Ik Worstel Met Mijn Culturele Erfgoed

Het lijkt een onvermijdelijke waarheid dat wij gedefinieerd worden door waar we vandaan komen: ons land, onze stad, onze religie, onze opvoeding, onze cultuur… Zoveel krachten vormen en beperken ons, kneden en bewerken ons, verfijnen en versterken ons, dat ik me soms afvraag of er iemand is die kan zeggen dat ze werkelijk zichzelf zijn: echt hun eigen individuele zelf, in plaats van een mengelmoes van alles dat ons met de paplepel werd ingegeven vanaf het moment dat we geboren werden. Misschien is wat we ons ‘zelf’ noemen niet meer dan het zichtbare bijproduct van gedachten, overtuigingen, en gedragingen die drijven op het koor van stemmen uit ons verleden – niet iets dat we kunnen claimen als ons eigen, maar iets dat ons claimt voor zichzelf en haar gevoel van identiteit. “Je bent wat wij van je gemaakt hebben” lijken de stemmen uit het verleden te zeggen, “je kan je culturele erfgoed niet ontsnappen.”

En daarin schuilt voor mij een dilemma, een worsteling die steeds meer naar de voorgrond treedt naarmate ik me geroepen voel om mijn eigen stem te vinden; een stem die authentiek voelt; een stem waar ik trouw aan kan zijn omdat het voelt als de stem die ik zou kiezen als ik vanaf het begin mijn eigen identiteit had kunnen scheppen. Ik zoek al jaren naar die ene ware stem van binnen door systematisch alle invloeden te isoleren die ik met zekerheid kon aanwijzen als komend van buiten mijzelf, die te bestuderen, en te besluiten welk deel van die invloeden ik me toe aangetrokken voelde, of juist geen deel meer van wilde zijn. Mijn hoop is altijd geweest dat door het verwijderen van alles waar ik me bezwaard door voelde, alles dat niet volledig juist en passend voelde, ik uiteindelijk die delen zou overhouden die mij compleet juist en eigen voelden: mijn eigen ware en authentieke stem.

Maar is dat wel mogelijk? Zijn de voorkeuren die mij leiden in het kiezen van wat ‘waar’ voelt net zo goed een product van al die stemmen uit het verleden als de stemmen waar ik uit probeer te kiezen. Kan ik mijn keuzes wel als mijn eigen keuzes beschouwen?

En waarom zou ik me daar druk over maken?

Wat is er mis met het loslaten van dat ongrijpbare ‘ware’ zelf waar ik naar zoek en gewoon de zelf accepteren die is me is meegegeven? Wat is er mis met een product zijn van mijn verleden, mijn opvoeding, mijn cultuur, en mijn geschiedenis? Waarom zou ik niet gewoon tevreden zijn met de verzamelde wijsheid en ervaring van alle generaties die voor mij kwamen; de ontelbare mannen en vrouwen die leefden, worstelden, en stierven zodat ik op een dag geboren kon worden en zijn wie ik nu ben? Ben ik niet ondankbaar en zelfzuchtig door het anders te willen?

Dat is mogelijk. Misschien zit er waarde in het gewoon accepteren van de wijsheid van het verleden en het collectieve geheugen van mijn voorouders en de cultuur waarin ik ben opgegroeid. Misschien kan ik beter mijn obsessie met een individu zijn loslaten, mijn ego accepteren voor wat het is, en meegaan met de stroom van mijn sociale omgeving.

Maar … en daarin zit voor mij de worsteling … mijn culturele erfgoed is een mengelmoes van grote daden en vreselijke misdaden, helden en schurken, wijzen en dwazen, verdiensten en kwaadaardigheid, hebzucht en gulheid, engelen en demonen, alles dooreen geweven tot een ingewikkeld tapijt van tegenstellingen, onverenigbare aannames en twijfelachtige zekerheden die ik zie als ik naar ‘mijn’ cultuur kijk.

Symbool van grootsheid en genialiteit, of van wreedheid en onderdrukking? Of misschien van allebei?
Symbool van grootsheid en genialiteit, of van wreedheid en onderdrukking? Of misschien van allebei?

Wordt ik dan geacht gedachtenloos alles van dit erfgoed te accepteren? Moet ik de vreselijk daden van de schurken uit onze geschiedenis toejuichen en ze helden noemen omdat dat is hoe ze gezien werden door geschiedschrijvers uit vroeger tijden? Moet ik onvoorwaardelijk trots zijn op mij land’s vroegere prestaties en verzamelde welvaart, ook als ik weet dat deze prestaties ongekend en amper voorstelbaar leed hebben veroorzaakt aan miljoenen arme zielen die de pech hadden aan de verkeerde kant van de geschiedenis geboren te worden? Wordt ik geacht mijn cultuur’s zelfingenomenheid en zelfverheerlijking over te nemen, ook als een snelle blik op de feiten laat zien dat er evenveel fout is als goed aan onze waarden en gebruiken, evenveel gestolen en toegeëigend als werkelijk zelf voortgebracht door onze eigen voorouders?

Ik denk het niet.

Ik denk dat het volmaakt redelijk is dat een individu kijkt naar zijn of haar cultuur en geschiedenis, dat mengsel van goed en slecht kritisch onderzoekt, en dan persoonlijke keuzes maakt over wat te behouden en waar afstand van te nemen. Dat zou niet alleen moeten worden toegestaan, het zou actief moeten worden aangemoedigd, zodat onze cultuur kan leren zichzelf te verbeteren door de bewuste keuzes die haar leden maken geleid door hun geweten.

Maar zo werkt het niet helemaal. Toch?

In werkelijkheid worden leden van een cultuur (of dat een team is, een bedrijf, gebied, land, etnische groep, of zelfs een werelddeel), zodra ze openlijk kanttekeningen durven te plaatsen bij de historische daden en impliciet aangenomen superioriteit van die cultuur, onvermijdelijk geconfronteerd met felle tegenstand van hun mede cultuurgenoten. Simpelweg door niet blindelings alles te accepteren wat hun cultuur bevat, lijkt het, plaatsen zij zichzelf zo niet geheel buiten dan toch zeker aan de buitenrand van die cultuur. En vanaf die rand is het maar een kleine stap om geheel te worden uitgestoten en verbannen. Blijkbaar hebben wij – als soort – zoveel behoefte aan een collectieve identiteit waar we ons deel van kunnen voelen dat zelfs de simpele daad van vragen stellen over iets dat met die identiteit te maken heeft al aanvoelt als een aanval op ons leven. Om onze collectieve identiteit te beschermen moet de twijfelaar tot buitenstaander gemaakt worden, en vervolgens verontmenselijkt, tot “de ander” gemaakt, gekleineerd, en duidelijk gemaakt worden dat ze het niet verdienen deel te zijn van de culturele identiteit die ons sterk, veilig en bijzonder doet voelen.

Ik denk dat ik die instinctieve reactie die dit felle defensieve gedrag aanstuurt wel begrijp. En ik wil ook mensen niet onnodig tegen me in het harnas jagen of er de oorzaak van zijn dat ze zich minder veilig en minder bijzonder voelen. En ik wil ook oprecht de goede dingen die mijn culturele erfgoed te bieden heeft bewonderen; de heroïsche daden uit het verleden erkennen, de offers die onze voorouders brachten, de overwinningen, en de pure wilskracht en vastberadenheid om te overleven en de floreren. Ik wil leren van en leunen op de wijze en heilige mannen en vrouwen die hun cultuur boven het puur materiële en dagelijkse uittilden en ons wetenschap, filosofie, spiritualiteit en moraliteit brachten.

Maar het schijnt dat men de zegeningen van zijn verleden niet kan ontvangen zonder ook haar smetten aan te nemen. Als ik moet geloven wat er in de culturele debatten om me heen beweerd wordt, kan je – cultureel gezien – niet selecteren en kiezen. Je bent met ons of tegen ons. Elke poging tot onderscheidingsvermogen, tot het stellen van vragen, tot het wijzen op de duistere kanten van onze cultuur maakt automatisch ons lidmaatschap van die cultuur ongeldig. Door mijn pogingen selectief te zijn heb ik blijkbaar het recht verloren op een plaats binnen in die cirkel.

Ik ben ook een mens. Ik wil net zo goed trots zijn op alle krachten die me gevormd hebben en me gebracht hebben waar ik nu ben. Ik will ook dankbaarheid en respect tonen jegens de ontelbare generaties die leefden, leden, en stierven zodat ik mijn moment onder de zon kan beleven. Maar ik kan dat niet onvoorwaardelijk en ik kan niet stomweg de duisternis die er ook is negeren. En dus worstel ik met mijn culturele erfgoed: er deel van willen zijn, ervan leren en voordeel van hebben, maar blijkbaar door die cultuur zelf gedoemd te zijn er buiten te staan omdat ik het lef heb er kritische kanttekeningen bij te plaatsen.

