afzondering van zijn eigen gedachten en zijn naar binnen gekeerde zelfbewustzijn. Hij was vrij en onbeperkt. Hij was zowel onmetelijk klein als allesomvattend. Hij spiegelde zichzelf in het hele universum en het universum spiegelde zichzelf in hem.


De vrouw keek de beer na terwijl hij het bos inliep waar hij zoveel maanden geleden in paniek vandaan gekomen was. Hij keek niet om maar ze voelde zijn dankbaarheid jegens haar in de manier waarop hij bewoog en om zich heen keek. Ze leunde op haar staf. Ze keek naar het bos waar de wind de bomen zachtjes deed ruizen en deed meedeinen in harmonie met de stappen van de beer die in de verte verdween.

En ze zag dat het goed was.

©Bard 2021

Vuur en As

Vuur en As
Bennu Vogel - ©Paulina Noordergraaf 2018
Bennu Vogel – ©Paulina Noordergraaf 2018

Niemand kon beweren dat de branden niet verwacht waren. Het was de langste droogte in de geschreven geschiedenis. Jarenlang bleven de zomerregens uit. Het land was uitgedroogd. Overal waren de bomen kaal en op sterven na dood, en de bosgrond enkel-diep bedekt met dode, bruine bladeren. Waar eens een muur van groen het uitzicht bepaalde, was nu de horizon zichtbaar tussen de koolzwarte silhouetten van de bomen, trillend in de zinderende hitte van de zon. En toch, toen het vuur op het dorp afkwam met de snelheid van een vloedgolf en de heftigheid van een orkaan, met een hitte die ijzer kon doen smelten, waren de mensen toch niet goed voorbereid.

De grillig draaiende wind had het dorp omsingeld met en alle wegen afgesneden, op een enkel zandpad na dat door de lege velden naar de relatieve veiligheid van de woestijn in de verte leidde. In het besef dat ze maar één kans hadden te ontsnappen grepen de dorpelingen alles wat ze konden dragen. Ze laadden tassen en kinderen op karren en in auto’s en ontvluchtten hun huizen zonder zelfs maar om te durven kijken.

De oude vrouw die ze Mevrouw Benny noemde was een van de helden van die dag. Al voordat het vuur het dorp bereikte was ze rondgegaan om mensen te waarschuwen om zich voor te bereiden hun huizen te verlaten. Ze had mensen geholpen hun oprijlanen vrij te maken en te controleren dat hun voertuigen in goede staat verkeerden. Ze hielp boeren en hun knechten met het wegleiden van vee en het bevrijden van paarden uit hun stallen. Toen de eerste huizen in brand vlogen was zij ter plaatsen om te helpen de in paniek rakende families veilig buiten en op weg te helpen.

Ze leek wel overal tegelijk te zijn, aanwijzingen gevend en mensen kalmerend met haar rustige zelfvertrouwen en ijzeren doortastendheid. Achteraf bleek vrijwel iedereen wel een verhaal te hebben over hoe Mevrouw Benny ze geholpen had te ontsnappen. Iedereen herinnerde zich een moment dat Mevrouw Benny precies daar was waar ze het hardste nodig was. Ze noemden haar een engel. Ze noemde naar een heilige. Ze waren er absoluut zeker van dat het feit dat er die dag maar één dode te betreuren was puur te wijten was aan haar waakzaamheid en bovenmenselijke inspanningen. Ze was als een natuurkracht, de rook en de vlammen trotserend alsof ze onaantastbaar voor ze was.

Wat haar dood alleen maar nog onverklaarbaarder maakten voor de dorpelingen die om haar rouwden.

Toen de laatste familie het pad naar de veiligheid had bereikt voegde Mevrouw Benny zich niet bij hen maar draaide zich om om te kijken naar het dorp dat in vlammen opging. Het laatste gebouw dat in brand vloog was de dorpshal, even buiten het dorp. Iedereen ging ervan uit dat het leeg stond. Maar Mevrouw Benny leek daar andere gedachten over te hebben. Ze riep twee mannen toe haar te volgen en rende terug in de richting van het brandende gebouw.

Ze rende sneller dan een oude vrouw zou moeten kunnen rennen. De twee mannen raakte achterop en zagen vanaf een afstand hoe Mevrouw Benny, ondanks de vlammen die uit het dak kwamen, de voordeur forceerde en in het vuur verdween. Seconden later stortte dat dak in en het hele gebouw ging op in een enorme, spectaculaire kolom van vuur die de hemel in schoot.

De twee mannen zwoeren later dat ze een kreet hoorden als van een reiger op het moment dat het vuur omhoog sprong. Ze zeiden ook dat het vuur net zo snel weer doofde als het begonnen was, alsof het al haar energie in een enkel moment had opgebruikt. Toen ze bij het hek voor het gebouw aankwamen was er van het gebouw alleen nog een rokende hoop puin en as over, waarin alleen de stenen schouw nog overeind stond. Niemand kon dat inferno overleefd hebben. Ze wilden zich omdraaien om zich bij de vluchtende menigte te voegen toen ze een geluid hoorden vanuit de stenen schouw. Iets was nog in leven daar. Het klonk als een baby, zachtjes huilend.

De mannen trotseerden de hitte van de nagloeiende resten van het gebouw en schepten de as weg rondom de schouw. Daar vonden ze mij, een pasgeboren meisje. Bedolven onder as maar miraculeus in leven. Ze pakten me op en haastten met mij weg van het brandende dorp.

Het lichaam van Mevrouw Benny is nooit gevonden. Men neemt aan dat de kolom van vuur haar verpulverd heeft, slechts as achterlatend. Niemand heeft ooit kunnen verklaren hoe ik het overleefd heb of waar ik vandaan kwam. Mijn moeder is onbekend gebleven. Er werd geen vrouw, zwanger of niet, vermist of doodverklaard. Ze vonden mij met een antieke gouden ring in mijn vuistje geklemd dat mensen herkenden als de ring van Mevrouw Benny, dus men zegt dat zij mij moet hebben beschut tegen de vlammen in haar laatste momenten. De as waaronder ze mij bedolven vonden moet haar as geweest zijn. Maar de meeste dorpelingen hadden geen verklaring nodig. Ze noemden het een wonder en Mevrouw Benny een heilige.

Ik werd geadopteerd door een liefhebbende familie die me Benita noemde, al noemde iedereen me Benny, in nagedachtenis van de vrouw die mij gered heeft. Ze hebben mij goed grootgebracht in het herbouwde dorp waar ze op mijn geboortedag vandaan hebben moeten vluchten. Ondanks mijn vreemde begin had ik een onopmerkelijke, gelukkige kindertijd. Toen mijn ouders overleden, jaren later, ben ik gaan reizen en heb vele prachtige plaatsen gezien. Ik heb me gelaafd aan de schoonheid van deze wereld en verbaasd over de vreemde onachtzaamheid van de meeste mensen voor de wonderen om hen heen.


Ik ben nu een oude vrouw. Het is vele jaren geleden dat ik dat dorp voor het laatst zag. Niemand had me daar nodig. Maar nu is het land weer in de problemen. Men zegt dat deze droogte misschien nog erger wordt dan die toen ik geboren werd. Hele regio’s verliezen hun middelen van bestaan. Overal ontstaan spookdorpen waar niemand meer woont.

Ik draag nog altijd de ring van Mevrouw Benny om mijn vinger; de ring die ik vasthad al die jaren geleden. Meestal merk ik niet eens dat ik hem omheb. De laatste tijd, echter, voelt het metaal warm en zwaar aan. Ik denk soms ook een zwak geklop te voelen, alsof de ring tot leven komt. Ook de gravure in de jade steen lijkt helderder te zijn. Kon ik vroeger nauwelijks zien wat het voorstelde, nu zie ik duidelijk een vogel opstijgen uit de vlammen. Als het zonlicht er rechtstreeks op valt zou ik zweren dat ik de vlammen zie bewegen en de vogel haar hoofd zie opheffen naar de hemel.

In mijn dromen roept het vuur me.

Ik denk dat het tijd is om naar huis te gaan.

©Bard 2021

De Vonk

“Energie is het meetbare resultaat van de opstand van de geest tegen haar gevangenschap in de materie.”
John Anthony West, Serpent in the Sky

De Vonk - @Bard 2019
De Vonk – ©Bard 2019

Het donker maakte haar bewust van haar bestaan als een vonk van licht. Zij definieerde zich door middel van wat ze niet was. Zij was licht; alles om haar was dat niet. Voor lange tijd was dat alles dat ze wist en alles dat er toe deed. Een licht in het duister. Alleen.

———

Maar op den duur werd ze rusteloos. Ze voelde een drang opbouwen vanbinnen. Een drang om iets te doen, iets te veranderen. Maar toen de vonk probeerde gehoor te geven aan deze drang ontdekte ze dat ze vastzat in een minuscuul, hard zaadje, omringd door donkere, zachte aarde. Ze zat gevangen, hoewel ze wist dat ze ooit vrij was geweest en zonder grenzen. Zo ontdekte de vonk verlangen; het verlangen uit deze opgeslotenheid te breken en haar vrijheid te herwinnen.

Haar gevoel van wat ze was – licht, geen duister – en wat ze verlangde – vrijheid, geen gevangenschap – gaven haar de impuls om te bewegen. Ze brak uit haar schil met de pure kracht van haar vastberadenheid. Ze had verwacht nu vrij te zijn maar vond zichzelf nu in een groter, zachter omhulsel. Het zaadje was een zaailing geworden. Nog steeds gevangen in de diepe, donkere aarde, maar met de mogelijkheid te bewegen en te groeien.

Met haar gevangenis getransformeerd tot een levend lichaam voelde de vonk hoe een kracht probeerde haar naar beneden te trekken, waar het nog donkerder was. Instinctief bood ze weerstand aan deze kracht. Deze weerstand gaf de zaailing de energie die het nodig had om te gaan groeien tegen deze neerwaartse kracht in. Het verlangen van de vonk had nu ook een richting. Weg van de neerwaartse kracht zocht ze haar vrijheid door al haar energie te richten op omhoog gaan.

Spoedig brak de zaailing door het oppervlak het licht tegemoet. Terwijl het eerste tere blad zich ontvouwde ervoer de vonk een geheel nieuw gevoel. Ze verlangde ernaar zich bij dat licht in de hemel te voegen. Ze voelde dat ze daar ooit deel van was geweest en op de een of andere manier ervan afgescheiden was geraakt. Alles wat ze nu verlangde was terug te keren naar die bron en weer heel te zijn.

Dus de vonk bleef duwen, harder en harder. Door dit duwen schoot de zaailing de hoogte in. Door moleculen uit de lucht te verzamelen en om te zetten in bouwmaterialen met hulp van de energie van de zon, werd de zaailing al snel een jonge boom. Er groeiden takken. Die takken kregen bladeren. En steeds maar bleef er die druk om hoger en hoger te gaan, op weg naar dat licht aan de hemel.

———

Het verlangen van de vonk naar dat licht was sterk en bestendig. Het maakte dat de boom een rijke bladerkroon liet groeien om zoveel licht als maar mogelijk op te vangen. De booms takken werden breder en hoger om hun bereik te vergroten. Binnen jaren die als momenten voelden was de boom boven alles om zich heen uitgegroeid. Maar de vonk bleef duwen omdat – hoe hard ze ook groeide – het licht steeds net buiten bereik leek te blijven. Soms dacht de vonk dat ze het licht bijna kon aanraken maar om de een of andere reden kwam ze nooit dicht genoeg bij om dat ook echt te doen.