Maar als er een ding is dat ik zeker weet is dat ik nooit zal stoppen met vragen stellen.

Het Trauma van Zelf-Bewustzijn

Wij zijn als mensen nogal trots op ons zelf-bewustzijn: op ons vermogen onze eigen gedachten en acties gade te slaan alsof we er van buitenaf naar kijken; op de wijze waarop wij die waarnemingen in taal en abstracte concepten kunnen uitdrukken die we vervolgens kunnen manipuleren, verwoorden, en delen. Wij beschouwen dit als typisch menselijke vaardigheden, en een van de dingen die ons anders maakt dan andere diersoorten. Maar maakt het feit dat ons soort zelf-bewustzijn uniek is het ook automatisch iets dat goed voor ons is?

Hoe zou het geweest zijn om te leven als een net niet menselijke hominide? Nog niet in staat om te spreken; om complexe abstracte gedachten en ideeën met soortgenoten te delen; om de band met elkaar te versterken door verhalen te vertellen en te luisteren naar de verhalen van anderen; om ver voorbij de nabije toekomst te kunnen plannen en zich dingen voor te stellen die niet bestaan maar zo echt lijken dat je ze in afbeeldingen tot leven kan laten komen op wanden, vloeren en plafonds van grotten en heilige plaatsen?

Er moet een periode zijn geweest waarin onze voorouders de eerste aarzelende versies van de eigenschappen ontwikkelden die we nu als fundamenteel menselijk beschouwen, maar nog niet ver genoeg ontwikkeld om de stap te maken van zeer slim dier naar beginnend mens. Er moet een ontluikend bewustzijn in die vroege hersenen geweest zijn dat zich uitstrekte voorbij het nabije naar het verre: ver in tijd, in plaats, in abstractie, in werkelijkheid. Een moment waarop een individu niet slechts iets waarnam buiten haarzelf en erop reageerde, maar haarzelf kon observeren tijdens het waarnemen, en zich bewust werd van haarzelf als de waarneemster, naast en buiten datgene wat er werd waargenomen.

Stel je die overgang voor: het ene moment is slechts één wereld, waargenomen door maar niet apart van de waarnemer, de werkelijkheid ervaren als een verlengde van een zelf dat daar binnenin beweegt maar er niet buiten staat; het volgende moment splitst de werkelijkheid zich in tweeën, in de waarnemer en wat wordt waargenomen, en zijn er ineens twee dingen in de wereld, gerelateerd maar niet hetzelfde, onafscheidelijk verbonden maar niet een eenheid. Dat moment waarop de eerste van onze verre voorouders zich afgescheiden voelde van de werkelijkheid waar ze even daarvoor nog een deel van was moet een angstwekkend en eenzaam moment geweest zijn. Niet alleen vond ze zichzelf afgescheiden, ze moet ook niemand anders gehad hebben, aangezien ze de eerste was die die grens overschreed, om haar ervaringen mee te delen; en niemand die haar kon troosten en zeggen dat het allemaal goed zou komen.

Ik vraag me af of die eerste momenten van zelf-bewustzijn kwamen en gingen als de eerste aarzelende vlammetjes in een beginnende bosbrand – kleine vonkjes van bewustwording, maar kort en vluchtig, bijna direct weer weggedrukt in het onderbewuste – of dat het zelf-bewustzijn, toen die deur eenmaal openging, binnen kwam stromen als een vloedgolf tijdens een overstroming nadat de dijk het begaf onder de druk van het stijgende water. Maar hoe langzaam of snel het ook verscheen, zelf-bewustzijn werd uiteindelijk een vaste eigenschap van onze vroege voorouders en werd daarmee de bron van onze grootste prestaties, maar ook van ons diepste lijden.

Zelf-bewustzijn creëert afscheiding, en afscheiding creëert angst en verlangen. Het doet een angst ontstaan voor een wereld die apart is van onszelf en niet vertrouwd kan worden zich niet tegen ons te zullen keren. Angst dat een wereld die separaat van ons is ons wellicht niet nodig heeft, en zelfstandig voort kan gaan, een toekomst tegemoet waar wij geen deel van zijn. Omdat die wereld niet één is met ons kan, en zal, zij ons op een dag vernietigen. Tegelijkertijd creëert ons zelf-bewustzijn een verlangen on onze wil op te leggen aan die wereld die niet onszelf is. Verlangen om te scheppen, vorm te geven en te vernietigen, om onszelf te laten zien dat we macht hebben over de afgescheiden werkelijkheid, over dat ‘iets’ dat zich buiten ons bevindt. Het mag dan niet onszelf zijn, maar we kunnen het wel buigen naar onze verlangens.

Zolang we vast blijven zitten in de dualiteit van ons/niet-ons waar het zelf-bewustzijn ons in verstrikt heeft zullen we slaaf blijven van die constante strijd tussen angst en verlangen. Aan de ene kant zetten we onszelf gedurfde, ambitieuze doelen – uitdagingen die we zelf bepalen, en waarvan verwachten geluk te vinden als het ons lukt die doelen te bereiken; aan de andere kant vrezen we voortdurend dat we vroeger of later zullen falen. We weten, diep van binnen, dat er geen permanente overwinningen zijn, en dat de externe wereld waar we ons van hebben afgescheiden door ons zelf-bewustzijn op een dag terug zal komen om ons op te eisen, om ons te absorberen, en alle sporen uit te wissen dat wij er ooit geweest zijn. Geen van onze glorieuze prestaties zal ons ooit dat definitieve geluk brengen waar we zo naar smachten. Omdat we weten dat we de werkelijkheid niet voor altijd kunnen weg-presteren.

Evolutie moet zelf-bewustzijn hebben aangemoedigd omdat het een fysiek zwakke en kwetsbare diersoort in staat heeft gesteld de wereld over te nemen en te domineren op een manier die geen enkel andere gewervelde diersoort voor elkaar heeft gekregen. Misschien stelde zelf-bewustzijn ons in staat sneller te leren, en flexibeler te zijn in tijden van verandering. Misschien was het de combinatie van zelf-bewustzijn en taal, die ons niet alleen individueel beter liet leren, maar ons ook in staat stelde wat we leerden uit te vergroten tot ver voorbij de eigen stam en over vele generaties. Maar evolutionair succes betekent niet automatisch dat het goed voor ons is, als individuen. Ons DNA geeft niets om onze pijnen. Als het aan ons DNA lag zouden we gewoon doorgaan met lijden, zolang dat ons DNA maar helpt om meer en meer kopieën van zichzelf te maken.

Dus is het wellicht tijd om onszelf een nieuw doel te stellen: om ons te richten op een prestatie die alle andere prestaties zal overtreffen. Misschien is het tijd om datzelfde zelf-bewustzijn dat ons zoveel strijd en lijden brengt te gebruiken om ons boven de door haar veroorzaakte scheiding te tillen. Misschien is dat wel wat verlichting is: de eerste tekenen dat sommigen van ons een bewustzijn ervaren dat verder gaat dan wat wij gewoonlijk ervaren, een bewustzijn dat zich verheft boven de dualiteit die ons zelf-bewustzijn gecreëerd heeft.

Zelf-bewustzijn gebruiken om aan de duisternis die het zelf veroorzaakt te ontsnappen
Zelf-bewustzijn gebruiken om aan de duisternis die het zelf veroorzaakt te ontsnappen

Misschien zullen onze verre nazaten terugkijken en zich afvragen hoe het geweest moet zijn om een van de eerste individuen te zijn die zo’n ervaring meemaakte. Misschien zullen zij het moeilijk vinden om te begrijpen hoe het voelde om vast te zitten in een pre-verlichting staat van bewustzijn maar toch korte momenten te ervaren van een bewustzijn dat daaraan voorbij gaat.

Laten we het hopen.

De Illusie van Vooruitgang

Wij mensen hebben geen precieze kijk op hoe het verleden werkelijk was en evenmin kunnen wij erg ver voorbij onze eigen tijd de toekomst voorzien. Wanneer wij beweren dat we vooruitgang boeken, aan welk verleden meten wij die vooruitgang dan, en welke toekomst creëeren wij met de verbeteringen die we denken aan te moeten brengen?

Het is moeilijk met enige zekerheid iets over de menselijke geschiedenis van meer dan een paar generaties geleden te zeggen. Mensen hebben altijd gebruik gemaakt van vormen van mondelinge overlevering – zoals ballades, verhalen, mythes, en gedichten – om hun geschiedenis door te geven. Helaas zijn die vormen niet statisch, maar veranderen mee met de veranderingen in de mensen die deze vormen in leven houden. Met het veranderen van onze culturen veranderen ook onze ideeën over onze geschiedenis en veel van de oorspronkelijke inhoud raakt ondergesneeuwd onder lagen van her-interpretatie, vermengd met verhalen geleend van andere culturen waarmee we in aanraking komen, of zelfs compleet vergeten omdat latere generaties de relevantie van de oude verhalen voor hun moderne leven zijn kwijtgeraakt. Met de uitvinding van het schrift werd er weliswaar meer van het originele materiaal vastgelegd en in de oorspronkelijke vorm bewaard, maar dat stopte niet het hervertellen en aanpassen van het culturele verhaal. Dat ging hooguit wat langzamer, en door het schrift kon dat verhaal zich nog verder en dieper verspreiden, maar onze collectieve herinneringen aan ons diepere verleden zijn hierdoor nauwelijks verbeterd. En hoe sneller onze culturen veranderen, hoe sneller onze ware geschiedenis aan ons bewustzijn ontsnapt.

Vanuit een verleden dat we ons niet meer kunnen herinneren....
Vanuit een verleden dat we ons niet meer kunnen herinneren….

En dat is jammer.

Door dit voortdurende hervertellen van onze geschiedenis hebben we maar zeer beperkt toegang tot hoe het was om te leven in de tijden die achter ons liggen. We vervangen voortdurend ons werkelijke verleden met een verzonnen versie ervan: een fictieve versie die meer mythisch dan feitelijk is, meer symbolisch dan historisch, meer fantasie dan herinnering. Deze geleidelijke vervanging van onze ware geschiedenis met een fictieve her-interpretatie veroorzaakt een vreemd soort collectieve kortzichtigheid: we verbeelden zowel ons verleden als onze toekomst in versimpelde termen en drastisch verkortte tijdsspannes. Wanneer we dan onze vooruitgang meten, doen we dat tegen een gereduceerd en grotendeels verzonnen verleden, en projecteren het vooruit naar een korte, lineaire toekomst. Wat we daardoor niet zien zijn de geleidelijke, diepe veranderingen die onze huidige situatie tot stand brachten en evenmin zien we hoe korte-termijn, directe acties en oplossingen die situatie op de lange termijn veel slechter zouden kunnen maken, zelfs als het erop lijkt dat we in het hier en nu iets verbeteren . Vanwege ons beperkt bewustzijn van hoe het verleden werkelijk was kunnen we onszelf wijsmaken dat we vooruitgang boeken waar we in werkelijkheid wellicht amper aan het herstellen zijn van de schade die onze vorige ‘vooruitgang’ onze wereld heeft aangedaan, en misschien nog ver achter liggen ten opzichte van de positieve kwaliteiten die het leven in vroegere tijden mooi en zinvol maakten. Maar we kunnen ook de vergissing maken te verlangen naar een verzonnen eenvoudiger en gelukkiger verleden en door ons aan die illusie vast te klampen ware vooruitgang onmogelijk maken, of door een nooit bestaan verleden te proberen te herstellen het ontstaan van een mooiere toekomst belemmeren.

... naar een toekomst die we niet aan zagen komen.
… naar een toekomst die we niet aan zagen komen.

Als we zeker willen zijn dat verbeteringen en oplossingen voor de problemen van vandaag werkelijk vooruitgang betekenen, en niet een voor de hand liggend instant lapmiddel dat de oorzaak zal zijn van nieuwe toekomstige kwalen, moeten we leren het onderscheid te maken tussen werkelijke vooruitgang en tijdelijke opluchting. We moeten vooruitgang leren zien in het perspectief van lange termijn consequenties, en verbeteringen als iets dat alleen gemeten kan worden over langere tijdspannes. We moeten ons verre verleden herontdekken, en daarmee de lessen die we daaruit kunnen leren. We moeten ophouden het verleden te over-simplificeren: ofwel als een aards paradijs dat we zijn kwijtgeraakt door te vervallen in duisternis, geweld, en lijden, en dat alleen maar erger zou worden zonder de macht van wetten, gezag, religie, normen en principes; of als een rauwe, primitieve strijd voor het bestaan waar we ons pas recentelijk aan ontworsteld hebben door de macht van de verlichting, ratio, wetenschap, en technologie. We moeten onder ogen zien dat het verleden hoogstwaarschijnlijk nooit zo eenvoudig en rechtlijnig was, maar veel meer een complexe mengeling van geluk en wanhoop, lijden en zaligheid, vooruitgang en verval, orde en chaos, oorlog en vrede, alles tegelijk en voortgedreven op stromingen en tijdspannes die veel langer en ingewikkelder zijn dan onze eenvoudige verhalen kunnen weergeven.

Laat ons daarom leren zowel ons verre verleden te hervinden als onze verre toekomst te overwegen, beiden tegelijk. Laat ons proberen vooruitgang te meten niet simpelweg als een verbetering ten opzichte van onze huidige problemen, maar als een poging om het beste uit ons verleden samen te brengen met het beste voor onze toekomst. Misschien, als we kunnen leren uit de dwang van ons plaatselijke korte moment te stappen, kunnen we de tijd leren zien als een lange, ononderbroken stroom vanuit het verleden naar de toekomst, even vol met waardevolle ervaringen en kennis als ze vol is met nog onvervuld maar reëel potentieel. Misschien ontdekken we dan hoe we toekomst en verleden bij elkaar kunnen brengen, er een deel van kunnen worden, ermee te dansen, in plaats van ze constant te scheiden en in stukken en brokken te snijden, in onze verwoede pogingen de wereld te dwingen te voldoen aan onze onvolledige en gebrekkige ficties.

Het ‘Profiteurs’ Probleem

Als het onderwerp van hulp bieden aan de minder fortuinlijken en minder bedeelden ter sprake komt is er vrijwel altijd wel iemand die het ‘profiteurs’ probleem ter tafel brengt: dat er mensen zijn die misbruik maken van zulke hulp en er onverdiend van profiteren, ten koste van diegenen die de hulp aanbieden. Ik wil niet ontkennen dat zulke mensen bestaan en dat zij een belemmering vormen voor mensen die oprecht hulp willen bieden aan mensen die dat nodig hebben. Maar is dat werkelijk een reden om zulke hulp dan maar helemaal niet aan te bieden? En misschien is het nog belangrijker om een moment stil te staan bij de vraag of de mensen die misbruik maken van de hulp van mensen die het beter hebben dan zij de enige ‘profiteurs’ zijn in deze vergelijking, en of we ons wel zorgen maken over de juiste profiteurs.

Ik geloof dat de meeste mensen goed willen zijn en goed willen doen. En dat de meeste mensen hulp willen bieden aan mensen in nood. Er is voldoende bewijs dat het helpen van anderen meer is dan alleen een cultureel gebod – een aangeleerd gedrag – maar een veel dieper, haast instinctief gedrag, genetisch in ons geprogrammeerd omdat het goed is voor het overleven van de mens als soort. Toch zien we om ons heen veel mensen in nood, velen die geen hulp krijgen, en veel welgestelden die hun welvaart niet echt vrijelijk delen met anderen. Waarom?

Een van de verklaringen die vaak gegeven wordt is dat het helpen van anderen gegarandeerd leidt tot misbruikt worden. Of de hulp nu komt van individuen of van een collectief (zoals de staat), zo gaat deze redenering, mensen zullen altijd misbruik maken van alles wat ze te makkelijk gegeven wordt, en er onterecht van profiteren, ten koste van de de gulle gevers. Dit wordt ook wel het ‘profiteurs’ probleem genoemd, en gebruikt om te beargumenteren dat we niet zomaar hulp kunnen bieden aan mensen in minder fortuinlijke omstandigheden.

Profiteurs zijn niet te vermijden, wordt er beweerd, en zouden profiteren van de zuurverdiende welvaart van andere mensen, zonder zelf iets bij te dragen of ervoor terug te geven. Het is vanwege deze profiteurs dat we niet van hardwerkende mensen kunnen verwachten dat ze hun welvaart zomaar met iedereen zouden delen: dat zou oneerlijk zijn. In plaats daarvan moeten we zeer voorzichtig zijn met hulp verlenen, en er voor zorgen dat de ontvangers duidelijk voelen dat ze op geen enkele wijze recht hebben op die hulp, zich schuldig zouden moeten voelen dat ze het nodig hebben, en op die manier actief worden ontmoedigd om erom te vragen.

Het droeve feit is dat deze redenering geen onderscheid maakt tussen mensen die gewoon hulp nodig hebben; die in moeilijkheden zitten zonder daar iets aan te kunnen doen; die eenvoudigweg aan het kortste eind trokken in de loterij van het noodlot; en de – naar mijn idee – minderheid die liever misbruikt maakt van de naïviteit en goedheid van andere mensen dan zelfs maar halfslachtig te proberen zelf iets van hun leven te maken. En dus wordt er geen hulp gegeven, vanwege een generalisatie die zwaar onrecht doet aan een grote groep mensen.