Soms verzwakte het licht aan de hemel en verdween zelfs voor langere tijd. Op die momenten had de boom moeite om omhoog te blijven gaan. Dit deed de vonk vrezen dat ze haar doel niet zou gaan halen. Ze realiseerde zich dat ze vastzat in een enkel lichaam. Een lichaam dat kon falen. Het kon breken in een storm of verbranden in een bosbrand. Of het kon gewoon zijn fysieke grenzen bereiken en stoppen met groeien om uiteindelijk te verdorren en te sterven.

De gedachte te falen joeg de vonk grote angst aan. Om haar kansen te verbeteren begon ze licht om zich heen te verzamelen tot ze genoeg energie had om dat licht in kopieën van zichzelf te vormen. Ze liet de boom zaden groeien om die kopieën in te bewaren en die zaden te laten vallen in de grond waar ze veilig zouden zijn tot de omstandigheden juist waren om ze te ontwaken. Op die manier, redeneerde de vonk, zijn er altijd meer lichamen om te blijven streven, ook als dit lichaam het begeeft. Al zou slechts één van haar kopieën het doel bereiken, dat zou op zich voldoende zijn.

———

Seizoenen kwamen en gingen. Eeuwen vervlogen. The machtige boom was een uitgestrekt bos geworden, vol met leven. De vonk had nog niets van haar verlangen verloren maar voelde haar urgentie afnemen. Ze naderde het einde van wat ze kon bereiken met het fysieke lichaam waar ze in gevangen zat. Ze kon de boom niet hoger dwingen zonder hem te doden. Ze had meer kopieën van zichzelf uitgezaaid dan de grond om haar heen kon onderhouden.

Op een dag realiseerde de vonk zich dat ze zich had neergelegd bij de gedachte dat ze haar doel nooit zou halen. Ze had de grenzen bereikt van haar materiële bestaan. Haar verlangen naar het grote licht in de verte had ze behouden maar het geloof dat de kracht van haar verlangen groot genoeg was om de afstand te overbruggen was ze verloren.

Deze realisatie maakte de vonk zeer treurig. Haar diepste streven opgeven voelde als een verlies en een falen. Zonder haar streven stopte de boom met groeien. Er kwamen steeds minder bladeren. Het hout verdroogde en scheurde, zodat schimmels en insecten een kans kregen binnen te dringen om het leven van de boom van binnenuit te belagen. De vonk wist dat haar lichaam aan het sterven was en verzonk in wanhoop voor een moment dat jaren duurde.

———

Op een bijzondere heldere, zonnige dag ontwaakte de vonk uit haar zelfopgelegde duisternis. Ze observeerde de boom die ze had laten groeien van zaadje tot gigant. Ze zag het levende woud dat ze had doen ontstaan in de eeuwen van haar materiële bestaan. Ze wist dat elk levend wezen een vonk zoals zij was die ernaar verlangde zich te herenigen met het licht waar het aan ontsproten was.

Toen begon het haar te dagen: ze zag ineens wat ze al die tijd over het hoofd had gezien. Wanhoop veranderde in geluk. Met een laatste opleving van energie tooide de boom zijn kroon met bloemen om de wereld nog één keer zijn majestueuze schoonheid te tonen.

Op het hoogtepunt van deze schoonheid liet de vonk al haar verlangen varen; al haar gedrevenheid; al haar heimwee. Ze liet alles waar ze naar gestreefd had volledig los. Ze liet los, en daarmee ontglipte ze als vanzelf haar materiële gevangenis.

De vonk was vrij. Ze realiseerde zich dat ze nooit echt afgescheiden en alleen was geweest. Dat was slechts een illusie veroorzaakt door haar opsluiting in de materie. Door haar verlangen los te laten bereikte ze uiteindelijk haar ultieme doel.

Een kort moment, vlak voor ze oploste in de oneindige eenheid van haar oorsprong, keek ze met vreugde en dankbaarheid terug naar wat ze achterliet. De vonk verloor al haar bewustzijn van identiteit en gescheidenheid. Maar dat gevoel van pure vreugde en overweldigende dankbaarheid nam ze mee naar de bron en deed die nog een beetje helderder stralen; misschien niet heel veel, maar helderder niettemin.

©Bard 2021

Drakendoder

Draak en Fenix
Draak en Fenix – ©Bard 2016

Hij verscheen in het dorp laat in de avond, wanneer fatsoenlijke mensen allang in bed lagen. Alleen de herbergier zag de vreemdeling voorbij rijden terwijl hij bezig was het enige gasthuis in de wijde omgeving af te sluiten voor de nacht. “Daar is er zowaar een,” dacht de herbergier, “ik had niet gedacht dat ik dat nog eens zou meemaken.” Haastig haalde hij de sleutel uit het slot. Hij trok uit gewoonte nog eenmaal aan de deur om zeker te weten dat die goed dicht zat. Toen verdween hij snel in het duister van de steeg naast de herberg, voor de vreemdeling hem zou zien.

Als de vreemdeling hem al gezien had liet hij daar niets van merken. Hij reed zonder op of om te kijken de dorpsstraat uit en sloeg bij de splitsing doelbewust af in de richting van het bos en de bergen die het dorp aan een kant flankeerden. Bij een open plek aangekomen stapte hij af en – bijgelicht door de koplamp van zijn motorfiets – zette hij snel en geroutineerd een klein tentje op. Hij schoof zijn bagage de tent in, kroop er achteraan en trok de rits naar beneden.

———

Niemand weet precies hoe zoiets werkt, maar toen het dorp ’s ochtendsvroeg tot leven kwam leek het er veel op of iedereen het nieuws al gehoord had. Een snel aangroeiende groep mensen verzamelde zich op het dorpsplein, wachtend op wat ongetwijfeld komen zou. Hier en daar wisselden mensen nog wat informatie en speculaties uit, maar het wachten was op de burgemeester. Hoewel iedereen eigenlijk wel wist wat er moest gebeuren was het een ongeschreven wet dat het de taak van de burgemeester was het plan in detail uit te leggen en het sein tot actie te geven. Zo was het altijd gegaan en zou zouden ze het altijd blijven doen.

———

De vreemdeling pakte zijn tentje weer netjes op en bond het achterop zijn motorfiets. Hij keek naar de bergen in de verte. Heel even dacht hij een rookpluim te zien maar zeker wist hij het niet. Het zou ook een flard van ochtendmist geweest kunnen zijn, oplossend in de snel warmer wordende zon. Toch voelde hij zich optimistisch. Na al die jaren wist hij zeker dat hij dit keer gevonden had waar hij al zo lang naar op zoek was. Dit keer zou hij slagen. Hierna zou nooit iemand hem meer durven uitlachen om zijn ambitieuze dromen.

Hij stapte op zijn motor en reed de weg op richting de bergen. Die weg werd gaandeweg steiler en lastiger te berijden, vol haarspeldbochten en smalle bruggetjes over diepe kloven. Het werd ook voelbaar kouder, een teken dat hij snel aan het klimmen was. Hoewel de zon straalde aan een staalblauwe hemel vormde zich uit zijn mond kleine wolkjes damp bij het uitademen.

Hij reed onverstoorbaar voort.

Na een bijzonder scherpe bocht en een laatste steile klim opende het bos zich voor hem en hij kwam uit op een open plek, omringd door steile rotswanden. Recht voor hem zag hij de donkere opening van een grot. Hij had zijn bestemming gevonden. Nu zou hij laten zien waar hij toe in staat was.

———

Hij stapte van zijn motor en leunde de machine tegen een groot rotsblok aan. Uit de zadeltassen begon hij zijn materiaal te halen:

  • “Een schild tot stralend ijs geslepen”: de ronde spiegel uit zijn badkamer waaraan hij een leren riem geschroefd had om zijn arm door te steken;
  • “Een helm met fiere pluim en zwaar vizier”: een oude ijshockey helm met daarop de plumeau van zijn grootmoeder en als vizier een lasbril uit de werkplaats van zijn vader;
  • “Een lans met priemende punt en sterke greep”: een stevige bezemsteel met aan één kant een vlijmscherp stanleymes en aan de andere kant het handvat van een mountain bike, goed vastgezet met superlijm.

Het was misschien niet precies wat de schrijver van het boek bedoeld had, maar hij vond dat hij toch aardig in de buurt kwam. Wellicht minder fraai, maar zeker zo effectief. En het belangrijkste was hijzelf natuurlijk; vastberaden, onverschrokken en met het zuivere geweten van iemand die weet dat hij de wereld van een groot kwaad zal gaan verlossen. Hij twijfelde nergens aan: niet aan zijn missie, niet aan zijn bekwaamheid, en niet aan zijn moed om te doen wat nodig was.

In volledige wapenrusting liep hij in de richting van de grot.

Bij de ingang aangekomen stopte hij even om zijn uitrusting voor een laatste keer te inspecteren. Hij kon zich geen materiaalfouten permitteren. De schrijver was hier heel duidelijk over geweest: zijn schild en helm zouden hem net genoeg beschermen om hem precies één kans te geven toe te slaan. Als hij zou missen was hij verloren. Als er al iemand zou durven na hem de grot in te gaan om te kijken zou deze niets anders aantreffen dan een hoopje as en gesmolten glas en metaal. Dit was het echte werk.

Tevreden over de gesteldheid van zijn materiaal stapte hij het duister van de grot in.

Zijn ogen hadden even tijd nodig om aan het donker te wennen. Voor zich doemde een groep mensen op, aan hun kleding te zien inwoners van het dorp. Ze versperden zijn weg naar binnen. Vooraan stond de burgemeester, te herkennen aan haar vergulde ambtsketen en de iets betere kwaliteit van haar kleding.

“Wat denk jij hier eigenlijk te komen doen?” vroeg de burgemeester op de licht ironische toon van iemand die meer geïnteresseerd is in het theatrale effect van zijn vraag dan het antwoord daarop. De menigte knikte en mompelde: dat zouden zij ook wel eens willen weten.

Dit was totaal niet wat hij had verwacht. Begrepen deze dorpelingen dan niet dat hij hen van hun onderdrukker kwam verlossen? Dat hij hier was om een einde te maken aan eeuwen van angst en ellende?

“Ik ben hier om de draak te doden,” zei hij. Hij zette zijn helm af om beter verstaanbaar te zijn en vervolgde: “De draak die hier sinds mensenheugenis rondwaart om goud en juwelen van de mensen te stelen. Het monster dat met vlammende adem een ieder verdelgd die zich durft te verzetten. Het roofdier dat jaarlijks een schone maagd opeist om haar bij volle maan te verslinden.” Hij werd er zelf enthousiast van toen hij dit zo zei, maar het had niet echt veel effect op de houding van de dorpelingen. “Ik kom jullie bevrijden. Ik ben jullie redder. Ik ben hier om de laatste draak ter wereld definitief te verslaan.”

“Daar waren we al bang voor,” zei de burgemeester. “Dat was wel duidelijk toen de herbergier ons meldde dat hij je gisteravond door het dorp zag rijden. Het is weer een tijd geleden dat we hier een drakendoder op bezoek hadden, maar je herkent ze meteen. Of ze nu te voet zijn, te paard of per motorfiets, je pikt ze er zo tussenuit.” Ze pauzeerde even, terwijl de dorpelingen bevestigend knikten: ja, ze wisten allang hoe laat het was.

“En als ik jou nou eens zeg dat wij helemaal niet willen dat je onze draak verslaat?” sprak de burgemeester. “Wat als ik jou vertel dat wij met z’n allen extra vroeg zijn opgestaan om juist te voorkomen dat deze draak gedood wordt. Wat zeg je daarvan?” Dat laatste klonk meer als een dreigement dan als een vraag. De burgemeester kruiste haar armen over elkaar en keek hem strak aan. De menigte achter haar schuifelde in stilte een paar stappen in zijn richting.

Hij begreep er nu helemaal niets meer van. “Waarom willen jullie mij tegenhouden?” vroeg hij. “Willen jullie dan niet van dat alles-verwoestende monster af? Willen jullie niet vrij zijn van terreur en onderdrukking?”