Maar er ligt nog een andere aanname onder het profiteurs probleem en de manier waarop het gebruikt wordt om hulp aan minder bedeelden te ontmoedigen. En dat is de aanname dat het altijd de zwakkeren zijn die proberen te profiteren van de sterkeren, de armen van de rijken, de zieken van de gezonden. Het is tenslotte toch zo dat de zwakkeren nodig hebben wat de sterkeren in ruime mate voorhanden hebben, dus zijn de zwakkeren de enige die voordeel kunnen ontlenen aan deze fundamentele ongelijkheid.

Dat is een gevaarlijke aanname, en een denkfout.

Gevaarlijk omdat het hulpbehoevenden niet alleen afschildert als zwak maar ook nog als afgunstig. Ze zijn niet alleen behoeftig, ze zijn ook hebberig – en begeren zaken die ze niet verdiend hebben. Een denkfout omdat in werkelijkheid de richting van het misbruik net zo makkelijk de andere kant op kan zijn. Het is makkelijker voor de rijken om de armen te benadelen dan andersom; makkelijker voor de gezonden om te profiteren van de zieken; en makkelijker voor de machtigen om de machtelozen te onderdrukken en zwak te houden.

Er zijn minstens evenveel, zo niet meer – omdat het makkelijker is – profiteurs onder de beter bedeelden dan onder degenen die behoeftig zijn. Mensen die misbruik maken van de tegenspoed van anderen; slavenhouders die zich verrijken aan het lijden van mensen die hun vrijheid niet kunnen verdedigen; industriëlen die de werkende massa’s dwingen om akelige, lange uren te zwoegen in gevaarlijke, lichtloze fabrieken, omdat die mensen geen andere bron van inkomsten hebben; farmaceutische bedrijven die enorme winsten onttrekken aan mensen die wanhopig zoeken naar genezing; banken die profiteren van mensen die zijn getroffen door natuurrampen of economische achteruitgang; … de lijst gaat maar door. En denk niet dat ik slechts praat over een kleine groep van kwaadwillige mensen die we zouden kunnen nawijzen en beschimpen om hun hebzucht en gierigheid. Als we een eerlijke blik op onszelf werpen, onze Westerse beschaving, onze welvaart en relatieve overmacht, hoeveel van wat we tegenwoordig beschouwen als ons geboorterecht en het product van het harde werk en de gewiekstheid van onze voorouders was in werkelijkheid gestolen, onder dreiging van geweld of erger, van mensen die zich niet konden verdedigen?

En daarom zijn hier mijn drie redenen om het profiteurs probleem te verwerpen als een reden om hulp aan mensen die het nodig hebben te beperken of te stoppen:

  1. Psychologisch, wanneer je de angst voor tekorten en gebrek aan macht kan overwinnen, is er meer geluk te vinden in geven dan in ontvangen of vergaren. Door je aan je eigen weelde vast te klampen misgun je jezelf een kans om dat geluk te ervaren;
  2. Onder de mensen die hulp zoeken heeft de meerderheid echt hulp nodig, en is slechts de minderheid een pure profiteur. De meeste mensen vinden het helemaal niet prettig om om hulp te vragen, en zullen lang aarzelen om daartoe over te gaan, tenzij ze voelen dat ze geen andere keuze hebben. Door zonder onderscheid iedereen die om hulp vraagt af te doen als een profiteur doe je vrijwel iedereen onrecht aan, niet alleen door niet te helpen, maar door hun geestelijk lijden nog te verergeren met de last van zich hulpeloos en ongewenst voelen;
  3. Als je deel bent van de rijke bovenlaag in onze samenleving, ben je waarschijnlijk zelf een profiteur, en maakt op oneerlijke wijze misbruik van vele mensen in de rest van de wereld; mensen die worden uitgebuit en onderdrukt om jou te voorzien van de weelde en luxe waarmee jij je zo makkelijk omringt. Je doet dat waarschijnlijk niet eens met opzet, en bent wellicht in principe tegen zulke praktijken, maar omdat onze maatschappij op deze praktijken gebaseerd is en jij deel bent van haar systemen, heb je er wel degelijk profijt van, en dus ben je impliciet medeplichtig. Dus is het minste dat je doen kan meer van dat profijt te delen met meer mensen in nood. Daarmee help je dit oneerlijke voordeel te verminderen en ten minste een deel van de pijn en het lijden dat dit voordeel veroorzaakt te verzachten.
Sharing can be messy, but it's much more fun.
Sharing can be messy, but it’s much more fun.

1

En dat, beste lezers, is mijn afscheidsmotto voor dit jaar: durf om mensen te geven en aan mensen te geven. Daar wordt de hele wereld beter van.

  1. (Image by Kathy on Flickr – published under the Creative Commons Attribution-Share Alike 2.0 Generic license)

Over Succes

Of het nu wel of niet verdiend is, succes is geen objectief meetbare toestand. Het is een constructie van de menselijke geest, en wordt alleen ervaren door iemands huidige omstandigheden te vergelijken met een mentaal model van hoe succes er uitziet. Een manier om succes te bereiken is door te proberen dat model te evenaren of te overtreffen. Een andere manier zou zijn het model aan te passen om het meer op de werkelijkheid van vandaag te laten aansluiten.

Ik heb diverse reacties ontvangen op mijn vorige blog over geluk. Sommige steunden mijn hoofd-stelling dat succes meer geluk dan verdienste is; anderen wezen erop dat kansen krijgen alleen niet voldoende is: zonder voorbereiding, vaardigheden, en hard werk worden kansen makkelijk gemist of verspeeld. En er was ook de opvatting dat een mens zijn/haar eigen geluk creëert: dat geluk op de een of andere manier beïnvloed wordt door de houding of acties van het individu, en niet slechts het willekeurige effect is van een mechanisch, ongeïnteresseerd universum.

Ik ben het niet oneens met de opvatting dat kansen alleen geen garantie zijn voor succes. Een kans is het potentieel, een mogelijkheid, die je door hard werken en toewijding tot realiteit kan maken. Met andere woorden: er is verdienste in het ten volle benutten van de kansen die zich aandienen – dat deel van succes kan als verdiend beschouwd worden. Maar maken wij werkelijk ons eigen geluk? Geeft Vrouwe Fortuna werkelijk de voorkeur aan de dapperen en beter voorbereidden onder ons? Of is dat het verhaal dat we onszelf vertellen om ons het gevoel te geven dat we toch iets van macht hebben over wat ons toevalt?

Natuurlijk is het fijn om te horen dat je je succes aan jezelf te danken hebt. Dat is een prettig compliment om te ontvangen en ik weet ook dat de mensen die me dat vertelden het echt menen, en dat stel ik zeer op prijs. Maar er zit een keerzijde aan dit compliment, een onuitgesproken implicatie (die Jos in haar commentaar benoemd) waar wij ons bewust van moeten zijn en voorzichtig mee moeten omgaan, omdat het voor veel mensen een onbedoelde bron van lijden blijkt te zijn. Ik heb het hier over het idee dat als succes verdiend is het uitblijven van succes dat ook is. Wat zou betekenen dat de miljoenen mensen die geen succes hebben (tegen welke maatstaf – maar daar kom ik nog op terug) dat gewoon aan zichzelf te danken hebben.

Dat voelt voor mij niet juist, en ik geloof ook niet dat dit het geval is. Deze opvatting leidt ook gemakkelijk tot een gevoel van het ‘recht hebben op’ succes in succesvolle mensen dat in de weg kan staan van hun empathie en compassie met de minder fortuinlijke mensen in de wereld. Het is dit ‘entitlement’ effect, denk ik zelf, dat een op zich inspirerend bedoeld concept als ‘the American Dream’ in een duistere nachtmerrie kan veranderen voor diegenen die er geheel buiten hun eigen schuld niet aan mee kunnen doen.

Het eerste punt dat ik dus hier wil maken is alle succesvolle mensen ertoe aan te sporen van tijd tot tijd stil te staan bij het ongelofelijke geluk dat ons gebracht heeft waar we nu zijn; ons gevoel van recht hebben op succes en tevreden zijn met onszelf iets te temperen; en te realiseren dat er niet zo heel veel afstand is tussen succes en falen als we vaak denken. “There, but for the Grace of God, go I” zeggen ze in het Engels, en – ook als je niet in God gelooft – kan het geen kwaad om dat af en toe toe overdenken.

Maar wat moeten al die mensen die geen succes hebben dan doen? De mensen die vinden dat ze gefaald hebben. Die blijven zitten met de slechte hand die het Lot ze heeft toebedeeld? Ik denk niet dat het die mensen veel helpt om zichzelf te vertellen dat het succes dat ze bij anderen zien onverdiend is. Integendeel: niet alleen maakt ze dat niet minder ontevreden met zichzelf, het kan gemakkelijk leiden tot bitterheid en afgunst ten opzichte van de succesvolle mensen om hen heen.

Voor al die mensen die voelen dat ze onsuccesvol zijn, overweeg eerst het volgende: welke maatstaf hanteer jij om te bepalen dat je geen succes hebt? Succes is geen absolute toestand, met duidelijke en onveranderlijke criteria; waar succes uit bestaat hangt af van welke definitie je hanteert, en die definitie verschilt per persoon.

Succes is subjectief en ook nog eens zeer beïnvloedbaar door de mensen om ons heen. We zijn geneigd om onze eigen situatie te vergelijken met die van andere mensen en dan te gaan wensen dat wij ook ‘krijgen’ wat zij blijkbaar ‘hebben’.

En dat is waar we onszelf onbedoeld veel onnodig lijden aandoen.

Om te beginnen: wat andere mensen hebben is misschien niet het beste model om ons eigen succes aan af te meten. Daardoor laten we ons misschien verleiden door iets dat eigenlijk niet geschikt is voor ons, en niet past bij onze omstandigheden en mogelijkheden. We richten ons misschien op iets dat – mochten we het werkelijk bereiken – ons niet gelukkig maakt of voldaan laat voelen. We kunnen ons ook vergissen in de aard van het succes van anderen, en iets als voorbeeld nemen dat niet echt bestaat. Als we dan onze tijd, energie en passie besteden aan wat we ten onrechte als succes gedefinieerd hebben, worden we vrijwel zeker teleurgesteld.

Het andere nadeel van het kijken naar andere mensen voor onze definitie van succes is dat wij de neiging hebben mensen als rolmodel te kiezen die het beter hebben dan wij. We verhogen de lat voor onze maatstaf voor succes, om vervolgens te concluderen dat we tekort schieten. En dan voelen we ons ongelukkig omdat we denken dat we hebben gefaald.

Succes bij elke maatstaf
Succes bij elke maatstaf

Zelf heb ik ondervonden dat een regelmatig kritisch beschouwen van mijn eigen definities van succes een belangrijke bijdrage kan leveren aan een meer gebalanceerd, meer bevredigend, en misschien ironisch, meer succesvol leven. Toen het me duidelijk werd dat succes iets is dat ik zelf definieer, kon ik gaan werken aan het aanpassen van mijn definities aan mijn eigen standaards, niet die van andere mensen.

Maar ook ontdekte ik dat inplaats van alleen op te kijken naar anderen, het ook belangrijk is om te kijken naar mensen die minder fortuinlijk zijn dan ik, en me te realiseren dat voor heel veel mensen veel van de dingen die ik als vanzelfsprekend beschouw het toppunt van succes zouden zijn.

Om maar iets te noemen: ik ben redelijk gezond, heb eten op tafel, een huis om in te wonen, vrienden en geliefden om me heen. En ik woon in een land dat niet in oorlog is, welvarend is, democratisch en vrij. Elk van die dingen is vrijwel zeker iemands definitie van succes.

Dus, wanneer je jezelf niet succesvol (genoeg) voelt, val allereerst niet in de valkuil van geloven dat je geen succes verdient. Succes is wispelturig en weerbarstig, soms komt het, soms komt het niet. En kijk dan ook naar hoe jij je eigen succes eigenlijk definieert; welk model je gebruikt om jezelf aan te meten en op te richten. Als dat model je pijn en teleurstelling brengt, waarom zou je het dan niet een beetje bijstellen? Laat het beter aansluiten bij de voordelen van je huidige situatie. Er zijn altijd dingen om dankbaar voor te zijn. En hoe meer je juist die dingen de standaard voor je succes kan maken, hoe meer succesvol je je zal voelen.

Over Geluk

Wij mensen zijn gauw geneigd onze successen toe te schrijven aan onze harde werk en wijze besluiten, en de elementen van toeval en omstandigheden minder zwaar te laten wegen.

Kijkend naar mijn eigen geschiedenis met al haar ups en downs zou het niet moeilijk voor me zijn – nu alles op z’n pootjes terecht is gekomen – om te denken dat het allemaal te danken is aan mijn harde werken, doorzettingsvermogen, en goede karakter, en dat ik alleen daardoor in staat geweest ben die ene kleine kans om te zetten in een succesverhaal. In werkelijkheid echter waren er natuurlijk zo veel factoren waar ik absoluut geen controle over had dat het allemaal net zo makkelijk in een compleet fiasco had kunnen eindigen. In alle bescheidenheid moet ik toegeven dat ik ongelofelijk veel geluk heb gehad en uiteindelijk ben uitgekomen waar ik nu ben door een “series of fortunate events” waar ik feitelijk zelf geen krediet voor kan claimen.

Natuurlijk kwamen hard werken en doorzettingsvermogen goed van pas om op koers te blijven toen de omstandigheden beter werden. Maar vergeleken met het toeval van toevallig op de juiste plaats op het juiste moment de juiste mensen tegen te komen, was mijn harde werk op z’n hoogst maar een klein onderdeeltje van mijn uiteindelijke succes.

Uiteraard zou ik graag zeggen “ik heb succes omdat ik het verdien”. Dat geeft me een goed gevoel over mezelf. Maar in alle eerlijkheid staat “ik heb succes omdat ik ongelofelijk veel geluk gehad heb” heel wat dichter bij de waarheid.

Een Kritische Beschouwing van de Democratie – Wat Nemen We Eigenlijk Aan?

Democratie is een belangrijk idee waarin de meeste van ons geleerd hebben te geloven. Maar waar geloven we dan eigenlijk in?

In een vorige aflevering riep ik op tot een kritische beschouwing van de moderne democratie. Niet omdat ik niet geloof in democratie als idee, maar omdat ik het gevoel heb dat we teveel berusten in een systeem dat verre van perfect is. Alleen een kritisch onderzoek kan de tekorten aan het licht brengen en – naar ik hoop – ons helpen een weg te vinden het systeem te verbeteren en te versterken.

Een manier om een door mensen ontworpen systeem te onderzoeken is te kijken naar de onderliggende aannames: de impliciete ideeën in het systeem zelf, of in the manier waarop het systeem zich manifesteert. De onderstaande lijst is een vrij willekeurige, ongeordende lijst van aannames waarvan ik geloof dat ze meestal gezien worden als vaststaand onderdeel van hoe de meeste Westerse mensen aankijken tegen de democratie. Omdat deze aannames impliciet zijn, worden ze meestal als vanzelfsprekend beschouwd, zonder er echt goed over na te denken. Ik ben er zeker van dat er nog veel meer van dergelijke aannames zijn waarop ons huidige regeringssysteem berust. Maar we moeten toch ergens beginnen.

In een democratie kiest het volk die individuen die het meest geschikt zijn om het land voor een aantal jaren te regeren.

Dat is toch het hele punt van democratische verkiezingen? Om de hele bevolking een kans te geven kritisch te kijken naar de toestand van het land, te bepalen wat voor soort regering het meest geschikt zou zijn om de huidige problemen aan te pakken en uitdagingen aan te gaan, en dan zorgvuldig die mensen te selecteren waarvan zij denken dat ze het best in staat zijn om de volgende regering te vormen.

De waarheid is, ben ik bang, veel minder rationeel en veel minder zorgvuldig. De meeste mensen, naar het schijnt, stemmen niet op kandidaten vanwege hun vaardigheden, talenten, or bewezen successen in het besturen van het land, maar baseren hun voorkeuren op veel emotionelere gronden. Ze kijken naar kandidaten om te beoordelen of ze ze sympathiek vinden, gebaseerd op wat die kandidaten in het openbaar zeggen en doen. En dat oordeel over sympathie is noodzakelijkerwijs gekleurd door de media; door de zorgvuldige orkestratie van openbare optredens en persberichten; en door het soort schandalen (geruchten daarover) die de kandidaten over elkaar kunnen afroepen.

Het probleem is dat deze manier van sympathieke kandidaten selecteren hopeloos ontoereikend is als manier om een capabele regering te kiezen. Omdat er geen directe manier is om met de kandidaten in contact te komen, of om ze in actie te zien als de spotlights niet op ze gericht zijn, zijn verkiezingen polulariteits-gedreven media circussen geworden. Publieke debatten zijn geen inhoudelijke discussies over issues, opties, en argumenten, maar een arena voor schreeuw wedstrijden en punten scoren ten koste van de tegenstander, zonder dat er enige diepgang verwacht wordt. En in plaats van van politici te verwachten dat ze serieuze, goedbedoelende, en capabele mensen zijn, worden zulke mensen door het systeem vanzelf terzijde geschoven en komen in hun plaats de publiciteit zoekende, grootse maar betekenisloze gebaren makende, media-gerichte publieksbespelers vanzelf naar boven drijven. En daardoor blijven er alleen maar mensen over die weliswaar in staat zijn genoeg stemmen te winnen om een verkiezen te winnen, maar verder maar heel weinig van waarde te bieden hebben. Objectief beschouwd zou de wijze waarop veel politici zich gedragen om verkozen te worden ze onmiddellijk moeten diskwalificeren voor een openbare functie; en de meesten zouden weinig kans hebben als zich op zo’n manier zouden gedragen tijdens de selectie procedure voor een normale baan.