“Ja. Dat willen wij zeker.” sprak de burgemeester. “En juist daarom mag niemand aan onze draak komen. Onze draak – de laatste draak ter wereld – is juist de laatste kans die wij nog hebben – die de mensheid nog heeft – om de totale verwoesting te voorkomen. Deze draak die jij zo graag om zeep wil helpen heeft haar eeuwenlange leven toegewijd aan het verzamelen en beschermen van de levenskrachten die onze aarde nodig heeft om het leven te blijven voeden. Dit ‘monster’ is de laatste beschermer van Gaia, de laatste behoeder van ons ecosysteem. En die zullen wij ten koste van alles beschermen.”

“Maar … maar dat geroofde goud en die verzamelde schatten dan?” stamelde hij. “Dat vuur en verderf? Die geofferde maagden? Is dat dan allemaal niet waar? Hebben alle legendes en alle boeken het dan helemaal verkeerd? Of zegt u dit uit angst voor de draak? Moet u dit zeggen om niet zelf geroosterd en opgegeten te worden?” Hij greep zijn lans nog wat steviger vast. “Als dat zo is hoeft u niet meer bang te zijn. Ik weet wat me te doen staat.”

De burgemeester lachte, samen met de verzamelde dorpelingen. “Wij zijn absoluut niet bang voor onze draak. Integendeel. We zijn alleen bang haar kwijt te raken aan een stuntelende ‘held’ zoals jij.”

Hij aarzelde. De mensen tegenover hem zagen er allesbehalve bang uit. Hij liet zijn lans weer zakken.

“Kom.” zei de burgemeester, en stapte naar voren. “Leg je wapen en schild neer en kom mee naar buiten. Dan zal ik je alles precies uitleggen.” Hij was nieuwsgierig genoeg om hieraan gehoor te geven. Hij legde zijn wapenuitrusting netjes bij de ingang en liep met de burgemeester mee naar de open plek. Daar had iemand een stoel neergezet waar de burgemeester op plaats nam terwijl de menigte zich in een kring op de grond nestelde, met hem in het midden tegenover haar.

———

“Sinds mensenheugenis,” begon de burgemeester, “heeft de mensheid in de grond gezocht naar de schatten van moeder aarde. Mineralen, edelstenen, metalen … alles wat ons maar van waarde leek dolven we op om voor onszelf te gebruiken. Nooit vroegen we ons af waarom deze schatten zich in de grond bevonden. We zagen alleen de schoonheid, de macht en de rijkdom van wat we uit de bodem rukte en eisten het op voor onszelf.”

“Zolang er nog relatief weinig mensen waren was dit ook niet zo heel erg. Een paar muggen mogen lastig zijn maar we overleven het prima zonder het beetje bloed dat ze stelen. Ook onze aarde kan een paar kilo goud en edelstenen hier en daar best missen. Maar toen de mensheid begon te groeien en zich steeds verder over de aarde ging verspreiden dreigde het evenwicht zoek te raken. Al die schatten die wij zo gedachtenloos uit de grond haalden waren deel van het ecologische web dat wij nu Gaia noemen. Neem er te veel van weg, en de balans raakt zoek.”

“Daarom kwamen de draken in actie. Deze wezens waren nooit onze vijanden. Ze werden hiertoe gedwongen door onze hebzucht en niet aflatende plundering van onze aarde. Zij maakten het hun taak om zoveel mogelijk van de geroofde schatten terug te halen en te verzamelen op afgelegen plaatsen. Daar bewaakten zij deze buit eeuwenlang, zodat het weer terug kon zinken in de aarde waar het thuishoorde. Zolang er niemand in de buurt kwam bemoeide de draken zich niet met de mens. Alleen als er iemand kwam om de schatten op te eisen kwam een draak in actie. Niet alleen om de rover te doden maar ook om alle sporen uit te wissen om een volgende rover het nog moeilijker te maken. Daar was het drakenvuur voor. Daar vielen soms menselijke slachtoffers bij, maar dat was nooit de opzet van de draken. Zij deden wat noodzakelijk was. Niets meer en niets minder.”

“Toen onze draak, vele generaties geleden, onze bergen koos om haar schatten veilig te stellen hebben ook onze voorouders eerst geprobeerd haar te doden.” vervolgde de burgemeester. “Vele helden zijn daaraan ten onder gegaan. Maar ook de draak leed hieronder. Zij schept geen vreugde in vernietiging, sterker nog, ieder gevecht verzwakte haar en maakte het moeilijker voor haar om haar werkelijke taak – het verzamelen van kostbaarheden om terug te geven aan de aarde – uit te voeren. Als onze voorouders niet tot inkeer waren gekomen zouden ze er uiteindelijk in geslaagd zijn ook onze draak te verjagen, of zoveel te verzwakken dat ze haar zelfs zouden hebben kunnen doden. Dat zou vreselijk geweest zijn.” Het gezicht van de burgemeester liet duidelijk zien hoe vreselijk. Ook de mensen in de kring knikte somber mee – dat zou onvoorstelbaar erg geweest zijn.

“Gelukkig was er een jonge vrouw – mijn bet-bet-overgrootmoeder – die als jong meisje er al van overtuigd was dat er iets anders aan de hand was dan wat de mensen over de draak bleven herhalen. Ze sloop op een dag ongezien het dorp uit en klom naar deze grot om de draak met eigen ogen te zien. En zo ontdekte zij de waarheid. Toen ze gevonden werd, een paar dagen later, zat zij voor de grot op haar ‘redders’ te wachten. En net zoals wij nu jou hebben tegengehouden, hield zij hen tegen. Zij wist hen ervan te overtuigen dat in deze strijd niet de draak maar de mensheid het monster was. Dat de draak niets anders wilde dan het evenwicht in stand houden.”

“En zo is ons dorp nu geheel toegewijd aan het beschermen van onze draak. Wij bewaren haar geheim door ons zoveel mogelijk aan de blik van de wereld te onttrekken. Toevallige passanten zien in ons slechts een rustiek, achtergebleven bergdorp, zonder bijzonderheden – iets om snel doorheen te rijden en te vergeten. Hier gebeurd niets opvallends, niets uitzonderlijks. Wij zijn niet pittoresk genoeg om toeristen te trekken en te afgelegen voor de ontwikkelaars. En als er al eens iemand zoals jij langskomt – iemand die ons geheim toch ontdekt heeft en ofwel de schatten wil komen roven of de held wil uithangen – dan zorgen wij dat hij wordt tegengehouden zonder de rust van onze draak te verstoren.”

“Om de eerste drakenbeschermster te eren kiezen wij ieder jaar een jonge, nog kinderloze vrouw tot drakenwaakster. Zij bezoekt de draak een paar keer per jaar en brengt haar voedsel en de bescheiden opbrengst aan goud en juwelen die wij als dorpelingen ieder jaar bij elkaar sparen uit het inkomen dat we verdienen met het verkopen van groente, fruit en handwerk producten aan de stad in het dal. Dat is die ‘maagd’ die ‘geofferd’ wordt – als je je dat soms afvroeg. Het is een offer waar iedere jonge vrouw in het dorp maar al te graag voor uitgekozen wordt.”

———

Na deze woorden zweeg de burgemeester even en keek hem aan.

“En nu moeten we dus beslissen wat er met jou moet gebeuren. We kunnen je niet zomaar terug laten gaan naar waar naar je vandaan komt. We moeten ons geheim bewaren, koste wat kost. Ik hoop dat je dat begrijpt.”

Hij dacht na. Hij was overtuigd geraakt door haar verhaal en door de duidelijke affectie waarmee ze sprak over ‘onze draak’ en de jonge vrouw die haar ware aard ontdekt had. Hij wilde graag geloven dat haar versie klopte en de boeken en verhalen die hij kende alles bij het verkeerde eind hadden. Het beantwoordde ook een vraag die hij al die tijd al had: wat wilden die draken eigenlijk met al die schatten die ze verzamelden? Het had hem altijd al verbaasd dat zo’n machtig wezen als een draak niets beters te doen had dan eeuwenlang bovenop een berg van goud te liggen. Dat had toch geen zin? Het verhaal van de burgemeester daarentegen klonk eigenlijk bijzonder logisch.

Maar wat betekende dat voor hem? Zijn droom om als held de geschiedenis in te gaan was in rook opgegaan. Teruggaan naar huis wilde hij niet – ze zouden hem nog harder uitlachen en bespotten als hij met lege handen terug zou komen. Thuis geloofde vrijwel niemand meer in draken – goede of slechte – dus proberen uit te leggen wat hij hier meemaakte zou totaal geen zin hebben.

“Ik denk dat ik het begrijp.” zei hij tenslotte. “Ik zat helemaal fout. Ik wilde een held zijn maar beging bijna de grootste fout uit mijn leven. Ik denk dat ik heel wat heb goed te maken. Zeg maar wat ik moet doen. Terug naar huis wil ik sowieso niet. Daar heb ik niets te zoeken.”

———

De burgemeester was zichtbaar opgelucht toen ze dit hoorde.

“Ik dacht al dat jij zo slecht nog niet was,” zei ze. “Vol foute ideeën, dat wel, maar ook vol goede bedoelingen. Wat overigens vaak heel verkeerd uitpakt.”

Ze dacht even na.

“Het zou voor iedereen het makkelijkste zijn als je bij ons in het dorp zou komen wonen. We vinden wel iets nuttig voor je om te doen – sterke jonge mannen kunnen we altijd gebruiken. Je moet je natuurlijk wel aan onze regels houden en je mag nooit, maar dan ook nooit met iemand buiten het dorp over deze dag praten. Onze draak mag nooit genoemd worden. Dat is een geheim dat je tot aan je dood zal moeten meedragen.”

Hij knikte. Hij keek naar de mensen om zich heen en probeerde zich voor te stellen dat hij een van hun zou zijn. Dat leek hem niet zo moeilijk. Zij hadden tenminste een duidelijke missie in hun leven. Zij wisten precies waar ze voor stonden.

“Ik blijf graag bij jullie.” zei hij. “Ik beloof plechtig dat ik jullie geheim zal bewaren. En mocht het ooit nodig zijn zal ik jullie – onze – draak met al mijn kracht verdedigen. Maar ik heb wel één verzoek. Ik heb nog nooit een echte draak gezien. Zou ik, alstublieft, één keer jullie draak mogen zien voor ik me bij jullie aansluit? Dat zou mijn leven compleet maken.”

De burgemeester stond op.

“Ik ben blij dat we je hebben kunnen overtuigen en dat zonder geweld te hoeven gebruiken. Ik ben blij dat je je bij ons aan wilt sluiten. Dat geldt, denk ik, voor iedereen hier.” Ze keek om zich heen naar de glimlachende en ja-knikkende mensen. “Of onze draak zich aan jou wil vertonen weet ik niet. Dat zal onze drakenwaakster aan haar moeten vragen. Verwacht niet te veel. Draken zijn van nature zeer schuwe wezens.”

Ze sprak even met een jonge vrouw die bij de ingang van de grot was achtergebleven. Die knikte en verdween vervolgens door een vrijwel onzichtbare spleet in de rotswand die hij al die tijd voor een veeg aarde had aangezien.

“Je dacht tot niet dat onze draak zomaar in de eerste beste grot zou liggen?” zei de burgemeester, die zijn verbaasde blik gezien had. “De werkelijke ingang is zeer goed gecamoufleerd. Zelfs als je hier aangekomen was voor wij je hadden kunnen stoppen zou je eerst een lege grot gevonden hebben. Een van ons houdt daar de wacht dus die zou voldoende tijd gehad hebben om versterking te halen voordat jij zelfs maar door zou hebben waar de echte ingang verborgen is.”