Kandidaten komen uit het volk en regeren voor het volk: ze zijn zelf slechts normale burgers, met slechts een tijdelijk mandaat om te regeren. Wanneer hun tijd om is keren ze terug in de normale burgermaatschappij.

Dat is misschien ooit zo geweest, maar langzamerhand zijn de politici een beroepsgroep geworden, een klasse van mensen die politiek als hun enige carrière zien, en niet als een roeping naast of na een andere carrière. Nou zijn er wel degelijk aspecten van de politiek die een professionele opleiding vereisen om ze echt goed te begrijpen en er echt goed in the worden. Het probleem is echter dat de vorming van een klasse van beroepspolitici ertoe leidt dat deze groep zich meer verwant voelt aan elkaar dan aan de mensen die ze geacht worden te vertegenwoordigen. Iemand die nooit iets anders gedaan heeft dan politiek bedrijven is nooit blootgesteld aan het soort uitdagingen en obstakels waar ‘normale’ burgers in hun leven mee geconfronteerd worden. En hoe meer politici zich omringen met andere politici, hoe moeilijker het voor hen wordt om zich zelfs maar empathisch op te stellen tegenover de mensen in wiens naam ze beweren te spreken. In plaat van de mensen te vertegenwoordigen voor wie ze geacht worden te regeren zijn professionele politici bijna automatisch geneigd zichzelf meer te vertegenwoordigen dan hun kiezers, en de belangen van de politieke klasse belangrijker te vinden dan die van het volk.

Democratie is een transparante soort regering: een overheid van het volk en voor het volk is maar al te graag bereid haar informatie, beslissingen, en acties met het volk te delen om iedereen op de hoogte te houden en in staat te stellen mee te denken, bij te sturen, en invloed uit te oefenen over de handelingen van hun verkozen regering.

Of het nu komt door de twee aannames hierboven, of omdat macht hunkert naar meer macht, of omdat overheden geloven in de macht van geheime informatie, wat de reden ook mag zijn, zelfs de meest democratische regeringen verschuilen zich uiteindelijk achter lagen van geheimhouding en misleiding. En het zijn niet alleen individuen die proberen zaken geheim te houden. Het bureacratische systeem zelf lijkt ontworpen te zijn om te versluieren in plaats van te verhelderen wat er werkelijk plaatsvindt achter de schermen. Daarbovenop lijken we in een tijdperk te leven waarin angst zo’n constante geworden is in het collectieve verhaal dat onze democratische overheden in staat zijn geweest – in zekere zin zelfs tegen hun eigen wil in – meer en diepere machtsstructuren te creëren, met de schijnbare bedoeling ons veilig te houden. Maar, en dit is de valkuil, men kan niet tegelijk veilig en vrij zijn. En dat geldt ook voor informatie: die is ofwel veilig en onder controle, en daardoor onbereikbaar, ofwel vrijelijk beschikbaar, maar daardoor niet veilig. Door steeds meer te leunen naar de kant van de veiligheid eroderen onze overheden de basisprincipes van transparantie en aansprakelijkheid die de democratie nodig heeft om zelfs de schijn op te houden van een overheid bestuurd en gecontroleerd door haar bevolking, in plaats van andersom.

Democratie is een regeringsvorm in balans: de macht die een verkozen regering verleend wordt wordt ingeperkt door de wet, die wordt bewaakt en uitgevoerd door een onafhankelijke politiemacht, en wordt onderhouden en geïnterpreteerd door en eveneens onafhankelijke weggevende macht.

Deze trias politicas werkt goed in theorie, maar hoe goed werkt ze in de praktijk? Alleen wanneer de drie machten waarlijk onafhankelijk zijn kunnen ze elkaar in balans houden zoals ze geacht worden te doen. In de meeste moderne democratieën is er echter een vierde macht aan het werk die zowel veel verder reikt en veel moeilijker onder controle te houden is dan de andere drie: de macht van de commercie. We leven in een commerciële maatschappij, waar ‘zaken gaan voor’ een wet op zichzelf geworden is. Als gevolg hiervan, ondanks de veronderstelde delicate balans van de machtsdriehoek, kunnen commerciële belangen elk van de andere drie machten overheersen of ontwijken, waardoor het systeem van wederzijdse controles en bijsturingen achterhaald en onbruikbaar is geworden. Privatisering van overheidsfuncties is hiervan een voorbeeld: als overheidsfuncties geprivatiseerd worden zijn ze niet langer onderhevig aan het soort van transparantie en openbaar toezicht dat van zulke functies verwacht zou mogen worden. En door dat ontbreken van transparantie worden ze niet langer in balans gehouden door de machtsdriehoek, noch kan het volk zich een redelijk beeld vormen van hoe goed of slecht dergelijke functies de diensten leveren die ervan verwacht worden.

Democratie in de handen van commerciële belangen.
Democratie in de handen van commerciële belangen.

In een democratie telt elke stem.

In een democratie kan iedereen stemmen, dus heeft iedereen de mogelijkheid een unieke stem toe te voegen aan het totaal van stemmen dat uiteindelijk bepaalt welke regeringen er gekozen wordt. In werkelijkheid, omdat in een democratie alleen de meerderheid uiteindelijk de gekozen regering bepaalt, gaan de minderheidsstemmen verloren in het verkiezingsproces, ook de stemmen die betere alternatieven bieden dan waar de meerderheid voor kiest. Maar belangrijker nog is dat de manier waarop het democratische proces ontworpen is ertoe leidt dat dat proces zelf noodzakelijkerwijs nooit te ver kan afwijken van de meerderheidsconsus in besluitvorming, prioriteitsstelling, en sociale sturing. Stemmen die niet binnen die consensus passen worden niet slechts genegeerd, ongeacht hun inhoudelijke waarde of belang, maar worden niet zelden actief vervolgd en onderdrukt omdat – zo wordt geredeneerd – zulke stemmen de sociale structuren destabiliseren waar de democratie op berust.

Nu wil ik niet beweren dat elke afwijkende mening tot actie moet leiden. Maar door haar perspectieven en gezichtspunten te beperken tot wat acceptabel is binnen de stabiele consensus beperkt de democratie haar eigen kansen om de signalen en vroegtijdige waarschuwingen voor de drastisch veranderende verhoudingen in de wereld om haar heen tijdig op te merken en correct te interpreteren. De meerderheidsconsensus neigt ertoe zulke signalen te ontkennen en te verzwakken met status quo verdedigende argumenten, en zal proberen zulke signalen te onderdrukken en tot zwijgen te brengen in plaats van serieus te overwegen hoe erop te reageren. Dit verzwakt het reactievermogen van de democratische samenleving, totdat de signalen zo luid worden dat ze niet meer genegeerd kunnen worden. Maar dan is het wellicht al te laat.

Ik heb ruim twee maanden aan dit stuk gewerkt, en heb zojuist besloten dat dit maar even voldoende moet zijn. Ik heb nog diverse andere aannames overwogen, maar de meeste daarvan kunnen gezien worden als variaties op de vijf die ik hierboven beschrijf. En ook heb ik het gevoel dat een aantal aannames een diepere beschouwing vragen, vooral om vast te stellen of het aannames zijn in het collectieve bewustzijn, of tekortkomingen in hoe het systeem ontworpen is waarvan we collectief aannemen dat zulke tekortkomingen nu eenmaal onoverkomelijk zijn.

Ook was het niet mijn bedoeling compleet te zijn.

Ik wilde alleen laten zien dat we moeten blijven opletten en de systemen waar we onze samenleving op baseren kritisch moeten blijven onderzoeken. Niet omdat ze per definitie fout zijn en moeten worden afgebroken – zelfs als ze niet volmaakt zijn – maar omdat het accepteren zonder vragen te stellen leidt tot een collectieve blindheid die ons in richtingen kan leiden die eigenlijk niemand wil, maar die ook door niemand tegengehouden kunnen worden.

Voorgrond en Achtergrond: Een Probleem met Identiteit

We definiëren onszelf vaak net zozeer door te bepalen wat we niet zijn als wat we wel zijn. Maar kunnen we onszelf werkelijk kennen door altijd naar anderen te kijken?

Voorgrond en Achtergrond: Are You Looking at Me?
Voorgrond en Achtergrond: Are You Looking at Me?

Zonder anderen om ons mee te vergelijken vinden de meeste van ons het moeilijk om onze identiteit te definiëren. Het lijkt erop dat we anderen nodig hebben om onszelf aan af te bakenen. Maar jezelf vergelijken met anderen brengt gevaren met zich mee. Vergelijkingen creëren kunstmatige scheidslijnen – afbakeningen die niet werkelijk bestaan – tussen mensen en groepen waardoor we niet vrijelijk en eerlijk met elkaar om kunnen gaan.

Het ‘wij’ tegenover ‘zij’ effect is vooral sterk aanwezig in culturele identiteit. En zeker als een groep onder druk komt te staan (echt of in hun verbeelding) creëren onze culturele verdedigingssystemen emotionele reacties die direct op onze basis overlevingsinstincten inspelen en gevoelens oproepen van angst, afkeer, boosheid, en haat.

Onszelf afzetten tegen anderen leidt niet alleen to verwijdering, maar ook tot een gevoel van superioriteit en verhevenheid ten opzichte van andere groepen. Iedereen lijkt te geloven dat hun eigen groep – om geen andere reden dan dat het hun groep is – wel superieur moet zijn aan alle andere groepen. Daar hoeven geen argumenten of bewijzen aan te pas te komen. Experimenten hebben laten zien dat je mensen in groepen uiteen kan laten vallen, simpelweg door ze op willekeurige wijze een markering te geven: een gekleurde armband, of een ander t-shirt. Mensen gaan dan al snel hun ‘gelijken’ opzoeken en zijn ervan overtuigd dat hun eigen groep uniek en ‘beter’ is dan de anderen.

Maar vergelijkingen met anderen zijn nooit compleet en vaak gevaarlijk selectief. Mensen zijn heel goed in het uitfilteren van de sterke kanten en het aandikken van de zwakheden van de andere groep, en dat dan te gebruiken om de superioriteit van hun eigen groep te rechtvaardigen.

Niet alleen schept dit een ongegrond – maar emotioneel erg verleidelijk – meerderwaardigheidsgevoel over ‘andere’ mensen, het maakt ons ook blind voor onze eigen aard: onze eigen krachten en zwaktes, functioneren en disfunctioneren. Door conclusies over onszelf te baseren op onvolledige en verdraaide vergelijkingen met anderen leren we niet echt veel over onszelf. Zelfs als we proberen onbevooroordeeld en eerlijk te zijn leren we minder van onszelf vergelijken met anderen dan we zouden leren van onszelf een spiegel voor te houden en onszelf diepgaand en eerlijk te beschouwen.

Pas als we ophouden met onszelf af te meten aan anderen, en onszelf leren te accepteren zoals we zelf zijn – en tegelijkertijd anderen accepteren zoals zij zijn – kunnen we hopen onze oogkleppen af te leggen, ons te bevrijden van werkelijkheid-verdraaiende filters, en onze vooroordelen een flink stuk te verminderen.

Waarom Is het Zo Moeilijk Te Veranderen Waar We in Geloven?

Door de geschiedenis heen hebben mensen in veel vreemde en wonderlijk complexe dingen geloofd, van geesten en demonen, to goden en godinnen, tot wereldwijde samenzweringstheorieën en kleine groene mannetjes. Gedurende die tijd is waar we in geloven vele malen veranderd, maar onze weerstand om ons geloof te veranderen bleef altijd even sterk.

De capaciteit en behoefte van mensen om te geloven in meer dan alleen datgene wat ze direct kunnen ervaren is universeel. We doen het allemaal. Zelfs degenen die zich hebben afgewend van geloven in bovennatuurlijke wezens of buitenaardse machten geloven in abstracte ideeën zoals waarheid en rechtvaardigheid, denkbeeldige concepten als naties and markten, en fictieve verhalen als geschiedenis and politieke theorieën. We lijken emotioneel weg te deinzen van het idee te leven in een betekenisloze wereld, waarin ons bestaan slechts accidenteel is, waar alles geheel toevallig gebeurt, en wij totaal onbelangrijk zijn in het grotere (of dagelijkse) geheel. In plaats daarvan hebben wij een gedrevenheid – noem het een instinct – om zin te geven aan onze wereld. We categoriseren en structureren de fenomenen om ons heen. We zien overal patronen, zelfs in geheel toevallige configuraties, en bewijzen van planning en ontwerpen in series van ongerelateerde ongelukken. We zien bewijzen van doelbewustheid en intelligentie zelfs waar de natuur slechts doelloos uit zichzelf beweegt.

Verlichting gluurt door de chaos heen - Bard Papegaaij
Verlichting gluurt door de chaos heen – Bard Papegaaij

Het is niet zo dat we die dingen bewust bedenken; onze geest verlangt ernaar patronen, belang, en betekenis te zien en zal dit volledig automatisch doen, op een onbewust niveau. Tegen de tijd dat we ons bewust worden van wat dan ook heeft onze geest al ruim voldoende tijd gehad de pure informatie van onze zintuigen te bedekken in lagen van interpretaties. We nemen zelden of nooit iets waar zoals het werkelijk is; we observeren het altijd in zijn verhalende context – zijn betekenis in relatie tot wat wij geloven over de wereld.

En we zijn verbazend creatief geweest in de vertellingen die we gecreëerd hebben en vervolgens in zijn gaan geloven. De variaties die we bedacht hebben zijn eindeloos: van miljoenen benoemde godheden tot een enkele, onbenoembare god; van eenvoudige geesten die elk object op Aarde bezielen, tot complexe hiërarchieën van hemelse wezens; van zeer menselijke wezens met al onze sterktes en zwaktes, tot fundamentele, tegengestelde krachten van goed en kwaad.

Met zo’n ruime keuze van dingen en denkbeelden om in te geloven zou men eigenlijk verwachten dat mensen vrij ontspannen zouden omgaan met het af en toe veranderen van waar ze in geloven. Als alles wat we willen een vertelling is die op prettige wijze de wereld om ons heen verklaart en structureert, zou de ene vertelling net zo goed zijn als de andere, zolang ze maar intern consistent is, en een bevredigend mengsel van verklaring, betekenis, en menselijk belang aanbiedt.

Niets lijkt echter minder waar. In plaats van onze vertellingen te behandelen as benaderingen van de werkelijkheid – een van de vele beschikbare verklaringen met verschillende gradaties van intellectuele en emotionele aantrekking – lijken we erop gebrand te zijn ons vast te klampen aan één enkele vertelling en onszelf ervan te overtuigen dat deze de enige ware is.

Nu is het niet zo moeilijk te begrijpen waarom onze hersenen de voorkeur geven aan een enkele vertelling. Door een plausibel – of tenminste intern consistent – verhaal over de wereld om ons heen te creëren maken we de wereld een stuk eenvoudiger. We kunnen de dingen negeren die niet in ons verhaal passen. We kunnen ons gedrag baseren op de regels en instructies die (expliciet of impliciet) in het verhaal zijn opgenomen. En we kunnen snel en eenvoudig andere mensen en situaties beoordelen aan de hand van die regels, zonder daarvoor gedetailleerde waarnemingen en een uitgebreide analyse te hoeven doen. We nemen immers aan dat alles wat we hoeven te weten al in de vertelling vervat is. In plaats van onszelf te verwarren met een veelheid aan mogelijke verklaringen hebben we er maar met één te maken. Dat maakt het leven zeker een stuk eenvoudiger.

Maar dat verklaart niet waarom we het zo moeilijk vinden het ene geloof voor het andere om te ruilen, of onze vertelling van tijd tot tijd aan te passen. Is de behoefte om ons leven eenvoudig te houden reden genoeg om ons vaak zo heftig te verzetten tegen zelfs vrij kleine veranderingen in de vertelling die we hebben aangenomen? Of zijn er andere krachten aan het werk?

Afgaand op de hoeveelheid energie, passie, en zelfs geweld dat door mensen wordt ingezet om hun aangenomen geloof te verdedigen moet er wel meer aan de hand zijn dan alleen een eenvoudiger leven. Zulke energie en passie moet stammen uit iets fundamenteels dat wordt aangeraakt en bedreigd; fundamenteel genoeg om een vecht/vlucht reactie op te roepen, die gewoonlijk alleen wordt aangeboord door dingen die direct gerelateerd zijn aan ons directe overleven. Maar geloof is niet de werkelijkheid, het bestaat uitsluitend in onze geest. Dus hoe kan iemands geloof bedreigen dan zo’n overlevingsreactie opleveren?

In het hart van onze defensieve houding ten opzichte van ons geloof en onze overtuigingen lijkt een sterk verband te liggen tussen ons gevoel van persoonlijke veiligheid en datgene waar we in geloven1. Dreig één van onze kern overtuigingen af te nemen en we reageren alsof je ons bestaan zelf bedreigt. De vraag die we ons moeten stellen is dus: wat is het in een geloof of overtuiging dat ons veilig doet voelen?