Hij moest daar zelf om lachen. Die grot was ook wel net iets te voor de hand liggend, dat moest hij toegeven.

———

De jonge vrouw kwam weer tevoorschijn.

“Het is goed.” zei ze “De draak wil zich wel vertonen. Maak ruim baan, zodat ze niemand per ongeluk vertrapt.”

De mensen bewogen zich naar de verste rand van open plek, en trokken hem mee naar een veilige plaats met goed zicht op wat er zou gaan komen.

———

De verborgen opening in de rotswand begon te stralen en opeens was de open plek gevuld met helder zonlicht. Zo helder dat hij nauwelijks kon blijven kijken. Toch hield hij stand en meende een vorm in het licht te zien. Een lange staart, vleugels, een langgerekt lijf, gracieuze nek en een hoofd met opengesperde kaken. Hij meende even stralende ogen te zien, nog helderder dan het verblindende zonlicht dat het wezen omhulde. Toen gloeide er tussen de draketanden een nog feller diep-rood licht op. Een hete vlam schoot vooruit en raakte de rots waartegen zijn motorfiets nog steeds geleund stond. Die vatte niet eens vlam, maar smolt onmiddellijk tot een kleine plas vloeibaar metaal, zo intens was de hitte. De vlam verdween even snel als ze gekomen was. En ook de draak verdween. In één soepele beweging schoot ze terug door de opening in de rotswand en met haar doofde het licht.

———

Even leek het nacht na zoveel helderheid.

Toen begon hij te lachen, uitbundig en triomfantelijk te lachen. Hij had eindelijk zijn draak gevonden. Hij had zijn bestemming bereikt.

Vanaf nu zou alles anders zijn.

De Leeuwin

Leeuwin met welpen
Leeuwin met welpen

Al dagenlang reed hij door een eindeloze woestijn.

De weg was goed onderhouden en bijna compleet recht maar het landschap was dor, vlak en bijna compleet ontdaan van kenmerken waar het oog zich op zou kunnen richten. Geen bomen, geen heuvels, zelfs geen rotsblokken. Alleen zand, gruis, en kort, stekelige plukjes gras die zich uitstrekten zover zijn oog kon zien.

Deze eentonigheid maakte het bijzonder moeilijk het gevoel te houden dat hij vooruit ging. Zijn dashboard zei hem dat hij ruim 120 kilometer per uur reed. Toch was er geen enkel verschil te zien tussen waar hij nu was en waar hij een uur geleden voorbij reed. Voor zijn gevoel had hij dus net zo goed stil kunnen staan.

Dit maakte hem onrustig, dus ging hij gaandeweg steeds harder rijden. Zonder dat hij er zelf erg in had was zijn snelheid al opgelopen tot boven de 150 kilometer per uur. Maar nog steeds leek de wereld om hem heen stil te staan als het bevroren beeld van een vastgelopen film.

———

Ineens, als uit het niets gekomen, liep er iets op de weg, een paar honderd meter voor zijn auto. De fracties van seconden die hij nodig om te registreren dat daar daadwerkelijks iets liep werden hem noodlottig. Tegen de tijd dat hij begon te remmen wist hij dat het al te laat was: zijn wielen blokkeerden, zijn banden verloren hun grip op de weg en in een moment dat wel een eeuwigheid leek te duren raakte de neus van de auto met een misselijkmakende klap het grote dier dat daar liep. Die werd door de klap omhoog gesmeten, over de motorkap heen tegen de voorruit. Heet glas versplinterde tot een matglazen mist van duizenden fragmenten maar bleef wonderbaarlijk genoeg als één geheel op haar plek zitten. Het dier stuiterde nog een keer op het dak en gleed door over de achterbak om op de weg achter hem tot stilstand te komen.

———

Het was ineens doodstil.

De motor was afgeslagen. Het aanhoudend gesuis van de wind tegen zijn voorruit was stilgevallen. Alleen het tikken van de afkoelende motor klonk als het aftellen van een bommechaniek dat zijn wereld zou doen ontploffen als het de nul bereikte. Zijn hart bonkte in zijn borst en hij voelde hoe het zweet over zijn voorhoofd en wangen droop.

Hij dwong zichzelf om adem te halen om zichzelf zo weer een beetje onder controle te krijgen. Met trillende handen maakte hij zijn veiligheidsgordel los, opende het portier en stapte uit de auto. Hij moest zich aan het portier vasthouden om niet om te vallen, zo wankel stond hij op zijn benen.

Met schuifelende passen liep hij naar de achterkant van de auto.

Daar lag ze. Een meer dan mansgrote leeuwin, uitgestrekt op het stoffige wegdek. De vreemde hoek waarin haar achterpoten lagen ten opzichte van de rest van haar lijf duidden op een gebroken rug. Ook haar kop lag op een onnatuurlijke wijze op de weg; als die van een handpop waar geen hand meer in zat om het hoofd op z’n plaats te houden.

Hij ging er van uit dat geen levend wezen zo’n klap kon overleven en zag ook geen beweging in het neergesmeten lijf. Maar toen hij tegenover de imposante leeuwinnenkop stond zag hij dat ze haar ogen open had en hem strak aankeek zodra hij in haar blikveld kwam.

Haar gele kattenogen staarden hem aan met een hypnotiserende aantrekkingskracht. Hij wilde niet kijken maar kon zijn blik niet van de hare losmaken. Hoe langer hij keek hoe meer hij voelde dat de stervende leeuwin met hem communiceerde. Hij voelde eerst haar pijn, de schok van de totaal onverwachte klap en het breken van haar rug en nekwervels. Daarna de doffe klap op het wegdek en haar besef dat ze aan het sterven was.

Maar ze wilde niet sterven. Ze kon niet sterven. Ze had een taak te volbrengen. Zonder haar verzorging zou geen van haar veel te jonge welpen het overleven. Haar bloedlijn zou hiermee uitsterven en daarmee de laatste link naar haar verre voorouders die vele millennia lang over deze savanna’s geheerst hadden.

Toch wist ze dat haar dood niet te vermijden was. Met elke beweging stroomde de levenskracht uit haar lichaam.

Met een schier onmogelijke krachtsinspanning bond ze haar levenskracht aan de zijne, vermengde ze, smeedde ze aaneen. Toen pas verslapte ze, en terwijl de laatste lucht uit haar longen stroomde doofde het licht en stierf ze voor zijn ogen.

———

Er ging een schok door zijn lichaam. Hij zakte neer op handen en voeten. Het was alsof een bovenmenselijke hand hem aan het kneden was om twee vormen – zijn eigen menselijke vorm en die van de zojuist gestorven leeuwin – te dwingen één geheel te worden. Alles in hem werd vervormd, uit elkaar getrokken, samengeduwd, verschoven, gebroken en op nieuwe manieren aan elkaar gesmeed. Hij wilde het uitschreeuwen van de pijn maar zijn al evenzeer vervormde keel wist geen ander geluid voort te brengen dan een soort gekweld gegrom.

Ineens was die kwelling voorbij. Nog steeds op handen en voeten hijgde hij van uitputting en verwarring. Hij probeerde op te staan maar merkte dat zijn nieuwe vorm dat onmogelijk maakte. Hoewel hij nog vaag zijn menselijke vorm kon voelen in zijn spieren en botten, voelde hij dat hij meer leeuw dan mens was. Meer leeuwin dan man ook: zijn geslacht was verdwenen en hij/zij had nu vier gezwollen tepels, vol met melk om zijn/haar welpen mee te voeden.

Haar welpen!

Alles wat zich nog vastklampte aan zijn menszijn werd overspoeld en overrompeld door een onweerstaanbare, diep-instinctieve drang om haar welpen te bereiken om ze te voeden en te beschermen. Haar eigen leven telde niet, alleen dat van haar welpen.

Eerst nog onwennig maar al snel verrassend soepel begon ze te rennen. Ze rende in de richting van een kleine groep rotsblokken in de verte met daaromheen wat laag struikgewas. Het was de enige schuilplaats in de weids-open vlakte. Hoewel het beschutting bood voor haar welpen was het ook een voor de hand liggende plek voor kwaadwillende rovers om op zoek te gaan naar prooi. Ongerust legde de ze laatste kilometer op volle snelheid af.

Bij de rotsen aangekomen zag ze eerst niets. Bijna panisch begon ze haar welpen te roepen met dat lage grommende geluid dat zijn stem had vervangen. Het duurde gelukkig niet lang voor de eerste van haar welpen haar roep met gepiep beantwoordde. En al snel was ze omringd door vier welpen, amper twee weken oud, die blij om haar heen kropen en van enthousiasme over elkaar heen vielen om door haar beroken en schoongelikt te worden.

Het diep-gelukkige gevoel van de moeder leeuwin die haar welpen begroette deed hem pas goed beseffen wat hij veroorzaakt had door haar dood te rijden. Hij voelde zijn hart breken en de moederliefde door de barsten zijn hart binnenstromen en hem compleet overweldigen. Hij kon niet anders dan zich eraan overgeven. Hij wist dat hij zijn leven zou geven om die welpen tot zelfstandige jonge leeuwen te zien opgroeien.

Grommend van tevredenheid liet zij zich op haar zij vallen zodat de welpen konden drinken. Een diep gevoel van geluk doorstroomde haar toen ze voelde hoe de welpen één voor een haar tepels vonden en zich gretig begonnen vol te drinken. Hij laafde zich aan dit geluksgevoel zoals de hongerige welpen aan haar melk. Hij realiseerde zich dat hij zich in zijn hele leven nog nooit zo compleet had gevoeld als nu met haar welpen hangend aan haar lichaam.

———

Zo begon er een periode van constante zorg en verzorging.

Haar instincten volgend zorgde zij dat de welpen uit het zicht bleven van mogelijke roofdieren door ze regelmatig te verplaatsen naar nieuwe schuilplaatsen rondom en onder de rotsblokken en struikgewas. Ze liet ze vrijwel nooit alleen, behalve om haar behoefte te doen ergens ver bij hun schuilplaats vandaan om geen onnodige aandacht te trekken van ongewenste bezoekers.

Toen ze nog leefde moest ze er regelmatig op uit trekken op zoek naar voedsel maar nu ze bestond in een geleend lichaam wist ze dat jagen geen zin had. Ze miste de kracht en de souplesse om een prooi te vangen en te doden. Gelukkig was er een kleine waterbron tussen de rotsen maar voedsel zou er niet zijn. Ze bereidde zich daarom al voor op een zware strijd om zoveel mogelijk van hun gecombineerde levenskracht aan haar welpen door te geven voor ze aan de honger zou bezwijken. Ze hoopte dat het genoeg zou zijn om haar welpen een redelijke kans te geven maar ze was er niet gerust op.

———

Na een aantal dagen begonnen de effecten van haar voedseltekort voelbaar te worden. Ze begon de kracht te verliezen om haar welpen goed te verzorgen. Ze kon ze steeds minder ver verplaatsen waardoor de kans op ontdekking gaandeweg groter werd. Ze voelde ook haar melkproductie afnemen. Haar welpen groeide snel en hadden juist steeds meer melk nodig, niet minder. In plaats van voldaan in slaap te vallen na het voeden bleven haar welpen onrustig en waren zichtbaar ontevreden.

Ze besefte dat ze het op deze manier niet zou halen; ze had gewoon niet genoeg energie beschikbaar om al haar welpen naar een zelfstandig bestaan te leiden. Dus begon ze het ondenkbare te overwegen. Ze zou twee van haar welpen moeten doden. Het vlees en de levensenergie van de twee kleinsten zou misschien net genoeg zijn om de twee grootste tot het punt te brengen dat ze zonder haar een redelijke kans hadden het te overleven.

Hij was inmiddels compleet opgegaan in haar moederliefde en de allesoverheersende drang om haar welpen in leven te houden. De gedachte dat zij een paar van haar eigen welpen zou moeten doden veroorzaakte in hem golven van op doodsangst lijkende paniek. Hij probeerde de controle over haar lichaam over te nemen maar merkte dat hij compleet machteloos was tegenover haar ijzeren wil. In elkaar krimpend van ellende zag hij hoe ze zich voorbereidde op haar verschrikkelijke plicht.

Radeloos en machteloos wist hij niets beters te doen dan een noodkreet uit te sturen naar het Universum; een geluidloos gebed om hulp, om een ingrijpen, om iets te doen om de leeuwin te doen afzien van haar gruwelijke vastberadenheid. Hij bood zijn eigen hart als offer aan: “neem mij, neem alles wat ik ooit geweest ben of heb willen zijn” smeekte hij de stilte, “maar spaar deze welpen. Zij hebben niets gedaan om dit einde te verdienen.”

———

Net voor de leeuwin wilde toeslaan om de kleinste van haar welpen met een slag van haar klauw te doden viel er een schaduw over haar heen. Ze keek op en zag een enorme mannetjes leeuw staan. Hij was bijna twee keer zo groot als zij, met de volle manen van een volwassen leeuw en de littekens van een dier dat in vele gevechten zijn positie had bevochten. Instinctief dook ze in elkaar, klaar om voor het leven van haar welpen te vechten, ook al wist ze dat ze geen schijn van kans had; niet in haar verzwakte toestand, niet tegen deze leeuw in de kracht van zijn leven.

Tot haar verbazing viel de leeuw haar niet aan maar pakte van de grond een grote prooi om die met een zwaai voor haar neer te gooien. Het dode dier was vers en intact, met genoeg vlees om haar voor zeker een week te voeden. Verward keek ze van het dode dier naar de gigantische leeuw, half verwachtend dat hij haar alsnog zou aanvallen. De leeuw bleef echter staan waar hij was en keek haar aan. Ze voelde zijn kracht en kalmte en begreep dat hij geen bedreiging voor haar en haar welpen was. Ze ontspande, boog even haar hoofd in dank en aanvaarding van zijn gift, greep toen het dode dier en sleepte het met wat moeite naar een overhangende rots, waar ze het dier in alle rust kon verslinden. Toen ze weer opkeek was de leeuw verdwenen, even geruisloos als hij gekomen was.

———

Hij had vrijwel niets opgemerkt van wat er gebeurde, zo volkomen had hij zich teruggetrokken in zichzelf, in zijn wanhoop en verdriet om de aanstaande dood van de welpen en het ultieme offer dat de leeuwin bereid was te brengen. Het enige dat tot hem doordrong was de verandering in de gemoedsgesteldheid van de leeuwin: van wanhopige vastbeslotenheid naar plotselinge paniek naar verbaasde aanvaarding en tevredenheid. Hij vroeg zich af wat die verandering had veroorzaakt en probeerde contact met de buitenwereld te maken via de zintuigen van de leeuwin. Heel even voelde hij een aanwezigheid; een derde wezen, krachtig en ongenaakbaar. Die kracht was geruststellend en veilig, niet bedreigend. Zonder precies te weten waarom voelde hij dat alles goed ging komen. Hij ontspande zich en liet zich terugzinken in het genoegen waarmee de leeuwin haar prooi verscheurde om het levensgevende vlees tot zich te nemen.

———

De tijd vergleed verder zonder incidenten. De leeuw liet zich niet meer zien maar wel lag er af en toe een vers gevangen prooi voor haar klaar in de buurt van haar schuilplaats.

Haar welpen groeiden voorspoedig. Na een aantal maanden gezoogd te zijn waren ze begonnen mee te knagen aan de karkassen van de dode dieren waar haar moeder zich aan gevoed had. Ze jaagden, onbeholpen maar met veel plezier, op elkaar, op insecten en hagedissen, of op de wind die stof en pluizen deed opjagen om hen heen.

Ruim een half jaar later begon ze hen voor te bereiden op een bestaan zonder haar zorg. Ze leerde hen jagen door ze laten zien hoe ze dieren besloop en besprong. De onhandigheid veroorzaakt door haar hybride bestaan als half-leeuwin/half-mens maakte het moeilijk voor haar om grotere prooien te vangen maar ze leerde snel hoe ze ondanks haar beperkingen met success op kleinere dieren kon jagen. Dat moest voldoende zijn om haar welpen door die allerbelangrijkste eerste fase van hun zelfstandige bestaan heen te helpen. De rest moesten ze helaas zonder haar leren.

De welpen leerden snel en waren al gauw behendiger dan hun moeder. Op een dag waren het de welpen en niet hun moeder die met een redelijke prooi aankwamen zetten.

Toen wist ze dat haar tijd gekomen was. Bijna een jaar na het fatale ongeluk liet ze haar welpen tijdens een jacht ver genoeg voor haar uit rennen om ongezien te kunnen omkeren en weg te sluipen, terug naar de plek waar het noodlot haar getroffen had.

———

Voor hem was het alsof hij ontwaakte uit een half-bewust beleefde droom. Hij herinnerde zich alleen flarden, beelden en gevoelens: het gevoel van de zogende welpen, de tevredenheid van een moeder die haar welpen ziet spelen en leren, de melancholie van het onvermijdelijke afscheid. Daar overheen lag een gevoel van voldaanheid, de wetenschap dat hij een vreselijke fout had goedgemaakt; het besef dat hij, onverdiend, een kans had gekregen om het leven te dienen dat hij door zijn roekeloosheid tot een langzame dood had veroordeeld. Dat was een goed gevoel maar het was geen triomf. Hij wist maar al te goed dat het niet zijn kracht en volharding was die deze genoegdoening volbracht had maar die van de leeuwin en haar onverzettelijke moederliefde. Het was haar prestatie, hij had haar alleen mogen dienen. Toch was dat voor hem meer dan voldoende.

Naarmate ze dichter bij de plek van het ongeluk kwamen begon haar leeuwinnen vorm te vervagen terwijl zijn menselijke vorm zich verdichte. Er was een kort moment van verwarring tijdens deze overgang. Zij/hij verloor even de controle over zijn/haar bewegingen en struikelde half lopend, half kruipend verder tot hij/zij van vermoeidheid omviel en hijgend bleef liggen.

Hij voelde haar verdwijnen. Haar vorm was al compleet verloren gegaan en nu loste ook haar geest en haar wilskracht snel op tot er slechts flauwe sporen van haar voelbaar waren in zijn geest. Het was alsof hij een deel van zijn hart verloor en dat deed hem pijn. Maar hij voelde ook dat hij iets van haar hart ervoor in de plaats kreeg. Met tranen in zijn ogen dankte hij haar voor wat ze hem had laten volbrengen. Toen was ze verdwenen.

———

Weer op adem gekomen stond hij op en liep verder naar de weg. Daar zag hij zijn auto staan, vrijwel zoals hij die had achtergelaten, al die maanden terug. De auto was in verrassend goede staat. Nadat hij de gebarsten voorruit had verwijderd en het zand uit de auto geschept had bleek de motor zelfs in een keer te starten. Opgelucht reed hij weg.

Even nog dacht hij het gebrul van een leeuw in de verte te horen.

Maar dat kon ook de wind zijn.

©Bard 2021

Het Ongeschreven Verhaal

Het ongeschreven verhaal
Het Ongeschreven Verhaal – ©Bard 2020

Dit verhaal werd nooit geschreven. Het is nooit aan iemand verteld. Het is blijven steken in een duistere hoek van het onderbewuste van de schrijver. De schrijver was zich ooit vaag bewust van het bestaan van dit verhaal maar er waren zoveel andere dingen die om aandacht vroegen, zoveel andere verhalen die meer voor de hand lagen of makkelijker te schrijven waren, dat de schrijver aan dit verhaal nooit is toegekomen.

En dus wacht de wereld nog steeds op het verschijnen van dit verhaal. Het verhaal dat alles anders maakt. Het verhaal dat de sleutel bevat tot de transformatie waar iedereen diep van binnen naar verlangt. Het verlossende verhaal dat het gat zal sluiten tussen hoe de dingen zijn en hoe ze zouden kunnen wezen.

En het verhaal wacht op de schrijver.

©Bard 2020

Opgesloten

Opgesloten
Labyrinth
Labyrinth – ©Bard 2015

Steeds weer liep hij vast in het doolhof dat hij zelf gecreëerd had. Het was gemaakt van herinneringen, fragmenten van verhalen en verzonnen gebeurtenissen. In zijn hoofd hadden deze bouwblokken zich samengevoegd en aaneengesloten tot ze hem omringden zonder een uitweg te bieden.

———

Hij had vaak geprobeerd te ontsnappen. Hij had geprobeerd een lijn van blokken van het begin tot aan het einde te volgen, en van het einde tot aan een uitgang. Maar de blokken herschikten zichzelf terwijl hij ze volgde. Some verscheen hetzelfde blok opnieuw en opnieuw. Of er verschenen splitsingen waar veel mogelijke verhaallijnen opengingen om tussen te kiezen. Welke lijn hij ook volgde, steeds weer liep hij vast in het doolhof dat hij zelf gecreëerd had.

Hij had geprobeerd blindelings van blok naar blok te springen, van herinnering naar half-vergeten beeld, in de hoop dat zulke willekeurige bewegingen him via toeval of geluk zouden leiden naar een onbewaakte opening, een vergeten deur of raam naar de wereld daarbuiten. Maar iedere deur bleek een draaideur die hem terug naar binnen voerde. Ieder raam was slechts een spiegel die eindeloos de door elkaar gehusselde blokken van zijn gefragmenteerde verhaal reflecteerde. En steeds weer liep hij vast in het doolhof dat hij zelf gecreëerd had.

Hij had zelfs geprobeerd helemaal te stoppen. Hij stopte met het volgen van verhaallijnen. Hij duwde ieder beeld of herinnering uit zijn hoofd voor hij zich bewust kon worden van hun inhoud en betekenis. Hij dwong zichzelf af te dalen in het duister van niet denken, niet voelen, niet bewust zijn. Maar in het diepst van dat duister kon hij niet anders dan het bewegende licht zien. Een vonk verscheen, miniem maar helder. Als hij erin slaagde die vonk te negeren sprong er een volgende op, en een volgende. Ze vormden rijen, patronen en ritmes. Ze schiepen vormden uit synchrone beweging. Ze dansten tot hij niet anders kon dan er zijn aandacht op richten. En zijn aandacht was alles wat ze nodig hadden om hem uit de leegte terug te leiden naar de verwarring van zijn geest. En steeds weer liep hij vast in het doolhof dat hij zelf gecreëerd had.

———

Opgesloten.

Opgesloten.

Opgesloten.

———

En toen ineens zag hij het. Tussen de o en de e. Een koevoet-vorige t die hij kon loswringen uit zijn positie. Nu alleen nog een paar keer goed schudden tot de letters hem vertelden wat hij moest doen. Nog net opgesloten maar nu met behulp van

zijn nieuwe gereedschap sloeg hij
de woorden open die hem
vasthielden sloeg hij
ze open sloeg
hij.

En hij zag als hij sloeg dat
er een opening was naar
buiten het doolhof
dat hij zelf gecreëerd had.

Buiten was er licht en oneindig potentieel. Buiten was de vrijheid om alles voor het eerst te ervaren. Hier kon hij wezen zonder geweest te zijn.

Hier werd hij nu.

En hier.