Ik denk dat het antwoord te vinden is in het idee van identiteit en hoe we die opbouwen, onderhouden, en eraan relateren. Mensen zijn intens sociaal. We danken ons bestaan het feit dat we in staat zijn nauw samen te werken met andere mensen, en ons success als soort aan hoe goed we in staat zijn dit op grote schaal te doen met een combinatie van complexiteit en flexibiliteit die geen andere soort onder de knie gekregen lijkt te hebben. We worden geboren met een sterke instinctieve drang om ons diep te verbinden met de mensen om ons heen. Dit is te zien in een baby’s vaardigheid in het herkennen van stemmen en gezichten, en de constante behoefte van jonge kinderen om uit te reiken naar anderen, hen in hun spelen te betrekken, en hun handelingen te imiteren en na te spelen. Vanuit een evolutie-perspectief gezien maakt onze lange, relatief hulpeloze kindertijd een aangeboren vaardigheid in het aangaan van diepe sociale verbindingen met de mensen waarvan we afhankelijk zijn voor ons overleven noodzakelijk.

Wat we doen met onze relaties met anderen is meer dan alleen het ‘managen’ ervan: we definieren onszelf in relatie met anderen. We zijn zo afgestemd op de anderen in onze sociale kring – hun gedrag, hun behoeftes, hun emoties – dat we ons aan hen aanpassen en onze eigen gedragingen, behoeftes, en emoties bijstellen om beter bij ze aan te sluiten. We raken gesocialiseerd: onbewust ontwikkelen we personae die ons in staat stellen erbij te horen en te functioneren als lid van de sociale kringen die we nodig hebben voor onze overleving. En we internaliseren die personae als onderdeel van wat we onze identiteit noemen; ons gevoel van zelf.

Onze identiteit is geen onafhankelijk ‘gegeven’, maar een adaptieve, evoluerende reactie op de sociale druk en invloeden om ons heen

De gesocialiseerde maskers van ons zelf - Bard Papegaaij
De gesocialiseerde maskers van ons zelf – Bard Papegaaij

Omdat mensen nooit uitsluitend op het niveau van gedrag opereren, maar de sterke drang hebben om alles in een verklarende vertelling te vervatten, wordt ons gesocialiseerde zelf ook ingebed in lagen van vertellingen. We nemen de verhalen die anderen over ons vertellen in ons op en we construeren verhalen die onze personae verklaren aan onszelf en anderen. Bovenop ons gesocialiseerde zelf creëren we een vertelde zelf. Die vertelde zelf, net als alle andere vertellingen die we creëren, helpt ons de complexiteit van ons eigen gedrag te versimpelen, vooral in zelf-reflectie. Het schept een gevoel van compleetheid en samenhang, iets dat door psychologen als zeer belangrijk wordt aangemerkt voor ons gevoel van stabiliteit en controle: we hebben een sterke afkeer van interne tegenstrijdigheden in onszelf en gebruiken diverse psychologische ‘trucjes’ om ons vertelde zelf te hervertellen op een manier die een samenhangend zelfbeeld hersteld2.

Ons vertelde zelf is de complexe verzameling van vertellingen die we construeren om ons gedrag en onze emoties aan onszelf and anderen uit te leggen

De zelf als vertellende constructie - Bard Papegaaij
De zelf als vertellende constructie – Bard Papegaaij

De bouwstenen van ons vertelde zelf zijn de dingen de we geloven en aannemen: conceptuele constructies die simpele, consistente verklaringen leveren voor de immens complexe realiteit die door de vertelling geïnterpreteerd wordt. En vanwege onze sterke sociale aard ontlenen we de meeste van die geloven and aannames bij de belangrijke anderen in onze voornaamste sociale kringen. Onze diepe behoefte ergens bij te horen en in te passen leidt ons ertoe een vertelde zelf te creëren dat nauw aansluit bij de vertelde zelfs van de mensen om ons heen, en hun geloven en aannames assimileert en eigen maakt zodat we zoveel mogelijk hetzelfde lijken in de ogen van onszelf en anderen.

We moeten voor ogen houden dat geloven en aannames niet slechts theorieën zijn over de wereld en onszelf: het zijn de fundamentele bouwstenen die we gebruiken om een vertelde zelf te construeren, en daarmee onze plaats in onze sociale omgeving te bepalen. Onze overtuigingen verklaren en vormen tegelijkertijd ons gevoel van identiteit. Ze vormen de fundering waarop de verhalen rusten die we gebruiken om onze handelingen aan onszelf uit te leggen. Ze verbinden ons met onze sociale kringen door een dicht netwerk te weven van gedeelde overtuigingen en aannames, gedeeld door degenen die ‘net als wij’ zijn, en niet gedeeld door ‘zij’: de anonieme anderen die geen deel zijn van onze sociale kringen. Voor de meeste mensen wordt hun vertelde zelf de gehele werkelijkheid van hun bestaan, van hun identiteit als zowel een individu en als een lid van hun sociale kringen.

Onze overtuigingen worden de bouwstenen van ons vertelde zelf, en ons vertelde zelf wordt het enig zichtbare bewijs van ons bestaan.

De zelven ontsaan spontaan op alle niveaus van het onderbewuste  - Bard Papegaaij
De zelven ontsaan spontaan op alle niveaus van het onderbewuste – Bard Papegaaij

En dit zou wel eens kunnen verklaren waarom het zo moeilijk voor ons is de dingen waar we in geloven los te laten. Het veranderen van een overtuiging of aanname ondermijnt vaak één of meerdere bouwstenen van ons vertelde zelf. Het verstoort de continuïteit en samenhang van ons zelfbeeld, en tegelijkertijd kan het ook het ingewikkelde netwerk van gedeelde geloven verstoren dat ons bindt met de sociale kringen waarin we ons veilig voelen. Zelfs het lospeuteren van één enkele overtuiging kan dreigen het hele bouwwerk van vertellingen dat we nodig hebben om ons bestaan te verklaren uit elkaar doen vallen. Bewust proberen bewijs in te passen dat tegenspreekt waar we in geloven kan voelen als het afbreken van de gehele fundering van ons vertelde zelf. En overtuigingen aannemen die verschillen van wat de mensen om ons heen geloven kan voelen als het onherstelbaar lossnijden van de banden die ons aan elkaar verbinden.

Voor een sociaal, verhalend wezen als wij mensen, het veranderen van één enkele overtuiging gaat veel verder dan eenvoudig toegeven dat we het bij het verkeerde eind hadden. Het kan voelen als het einde van de relaties waar we op rekenden voor ons overleven. En het kan voelen als het einde van de zelf die we zo zorgvuldig hebben opgebouwd door de jaren heen, en op vertrouwd hebben om ons onszelf te kunnen zien als een eenheid, een samenhangend, consistent menselijk wezen. Is het dan een wonder dat de meest mensen ervoor kiezen de bewijzen te negeren in plaats van hun overtuigingen bij te stellen? En dat de meeste mensen, als ze onder druk gezet worden om hun geloof op te geven, heftig, bij tijden gewelddadig, ageren tegen degenen die hen onder druk zetten, in plaats van simpelweg de alternatieven te overwegen en op rationele wijze een nieuw standpunt in te nemen?

Denk hier alsjeblieft aan, de volgende keer dat je iemand ervan probeert te overtuigen dat ze het helemaal fout zien. Verwacht niet dat jouw onweerlegbare bewijzen hen onmiddellijk bekeren tot jouw zienswijze. Oordeel niet, minacht ze niet, en maak hun achterlijke en ouderwetse geloof, overtuigingen en aannames niet belachelijk. Naar alle waarschijnlijkheid heb jij zelf ook een aardig aantal van zulke achterlijke en ouderwetse ideeën in je eigen geloofssysteem; ideeën die jij niet zal willen loslaten als jij daartoe onder druk werd gezet. En wie weet is het idee dat jij zo hard aan een ander probeert op te dringen daar wel één van.

  1. Hoogstwaarschijnlijk spelen hier een aantal factoren mee. Mensen zijn complexe wezens, and eenvoudige verklaringen doen zelden recht aan de volledige reeks van variabelen die ons gedrag beïnvloeden. Ik beweer niet een complete theorie over dit onderwerp te hebben. Ik heb slechts een ‘werk hypothese’ op dit moment. Een hypothese die iets te verklaren van ons waarneembare gedrag rondom geloven en geloofssystemen.
  2. Interessant genoeg is er misschien in werkelijkheid niet één samenhangend ‘zelf’ te vinden in de menselijke geest: moderne theorieën suggereren dat wat we als ons ‘zelf’ waarnemen in feite een complex, grotendeels achteraf geconstrueerd fenomeen is, dat oprijst uit een grote hoeveelheid van semi-onafhankelijke processen in de hersenen. Hoewel we denken dat we iemand zijn, zit er in werkelijkheid misschien niemand aan het stuur.