©Bard 2020

Het Mysterie

Het Mysterie
Het mysterie, @Bard 2019
Het mysterie, @Bard 2019

Het dorpje klampte zich vast aan de steile bergwand als een overmoedige bergbeklimmer die ineens besefte hoe hoog hij geklommen was en overmand door hoogtevrees zich niet meer durfde te verroeren. De huizen waren oud, vervallen en duidelijk in geen jaren onderhouden. Uit een paar verbrokkelde schoorstenen kringelde rook maar de meeste huizen waren verlaten en boden slechts beschutting aan de weinige vogels en knaagdieren die op deze hoogten konden overleven.

Vermoeid door de lange klim vanuit het dal hoopte hij bij een van de bewoonde huizen onderdak voor de nacht te vinden. Misschien zat er zelfs een warme maaltijd in of zachte slaapplaats, maar alleen wat warmte en beschutting tegen de snijdende wind zou al heel wat waard zijn.

In de dorpskern aangekomen koos hij het eerste de beste huis waar er rook uit de schoorsteen kwam. Het was amper een huis te noemen: het was een houten bouwsel dat tegen de stenen muur van het huis daarachter leunde als een oude man die op adem probeert te komen na een korte wandeling door een steile straat. Het huisje zag eruit zoals hij zich voelde. Misschien zou de herkenning tussen lotgenoten het makkelijker maken hem gastvrij te ontvangen?

Hij klopte op de deur.

Het duurde even voor hij hoorde hoe er een grendel werd weggeschoven en iemand met enige moeite de zware, scheefgezakte houten deur op een kiertje opentrok. Het gezicht van een oude man werd zichtbaar in de deuropening en keek hem nieuwsgierig aan met ogen die verrassend helder en levendig waren in dat oude, gerimpelde gezicht.

“Daar ben je dan.” zei de oude man, “Daar heb je lang over gedaan”. “Hoe bedoelt u.” zei hij verbaasd, “Verwachtte u me dan? Of heeft u me soms aan zien komen vanuit het dal”? “Nee, dat niet” zei de man, “maar ik wist dat er uiteindelijk iemand zoals jij zou komen en op mijn deur zou kloppen. Het bestaan van deze deur in mijn woning maakte dat onvermijdelijk.” “Hoezo?” zei hij verward, “Het bestaan van deze deur houdt toch geen verband met of er iemand wel of niet op komt kloppen? Een deur is gewoon een manier om een huis in en uit te gaan. Wat heeft mijn kloppen daarmee te maken?” “Aha!” zei de oude man triomfantelijk, “Precies! Een normale deur laat mensen naar binnen en naar buiten en ontleent daaraan zijn bestaan. Maar ik zit hier al binnen sinds dit huisje om mij heen is opgebouwd. Ik ga nooit naar buiten en geen van de dorpsbewoners zou er ooit over denken hier naar binnen te gaan. En toch is er deze deur. Zodoende!” De oude man liet dat laatste woord klinken als de triomfantelijke afsluiting van een overtuigend gewonnen debat.

Toen hij niet meteen antwoord gaf begon de oude man te lachen. “Geeft niets, hoor. Geeft niets. Ik verwacht ook niet dat je dit meteen kan begrijpen. Tenslotte heb ik hier mijn hele leven over nagedacht. Terwijl jij, als ik je zo zie, nog maar amper met denken bent begonnen.” De oude man duwde de deur nu verder open en nodigde hem met een sierlijke zwaai van zijn arm uit om naar binnen te komen. “Wees welkom in mijn domein, langverwachte reiziger.”

De glimlach van de oude man was te vriendelijk en te gul om tegen in te gaan. Hij volgde de oude man naar binnen de donkere ruimte in. Daar zag hij een matras en deken tegen de stenen muur en een lage tafel met daarop een brandende kaars en twee tinnen borden. In een hoek stond een houten krat met een waterkan, een paar bekers en wat stukken brood. In een inham in de stenen muur brandde een houtvuur waarvan de rook verdween door een rookgat in het dak. Verder was het vertrek leeg en kaal. Een plek om te schuilen tegen de winterstormen, meer niet.

De oude man gebood hem bij de tafel te gaan zitten en bood hem een stuk droog brood en een beker lauw water aan. “Neem het er van,” zei de oude man, “mijn paleis is jouw paleis, mijn overdaad de jouwe.” Nog steeds te verbouwereerd om te reageren at en dronk hij wat de oude man hem voorzette.

Zo zaten ze een tijdje in stilte.

Ineens kwam de oude man overeind en liep naar de buitenmuur. Die bleek een schuifpaneel te bevatten dat op een kiertje open kon. Zo was er net een klein stukje van de straat te zien. “Kom” zei de oude man, “het gaat zo gebeuren. Dit mag je niet missen.” Hij ging naast de oude man staan en keek samen met hem door de nauwe kier naar buiten. “Wat gaat er gebeuren dan?” vroeg hij, maar de oude man gebaarde dat hij stil moest zijn en moest blijven kijken.

En toen gebeurde het. Langzaam schoof er een koe door het beeld. Eerst was er de roze neus, toen een groot donker oog, een nerveus bewegend oor, een stukje van een hoorn. Vervolgens kwam de rug als een golf voorbij gerold. Het vertoon eindigde met de staart, met als allerlaatste de pluim die zwaaiend uit beeld verdween. En toen was er niets meer.

De oude man keek hem triomfantelijk aan. “Nu heb jij gezien waar ik al die jaren over heb nagedacht en op gestudeerd heb. Dit is het mysterie dat mij gevraagd werd op te lossen: het mysterie van de oorzakelijkheid.” Hij keek de oude man niet-begrijpend aan. “Het mysterie van wat?” vroeg hij. “Van de oorzakelijkheid, domoor. Het ontstaan en verdwijnen der dingen.” “Ik heb alleen een koe voorbij zien komen.” zei hij, “Wat heeft dat met oorzakelijkheid te maken?”

De oude man keek hem breed grijnzend aan. “Hij heeft alleen een koe voorbij zien komen. Een koe! Dat is alles. Het Universum openbaarde zich aan ons, het begin en het einde van alles ontvouwde zich voor onze ogen. En hij zag alleen een koe.” De oude man keek hem aan alsof er nu voldoende uitleg was gegeven en er een teken van begrip van hem verwacht werd. Toen dat uitbleef schudde de oude man zijn hoofd. “BOE!” riep de oude man, zo hard dat hij van schrik achteruit stapte en zijn hoofd hard tegen een lage balk stootte. “Boe! Boe! Boe!”, de oude man genoot zichtbaar van zijn reactie. Toen hij met een pijnlijk gezicht aan zijn hoofd voelde om te controleren of hij niet bloedde hield de oude man het helemaal niet meer. “Hij moest zijn hoofd opensplijten om het inzicht binnen te laten.” lachte de oude man. “Zijn ogen zijn gesloten, zijn oren zitten dicht, misschien dat het gat in zijn schedel wat licht binnenlaat.”

Opeens bedaarde de oude man, gebaarde dat hij moest gaan zitten en ging tegenover hem op de grond zitten. “Genoeg gelachen,” zei de oude man, “dit zijn serieuze zaken. Vertel me precies wat je hebt gezien, dan zal ik het je verklaren.”

Hij dacht na. “Ik keek naar de straat. Die kier in de deur is erg smal, dus veel kon ik niet zien. Toen kwam er een koe voorbij. Daarna was er alleen maar weer die straat te zien. Dat is alles.”

“Dat is alles?” de oude man schudde zijn hoofd. “Hoe makkelijk bagatelliseert de onverlichte geest het mysterie van het bestaan.” De oude man pauzeerde even, in gedachten verzonken. Toen ging hij verder: “Eerst was er de straat. Toen was er de koe. Toen weer de straat. Uitstekend. Dat heb je goed gezien. Maar wat je niet gezien hebt is waar het werkelijk om gaat. Waar komt die koe vandaan?” De oude man keek hem indringend aan. “Waar is die koe gebleven? Wat doet die koe verschijnen en verdwijnen?”

De oude man strekte zich nu in zijn volle lengte uit. “Ik heb hier mijn hele leven over nagedacht. Ik heb dit huis om me heen laten bouwen zodat ik me volledig op deze taak kon toeleggen en me nergens door zou laten afleiden. En uiteindelijk, na langdurige observatie en diepe reflectie presenteer ik je vandaag mijn antwoord. Omdat jij mijn deur gevonden hebt zal jij de eerste zijn die dit van mij verneemt. Luister …” opnieuw pauzeerde de oude man, om de spanning op te voeren.

“… het antwoord op het mysterie van het bestaan is dit: …” opnieuw een pauze … “de neus veroorzaakt de staart!”. Triomfantelijk keek de oude man hem aan. “De neus veroorzaakt de staart. Dat is het geheim.”

Hij keek de oude man met open mond aan. Dit kon niet waar zijn. Dit moest een grap zijn. Hij begon nerveus te lachen. “De neus veroorzaakt de staart? Is dat het? Is dat het antwoord op alles? Heb ik daarvoor mijn hoofd gestoten?” Zijn lachen was overgegaan in boosheid. “Oude man, je bent niet goed wijs. ‘De neus veroorzaak de staart’ is een oude koan, een Zen-boeddhistisch raadseltje. Het gaat over onze neiging om de dingen te verklaren op grond van onze beperkte waarneming. Als we vergeten dat we maar een klein stukje van de werkelijkheid zien, zijn we geneigd dat kleine stukje te generaliseren en er veel meer in te lezen dan we zouden moeten. We zien een zandkorrel en denken er de wetten van het heelal in te kunnen lezen. We zien een koe en denken er de schepping mee te kunnen verklaren. De neus veroorzaakt de staart niet. Dat is onzin. Die neus komt gewoon eerst omdat zo’n koe nou eenmaal vooruit loopt, en niet achterstevoren. Je haalt gewoon volgorde en oorzakelijkheid door elkaar.”

Hij stopte, om op adem te komen, maar ook om te zien hoe de oude man zou reageren. Zou hij boos worden op zijn kleine tirade? Had hij de oude man niet te hard aangepakt? Als hij de oude man moest geloven had deze zijn hele leven op dit antwoord zitten broeden. Had hij de oude man in de waan moeten laten en niet moeten tegenspreken?

Tot zijn verbazing bleef de oude man hem grijnzend aankijken. “Ben je klaar met je verhaal?” vroeg de oude man hem. “Een koan, zeg je? Een raadseltje over de beperktheid van onze waarneming? Als dat zo is, o zo wijze heer, leg me dit dan eens uit. Je hebt die koe voorbij zien komen; eerst de neus, daarna de staart, en toen niets meer. Waar is die koe dan gebleven? Kijk maar naar buiten. Helemaal niets. Alleen een lege straat. Kan jij me dat verklaren?” De oude man keek hem aan. “Ik dacht het niet.”

“Natuurlijk kan ik dat verklaren.” zei hij. “Die koe is gewoon de straat uitgelopen, op weg naar een weilandje ergens buiten het dorp. En daar staat ze nu tevreden te grazen. Of ze was op weg naar een stal hier ergens in de buurt. Simpel. Geen mysterie, geen openbaring, gewoon een koe op weg van A naar B.”

“Oh” zei de oude man, “simpel dus. Die koe staat gewoon ergens in een stal of in een weiland te grazen. Dat weet jij dus zeker?”

Hij knikte.

De oude man trok nu de deur voor hem open en zei: “Ik ga mijn huis niet uit en heb toch het Universum kunnen doorvorsen. Jij bent overal geweest maar hebt blijkbaar niets gezien. Ga jij maar eens kijken of je die koe kan vinden. En kom dan hier terug. Dan praten we verder.” De oude man wachtte tot hij naar buiten was gelopen en duwde de deur achter hem dicht.

Nu hij weer buiten stond keek hij eens goed om zich heen. Waar zou die koe naartoe gegaan zijn? De richting waar ze vandaan gekomen was was hoe hij bij het huis van de oude man was aanbeland. De koe was vervolgens langs de deur gelopen, dat nauwe, donkere steegje in. Hij deed een paar stappen in dezelfde richting. Tot zijn verbazing liep hij vrijwel direct tegen dezelfde stenen muur aan waar het huis van de oude man tegenaan leunde. Het steegje liep dood tegen die muur, die ook beide zijden van het straatje flankeerde. Een stenen muur, zonder deuren, ramen, of wat voor openingen dan ook. Het ‘steegje’ was niet veel meer dan een ondiepe nis in een hoge muur.

Maar waar was die koe dan? Dat beest kon nergens anders heen. De nis was amper diep genoeg om het hele beest te bevatten en toch had hij met eigen ogen gezien hoe het dier was langsgekomen en uit het zicht verdwenen was. Hij voelde voor de zekerheid aan alle zijden van de nis. Niets. Zware stenen, waar geen beweging in te krijgen was. Zijn verwarring was compleet. Hij draaide zich om en klopte op de deur van het huis van de oude man.

Die deed onmiddellijk open, nog steeds met die brede grijns op zijn gezicht. “Heb je die koe gevonden?” vroeg hij spottend. “Stond ze daar te grazen in dat imaginaire weiland van je? Of was ze in die prachtige stal van jouw verbeelding? Ik hoop dat je hier iets van leert, met je koan en je boeddhistische raadseltjes. De wereld openbaart zich aan hen die de wereld kunnen zien zoals ze is en dat wat ze zien kunnen duiden. Die koe is zowel het mysterie als het antwoord op alles. Ik zeg het je nog één keer, voordat ik je weer je eigen pad op stuur: de neus veroorzaakt de staart! En daar is alles mee gezegd.”

De oude man duwde de deur weer dicht terwijl hij mompelde “Oorzakelijkheid en volgorde door elkaar halen, m’n neus.” En met het verdwijnen van zijn gezicht achter de dichtslaande deur was ook de oude man voorgoed verdwenen.

©Bard 2020

De brug

De brug
De Brug
De Brug – ©Bard 2017

De weg was al lang geen echte weg meer. Hoe hoger hij kwam in dit berglandschap, hoe minder de weg was onderhouden. Asfalt had plaats gemaakt voor kasseien. Van een redelijk begaanbaar pad met hier en daar een provisorisch met bakstenen en grind gevulde kuil bleef uiteindelijk alleen een nauwelijks te belopen grindspoor over. En nu, enige uren nadat hij door een verlaten dorp gelopen was, was zelfs dat spoor amper nog te zien onder het gras en onkruid dat overal groeide.

Toch liep hij door, overtuigd dat hij door dit pad te volgen uiteindelijk zou komen waar hij moest zijn; waar dat dan ook wezen mocht.

Na een laatste steile klim stond hij voor een oude stenen brug over een smal maar diep ravijn. Het was duidelijk dat er al geruime tijd geen verkeer meer over deze brug ging. De brug was al net zo begroeid als het pad, alsof het groen zelf de kloof overspande en de brug zonder die begroeiing allang de diepte in gestort zou zijn.

Aarzelend liep hij naar de rand van de brug. Hij keek naar beneden en zag hoe honderden meters lager een snelstromende rivier zich tussen grote rotsblokken door wrong. Vaag kon hij vanuit de diepte het geraas van het water horen. Het geluid klonk dreigend, bijna kwaad, alsof de geest van de rivier zich irriteerde aan de rotsen die haar weg belemmerden.

Door de zilveren nevel die vanuit de kloof omhoog steed kon hij net de overkant van de brug zien. Het pad leek zich daar weer te verbreden. Het landschap zag er ook meer begaanbaar uit aan die kant met minder steile rotswanden en veel meer met gras begroeide glooiende hellingen.

Het was hem volkomen duidelijk dat zijn bestemming aan de overkant van de brug lag. Daar zou hij de beloning vinden voor de lange klim die hij de afgelopen dagen gemaakt had. Nu alleen nog even die brug oversteken. De rest zou bijna vanzelf gaan. Vervuld met nieuwe hoop liep hij zonder verder na te denken de brug op.

Na een paar stappen merkte hij dat de brug begon mee te trillen met zijn voetstappen. Bij elke stap werd de trilling erger tot hij de brug voelde schudden elke keer als hij zijn voeten neerzette. Bang geworden begon hij sneller te lopen, met als gevolg dat het schudden nog erger werd. De hele brug was nu in beweging. Bijna halverwege begon hij te rennen. Even dacht hij dat hij het zou gaan halen maar toen kwam de weg voor hem in een soort golfbeweging omhoog om vervolgens onder zijn voeten compleet te desintegreren.

Hij viel en had nog net tijd om te bedenken dat hij voorzichtiger had moeten zijn. Toen raakte hij de rotsen. Zijn levenloze lichaam werd door de rivier meegesleurd zonder verder een spoor na te laten.


Na een laatste steile klim stond hij voor een oude stenen brug over een smal maar diep ravijn. Het was duidelijk dat er al geruime tijd geen verkeer meer over deze brug ging. De brug was al net zo begroeid als het pad. Het leek alsof het groen zelf de kloof overspande en de brug er alleen nog hing omdat de begroeiing haar overeind hield.

Aarzelend liep hij naar de rand van de brug. Hij had het vage gevoel dat hij dit al eens eerder had gezien. Het leek hem dat hij het landschap aan de overkant herkende. Het maakte hem onrustig, alsof er iets was dat hij zich zou moeten herinneren dat net buiten zijn bereik bleef.

Hij liep naar voren en zag naast de weg de vervallen resten van wat een wegwijzer of waarschuwingsbord geweest zou kunnen zijn. Hij trok het bord de weg op om het beter te bekijken. Niets. Als er al iets op had gestaan was het door de tijd en het weer volledig vervaagd. Hij liet het bord voor zich op de weg terugvallen.

Het was hem volkomen duidelijk dat zijn bestemming aan de overkant van de brug lag. Daar zou hij de beloning vinden voor de lange klim die hij de afgelopen dagen gemaakt had. Maar die brug zag er niet erg betrouwbaar uit. Het bord gaf hem ook een licht ongerust gevoel. Toch besloot hij door te lopen. Tenslotte zag de overkant er wel erg verleidelijk uit. Hij stapte over het bord de brug op.

Na een paar stappen merkte hij dat de brug begon mee te trillen met zijn voetstappen. Bang geworden begon hij sneller te lopen. De hele brug was nu in beweging. Bijna halverwege begon hij te rennen. Even dacht hij dat hij het zou gaan halen maar toen kwam de weg voor hem in een soort golfbeweging omhoog en viel onder zijn voeten uit elkaar.

Hij viel en had nog net tijd om te bedenken dat hij beter had moeten luisteren naar zijn voorgevoelens. Toen raakte hij de rotsen. Zijn levenloze lichaam werd door de rivier meegesleurd zonder een spoor na te laten.


Na een laatste steile klim stond hij voor een oude stenen brug over een smal maar diep ravijn. De brug was al net zo begroeid als het pad.

Aarzelend liep hij naar de rand van de brug. Hoewel hij nog nooit in deze bergen geweest was wist hij vrijwel zeker dat hij deze plek al eens eerder had gezien. Ook het landschap aan de overkant zag er bekend uit. Het maakte hem onrustig, alsof er iets was dat hij zich zou moeten herinneren dat net buiten zijn bereik bleef.

Hij liep naar voren en zag midden op de weg een oud waarschuwingsbord liggen. Hij vroeg zich af wie het daar neergelegd had en waarom. Helaas was er op het bord niets te lezen. Zonder precies te weten waarom pakte hij een stuk kalksteen van het pad en kraste een paar woorden in het verweerde hout. Hij keek naar wat hij geschreven had en lachte om zichzelf. Hij moest zich niet zo aanstellen, dacht hij. Zo erg kon het niet zijn? Toch zette hij het bord zorgvuldig overeind tegen een grote steen aan het begin van de brug voor hij weer naar de overkant keek.

Het was hem volkomen duidelijk dat zijn bestemming aan de overkant van de brug lag. Maar dat bord had hem even van slag doen raken. Toch besloot hij door te lopen. Hij was al te ver gekomen om nu nog om te draaien en terug te gaan.

Na een paar stappen merkte hij dat de brug begon mee te trillen met zijn voetstappen. Ongerust nu ging hij steeds sneller lopen tot hij halverwege gekomen voluit aan het rennen was. Even dacht hij dat hij het zou gaan halen. Maar de weg kwam voor hem in een soort golfbeweging omhoog om daarna onder zijn voeten kompleet te verkruimelen.

Hij viel en had nog net tijd om zichzelf te verwijten dat hij niet was omgekeerd toen hij dat bord bij de brug had gezien. Hij had op zijn intuïtie moeten vertrouwen. Toen raakte hij de rotsen. Zijn levenloze lichaam werd door de rivier meegesleurd zonder een spoor na te laten.


Na een laatste steile klim stond hij voor een oude stenen brug over een smal maar diep ravijn. Hij wist vrijwel zeker dat hij deze brug al eens eerder had gezien. Ook het landschap aan de overkant zag er bekend uit. Hij voelde zich opgejaagd en bang, alsof hij zich heel dringend iets belangrijks moest herinneren maar er net niet bij kon komen.

Hij liep naar voren en zag tegen een steen aan het begin van de brug een oud, verweerd bord geleund staan. Het was duidelijk neergezet om gezien te worden. Hij veegde wat stof en vuil van het bord af en zag dat iemand met krijt iets in het bord gekrast had. Met wat moeite las hij “Pas op! Gevaarlijke brug. Instortingsgevaar.” Hij vroeg zich af wie het bord daar neergezet had en hoe lang geleden. Hij keek naar de overkant van de kloof.

Het was hem volkomen duidelijk dat zijn bestemming aan de overkant van de brug lag. Maar die brug zag er niet erg betrouwbaar uit. En dat bord was wel erg onheilspellend.

Aarzelend liep hij naar de rand van de brug. Hij keek naar beneden en zag hoe honderden meters lager een snelstromende rivier zich tussen grote rotsblokken door wrong. Vaag kon hij vanuit de diepte het geraas van het water horen. Het geluid klonk dreigend, bijna kwaad, alsof de geest van de rivier zich irriteerde aan de rotsen die haar weg belemmerden. Hij kon zich goed voorstellen hoe het zou zijn om naar beneden te vallen en op die rotsen te pletter te slaan. Het water zou zijn levenloze lichaam meesleuren zodat er geen spoor meer van hem te zien zou zijn.

Hij keek nog één keer naar het lokkende landschap aan de andere kant van de brug.

Toen draaide hij zich om en met een gevoel van opluchting gemengd met teleurstelling begon hij aan de lange tocht terug naar beneden, waar hij op zoek zou gaan naar een andere manier om aan de overkant te komen.

©Bard 2020

In gedachten verzonken

In gedachten verzonken

Het meer - ©Bard 2012
Het meer – ©Bard 2012

In gedachten verzonken was hij ongemerkt een bos ingelopen. Toen hij uiteindelijk weer om zich heen keek zag hij niets herkenbaars om zich heen. Een nauwelijks zichtbaar pad slingerde zich tussen hoge bomen en dicht struikgewas door. Met diep mos begroeide plekken onder de hoogste bomen werden afgewisseld met stukjes hoog en dor gras en hier en daar wat kale zandgrond. Hoewel de zon hoog in de hemel stond was het bijna schemerdonker hier. Het dichte bladerdak hield bijna al het zonlicht tegen en het beetje licht dat de grond bereikte was doordrenkt met een groenige, pastel-achtige waas.

Waar was hij? En hoe kwam hij hier weer uit? Het nauwe bospaadje leek nergens heen te gaan en verder zag hij alleen bos, zover het schemerduister hem toeliet te kijken.

Ongerust keek hij om zich heen.

Toen hij zich voor de tweede keer 360º had rondgedraaid zag hij in de verte iets glinsteren. Hij keek nog wat beter. Ja, daar was het duidelijk lichter en hij dacht dat hij het blauwige geschitter van stromend water kon zien, tussen de dichte begroeiing door.

Het duister van dit bos was hem gaan beklemmen en dus dacht hij er niet lang over na. Hij begon te rennen in de richting van het licht daar in de verte.

Omdat hij amper kon zien waar hij liep kon hij niet al te snel gaan. Hij moest ook goed opletten waar hij zijn voeten neerzette: het paadje zat vol met oneffenheden, kuilen en boomwortels waar je je behoorlijk op kon verstappen.

Na zo, met zijn ogen op de grond gericht, een stukje gerend te hebben, stopte hij even om zich te oriënteren.

Het duurde even voor hij het licht in de verte weer gevonden had. Tot zijn verbazing leek het nu verder weg dan daarnet. Het was nog steeds goed zichtbaar, vooral in contrast met het donker om hem heen. Maar de afstand tussen hem en het spiegelende water was duidelijk groter geworden. Hij had waarschijnlijk niet goed opgelet hoe het pad precies liep. Zonder het te merken moest hij een zijtak zijn ingeslagen die hem wegvoerde van het water, in plaats van ernaartoe.

Hij dwong zichzelf tot kalmte door een paar keer diep adem te halen. Paniek gaat je niet helpen, zei hij tegen zichzelf. Er is ook geen reden toe: zolang je het water maar in het zicht houdt kan je onmogelijk verdwalen.

In plaats van de rennen besloot hij nu zijn ogen op het water gericht te houden en niet op de grond. Hij moest daardoor veel voorzichtiger lopen maar door zijn voeten zorgvuldig neer te zetten en te voelen of hij stevig stond voor hij de volgende stap nam kwam hij toch vooruit.

Hoewel…

Na op deze manier een aantal grote passen genomen te hebben begon hij het gevoel te krijgen dat hij weliswaar vooruit bewoog, maar dat tegelijkertijd het water zich van hem verwijderde. Hij nam nog een paar passen en wist het toen zeker: hij was opnieuw verder weg van het water in de verte dan daarvoor.

Hij nam opnieuw een paar stappen. Het water was nu bijna uit het zicht verdwenen. Alleen het helderder licht aan de horizon verraadde nog de plek waar het water zich moest bevinden. Bang dat hij dat licht ook nog uit het oog zou verliezen begon hij toch weer te rennen. Tot hij over een boomwortel struikelde en plat op zijn rug terecht kwam.

Hij krabbelde moeizaam overeind. Hij was weer helemaal omringd door het half-duister van het bos. Nergens was een spoor te zien van het water of zelfs maar het licht aan de horizon.

In paniek draaide hij in de rondte in de hoop toch nog iets van licht te kunnen zien.


Ineens, als uit het niets, stond ze voor hem. Een slanke, statige vrouw, gekleed in een lichtgroen gewaad. Ze had lang, zwart haar en donkerbruine, bijna zwarte ogen. In één hand hield ze een lange staf. Haar andere hand hield ze opgeheven in een ‘stop’ gebaar. Een lichte glimlach hing om haar lippen, maar haar stem klonk streng en gebiedend, toen ze zei: “Zo is het wel genoeg. Gedraag je alsjeblieft een beetje waardig.”

Zijn mond was opengevallen van verbazing. Hij hijgde nog na van zijn paniek aanval en hij was duizelig van het in de rondte draaien. Maar bij het horen van haar stem voelde hij zich als het ware in de houding springen. Zonder er bij na te denken rechtte hij zijn rug, sloot zijn mond en wachtte af wat ze nog meer zou zeggen.

“Goed zo. Je kan dus luisteren. Wie weet ben je nog te redden.” Opnieuw speelde er een zweem van een glimlach om haar lippen. “Maar dan moet je wel precies doen wat ik zeg.” Sprakeloos, te verbaasd om iets te zeggen, knikte hij dat hij haar begrepen had.

“Heb je enig idee waarom het je niet lukt het water te bereiken?” vroeg ze. Hij schudde zijn hoofd. Ze keek hem aan en verwachtte blijkbaar een antwoord. “Het lijkt wel of het water voor me uit vlucht,” opperde hij voorzichtig. “Iedere keer als ik dichterbij probeer te komen lijkt het water verder weg zijn.”

“Aha” zei de vrouw, “Observeren kan je dus wel. Maar je conclusie is wel typisch mannelijk: wanneer je iets tegen komt dat je niet kan verklaren moet er wel iets mis zijn met de wereld. Heb je er ook maar een moment bij stilgestaan dat er misschien iets met jou aan de hand is, en niet met het water?”

Verbaasd staarde hij haar aan. Iets mis met hem? Hoe bedoelde ze dat? “Is het water misschien gezichtsbedrog? Denk ik alleen dat ik water zie?” probeerde hij.

“Nee” zei ze, “dat water is echt. Het ligt niet aan je ogen. Maar wel,“ en daar was opnieuw die glimlach, “aan hoe je naar de wereld kijkt.”

Hij wist niet waar ze op doelde, dus hield hij maar zijn mond, hopend dat ze zou uitleggen waar ze op doelde.

“Probeer maar eens naar me toe te lopen. Misschien begrijp je dan wat ik bedoel.” Aarzelend nam hij een paar stappen naar voren. Tot zijn stomme verbazing was de vrouw na een paar stappen veel verder weg dan toen hij begon te lopen. Toch had ze niet bewogen. Ze stond nog in precies dezelfde houding. Ze leek ook nog op dezelfde plek te staan, hoewel ze toch duidelijk verder weg was. Wat was hier toch aan de hand?

“Je hebt het nog steeds niet door, hè?” zei de vrouw. “Ik dacht dat je slimmer was. Nog maar eens proberen dan. Loop nu eens van me weg, zonder je om te draaien. Kijk me aan en neem een paar stappen van me af.” Hij deed wat ze zei en zag hoe ze met elke stap die hij achteruit deed een stap dichterbij leek te komen. Hij stopte toen hij weer vlak voor haar stond en keek haar in verwarring aan.

“Begrijp je het nu?”

Toen hij niet direct antwoord gaf nam ze een halve stap naar achteren en sloeg tegelijkertijd in één vloeiende beweging met haar staf zijn hoofd van zijn schouders. Hij voelde zijn hoofd door de lucht tollen en op het zachte mos landen, terwijl zijn lichaam hulpeloos voorover zakte. Zijn lijf eindigde op handen en voeten en zijn rollende hoofd kwam tegen een boomstam tot stilstand.

Voor zijn gevoel was hij nu op twee plaatsen tegelijk. Hij voelde duidelijk het mos aan zijn handen en de grond onder zijn knieën en voeten. Maar hij voelde ook de ruwe boomstam tegen zijn wang en zag het gras voor zijn ogen. Een miertje klom tegen één van de halmen omhoog, stopte op ooghoogte en rende vervolgens weer naar beneden. Hij was te verbaasd om in paniek te raken en te geschrokken om iets te zeggen.

“Het spijt me” zei de vrouw, “maar soms is een directe aanpak toch het beste.” Hij kon haar niet zien maar hoorde hoe ze naast zijn hoofd neerknielde. “Nu is het zaak je hoofd erbij te houden. Probeer eens voorzichtig in de richting van mijn stem te kruipen.”

Haar stem was zo kalm en zelfverzekerd dat hij zijn opkomende paniek voelde wegebben. Hij deed wat ze zei en maakte voorzichtig een paar kruipbewegingen. Hij voelde aan zijn lijf dat hij vooruit bewoog, maar omdat zijn hoofd een andere kant opkeek kon hij die beweging niet zien. Dat was zo verwarrend dat een golf van duizeligheid hem bijna deed omvallen.

“Dat is lastig, hè? Als je hoofd en je lijf niet samenwerken? Probeer het nog eens, maar nu met je ogen dicht. Kijken gaat je niet helpen, voelen wel. Concentreer je op mijn stem en het gevoel in je lijf. Als het helpt, stel je dan voor dat je in het pikkedonker in mijn richting kruipt.”

Hij sloot zijn ogen en deed precies wat ze zei. Nu zijn ogen en zijn lijf elkaar niet langer tegenspraken was het inderdaad veel makkelijker. Zonder al teveel moeite kroop hij de richting van haar stem. Hij voelde zijn handen tegen zijn hoofd aanstoten en pakte zonder erbij na te denken zijn hoofd met beide handen op en drukte het stevig terug op zijn nek. Hij voelde zijn hoofd en lijf weer aan elkaar groeien.

Voorzichtig liet hij zijn hoofd los. Het bleef keurig aan zijn nek zitten, alsof het nooit los was geweest. Hij draaide zijn hoofd van links naar rechts. Ook dat ging zonder problemen. Hij ging stevig op de grond zitten en deed zijn ogen open. Alles zag er normaal uit. Het bos, de lucht, de bomen … en op een paar passen afstand de mysterieuze vrouw met haar staf in de hand.

“Goed gedaan.” zei ze, duidelijk tevreden met zijn optreden. “De meeste mannen verliezen bij zoiets compleet hun hoofd en raken hopeloos verdwaald. Ik heb er heel wat in paniek het bos in zien verdwijnen. Nooit meer teruggezien trouwens. Maar ik ben blij dat jij jezelf weer bij elkaar hebt weten te rapen. Ik denk dat jij wel potentieel hebt.” Hij zag in zijn verbeelding hordes mannen hoofdeloos door het bos kruipen tot ze van uitputting neervielen. Dat had hem dus ook kunnen overkomen. Opgelucht haalde hij adem.


“Kom” zei de vrouw en hield haar vrije hand naar hem uit, “sta op en loop met me mee. Ik zal je naar het water brengen.” Ze hielp hem overeind en hij liep naast haar het bos in. Na een paar wendingen van het pad zag hij inderdaad het licht weer en de schittering van het water. Hij verwachte half dat het water weer uit het zicht zou verdwijnen en was dan ook blij om te zien dat de waterkant ditmaal snel dichterbij kwam. Na een korte wandeling stond hij naast de vrouw op een zandstrandje aan de rand van klein meertje, midden in het bos.

“Welkom bij mijn meer”, zei de vrouw. “Vanaf hier kan je zelf je weg verder vinden. Maar voor ik je laat gaan, heb je nu begrepen wat er aan de hand was?” Ze keek hem aan, haar donkere ogen strak op de zijne gericht.

Hij dacht na. Haar vraag was een test en hij vermoedde dat ze een fout antwoord niet zou tolereren. Hij wist niet wat ze van plan was maar hij had gezien wat ze met haar staf kon doen. Goed nadenken dus. Wat had hij zojuist allemaal meegemaakt? Ineens wist hij het. “Ik had mijn hoofd achterstevoren op mijn nek staan.” Hij keek haar aan. “Ik keek naar voren maar liep achteruit.”

Ze lachte hem toe. “Inderdaad. Of je liep vooruit maar keek naar achteren. Ik hoop dat je dit niet meer zal vergeten: als je je vasthoudt aan waar je vandaan komt bereik je nooit waar je heen wilt. Houdt je blik dus in lijn met de richting die je uit wilt. Dan wijst de weg zich vanzelf.”

Dat klonk inderdaad nogal logisch. Hij knikte dat hij haar begrepen had. Nog wel wat voorzichtig – zijn hoofd had net nog naast hem op de grond gelegen dus hij wilde geen onnodig risico nemen.

Tegelijk met de vrouw draaide hij zich weer naar het meertje en bewonderde de aanblik van het rimpelende water en het zonlicht dat met de golfjes speelde.

©Bard 2020